Frits Prakke

Archive for the ‘Technisch Weekblad’ Category

Geoengineering en de opwarming van de aarde

In Technisch Weekblad on maandag, november 12, 2007 at 23:09

Is nu de tijd gekomen om in de strijd tegen de opwarming van de aarde ook geoengineering oplossingen af te wegen? Er is een bijna wereldwijde consensus dat de moderne technologie – in het bijzonder onze grootschalige energiehuishouding – de oorzaak is van de toename van broeikasgassen en daardoor van een gevaarlijke opwarming van de aarde. Alom horen we politici tevredenheid uitspreken over het feit dat klimaatsverandering nu “op de politieke agenda” staat.

Maar ik zie het debat in Nederland over energiebesparing, hoe belangrijk ook, niet snel leiden tot werkelijk ingrijpende maatregelen op de schaal die nodig is om onze bijdrage aan de opwarming van de aarde terug te brengen. Teveel tegengestelde belangen zijn op de groene wagen gesprongen. Zelfs als de prijzenswaardige targets van onze regering, zoals de dertig procent reductie van broeikasgassen in 2020, gehaald worden, resulteert dit niet in een belangrijke vermindering van de opwarming van de aarde in de komende eeuw. Gezien de economische ontwikkelingen in China en India ligt een oplossing via energiebesparing mondiaal niet in het verschiet. Het probleem is van een geheel andere orde van grootte dan de tot heden aangereikte oplossingen.

Toch biedt de bereikte wereldwijde consensus een belangrijk nieuw perspectief. Door niet langer te ontkennen dat de moderne technologie de boosdoener is komt de weg vrij voor een discussie over technologische oplossingen. Nog in de jaren tachtig legde president Reagan de schuld van broeikasgassen bij de winderigheid van de dieren in het veld. Tot voor kort duidden sceptici de zonnecyclus als oorzaak van de opwarming van de aarde. Technologisch ingrijpen was dus zinloos. Maar die tijd is nu voorbij.

Omdat technologen niet langer overwegend tot het kamp van de ontkenners van de opwarming van de aarde kunnen worden gerekend zijn hun oplossingen niet langer verdacht. Geoengineering wordt bespreekbaar. Voorbeelden: het lanceren van koelende aërosolen in de dampkring (een nabootsing van het koelende effect van vulkaanuitbarstingen), spiegels in een baan om de aarde brengen om het zonlicht te weerkaatsen, ijzerdeeltjes strooien in de zuidelijke oceanen om de algengroei – en CO2 opname – te bevorderen. De American Academy of Arts and Sciences hield daarover afgelopen week een tweedaags congres in Cambridge. De organisator David Keith stelt dat een serieuze discussie over technologische oplossingen voor de opwarming slechts mogelijk is door de recente consensus over de oorzaken. Daarvóór was geoengineering onder wetenschappers een taboe.

Dat betekent een revolutionaire nieuwe kijk op de verhouding tussen de aarde en de mens. De aarde is niet langer van God, maar van de mens. Wij beschouwen de aarde niet langer als ongerepte natuur, maar als een tuin waarin de mens de eindverantwoordelijkheid neemt voor de noodzakelijke evenwichten.

Nog steeds dreigt een climate fix, een technische schijnoplossing waar iedereen achteraan holt. Zeer grote voorzichtigheid is geboden. Zo kunnen aërosolen in de dampkring de ozonlaag vernietigen. Ook kan een fix de bereikte politieke consensus over duurzaamheid doen afbrokkelen. Maar voor het geval de duurzaamheidtargets van onze regering voor 2020 niet gehaald worden, lijkt het me wijs om nu alvast zonder taboes een discussie over technologische oplossingen van de opwarming van de aarde te voeren.

Een standbeeld voor een ingenieur

In Technisch Weekblad on maandag, september 17, 2007 at 18:50

Op rondreis door Noord-Italië kwam ik vorige maand plotseling te staan voor een immens groot gebouw, een soort tempel. De locatie was de centrale plek van een groot park aan de oever van het Lago di Como. Mijn eerste associatie was met de megalomane overheidsge¬bouwen in Rome uit de tijd van Mussolini. Bij nadere inspectie bleek het een mausoleum geweid aan Alessandro Volta (1745-1827), uitvinder/ingenieur op het gebied van de elektriciteit. Op weg naar Como was ik ook al in de Dolomieten, in het dorpje Ortisei, gestuit op een meer dan manshoog bronzen beeld van de spoorwegingenieur die eind negentiende eeuw de voorheen achterlijke streek een verbinding met Bolzano had gegeven. Dat leek me een sympathieke uiting van waardering van de dorpelingen voor de technologische vooruitgang. Maar een mausoleum voor de uitvinder van de elektrische batterij?? Dat is voor een calvinistische Hollander verbijsterend.

Niet alleen het calvinisme maar ook de heersende culturele opvattingen van de twintigste eeuw hebben ons achterdochtig gemaakt voor iconen en standbeelden. De aankleding van onze publieke ruimtes is mede daardoor kil. In Frankrijk kan ik in ieder klein stadje weer genieten van de zoveelste sculptuur van Jeanne dÁrc. Maar in Nederland zijn sinds jaren slechts abstracte monumenten en conceptuele beelden toegestaan. Zelfs straatnamen in nieuwbouwwijken, de meest schuchtere vorm van erkenning, verwijzen nog maar zelden naar personen.

Vroeger – in de tijd van de VOC, zou je kunnen zeggen – was dat anders. Nederland is rijk aan beelden van zeehelden, vorsten en zelfs ingenieurs uit de gouden eeuw. Er staat in de Midden-Beemster een standbeeld van Adriaansz Leeghwater (1575-1650), in de Oude Kerk in Delft een prachtige grafplaat van Antoni van Leeuwenhoek (1632-1723), in Voorburg een bronzen beeld van Christiaan Huygens met zijn vader Constantijn.

Modernere wetenschappers en ingenieurs krijgen hoogstens een borstbeeld of plakkaat weggemoffeld op de binnenplaats van een instituut. W.C. Röntgen (1842-1923), als uitvinder niet minder belangrijk dan Volta, wordt in Apeldoorn slechts geëerd met een café en de straatnaam van het vroegere tuinpad achter zijn ouderlijk huis.Meer dan een halve eeuw oud zijn het standbeeld van Cornelis Lely op de Afsluitdijk en van Anton Philips (1951), die in Eindhoven op het tochtige stationsplein treinreizigers verwelkomt.

Op 18 augustus 2007 is in Deurne een standbeeld onthuld van ir. Hub van Doorne, representant bij uitstek, ja icoon, van de na-oorlogse industrialisatie. Is dat een kentering? Pieter Geelen van TomTom hoeft geen mausoleum. Maar hier ligt een mooie taak voor de regering Balkenende, die voor weinig geld wetenschap en innovatie wil stimuleren, die opgescheept zit met talrijke wijken die minder dan prachtig zijn, die inspiratie zoekt in prestaties in ons rijke verleden, die gelooft in het belang van iconen.

Zon, strand en voortplanting

In Technisch Weekblad on zaterdag, augustus 4, 2007 at 18:48

Zelden is onze welvaart zichtbaarder dan in de zomervakantie. Flanerende jeugd op de boulevards van prijzige Franse badplaatsen, rijen met luxe caravans, een cabriolet met modieuze vrouwen zwaaiend naar een overvol terras waar aan eten en drinken geen gebrek is. De pretparken puilen uit. De pleinen en straten van onze steden zijn gevuld met fun shoppers uit verre landen. In de lucht boven Schiphol is het een komen en gaan van vliegtuigen vol vakantiegangers. De zomervakantie is het symbool van onze welvaart.

Driekwart van de wereldbevolking kent die welvaart niet, maar wel de dagelijkse honger. Ik wil het vakantiegevoel niet bederven met schuldgevoelens over armoede in de Derde Wereld, maar de zomervakantie is wel een goede gelegenheid om te reflecteren over de oorzaak van onze eigen welvaart. Interessant is dat historici, economen en sociologen wel de vraag stellen, maar eigenlijk niet het antwoord geven.
Welvaart is een nieuw verschijnsel. Uit tijdreeksen van 1200 tot 1800 n. Chr. van de economisch historicus Gregory Clark (Universiteit van California, Davis) blijkt dat tot 1790 de gemiddelde Engelsman per dag ongeveer 2.300 calorieën consumeerde, evenveel als de tegenwoordig nog in jungles levende jagers/verzamelaars. Een Engelsman uit de lagere standen consumeerde dagelijks slechts 1.500 calorieën. In de voorgaande eeuwen hadden technologische ontwikkelingen regelmatig geleid tot agrarische productiviteitsverhogingen en vermindering van de hongerdoden. Maar overeenkomstig de armoedeval van Malthus veroorzaakte dit slechts een spoedige toename van de bevolking en de terugkeer naar een even laag niveau van beschikbare calorieën. Enkele zware pestepidemieën wisten in de Middeleeuwen zoveel slachtoffers te maken dat de overlevenden vervolgens een tijdelijke periode van relatieve welvaart kenden.
Pas in de tijd van de Industriële Revolutie werd in Europa de armoedeval van Malthus overwonnen. Door innovatie groeide de productiviteit sneller dan de bevolking. De meeste historici wijzen op de ontwikkeling van maatschappelijke instituties zoals rechtspraak, universiteiten, vrijhandel, en ziekenzorg als de oorzaak. Die verklaring is ook de basis van het moderne beleid op het gebied van ontwikkelingssamenwerking.

Gregory Clark komt in zijn binnenkort te verschijnen boek, A Farewel to Alms, met een tegengestelde – in onze ogen opmerkelijk Amerikaanse – verklaring van de industriële revolutie, namelijk dat deze het gevolg was van de evolutionaire overwinning van de waarden van de Engelse middenklasse. Deze waarden waren het afwijzen van geweld, de omarming van onderwijs, aanvaarding van lange werkdagen, en uitstel van consumptie, oftewel spaarzin. Zij werden dominant in de Engelse – en Europese – samenleving, niet door diffusie via het onderwijssysteem of de kerken (zoals de sociologen Max Weber en Norbert Elias zouden beweren), maar door de demografische ontwikkeling. Survival of the fittest! Clark laat met zijn tijdreeksen zien dat in de eeuwen vóór 1800 de Engelse middenklasse zich getalsmatig sterk uitbreidde ten opzichte van de lagere standen door grotere aantallen nakomelingen. Landen met een vergelijkbare technologische uitgangspositie zoals Japan en China raakten op achterstand. Clark merkt op dat in deze landen de hogere standen, de Samurai en de Qing dynastie, door zeer lage voortplantingscijfers de evolutionaire strijd verloren. Hun Industriële Revolutie kwam een eeuw of meer later.

Gregory Clark nodigt ons uit opnieuw te kijken naar de uitgangspunten van het ontwikkelingsbeleid, en misschien wel armoedebeleid in het algemeen. Of misschien alleen tot zomermijmeringen.

Galileo is beter voor Europa dan een grondwet

In Technisch Weekblad on maandag, juni 25, 2007 at 18:47

De toekomst van de Europese Unie is afgelopen weekend tegen veler verwachtingen in gered door Angela Merkel, een natuurkundige, een vrouw en een Ossi. Vier vooroordelen geplet met één forse zwaai van de hamer van de voorzitter van de Eurotop. Maar bij nadere analyse moeten we vaststellen dat de Eurotop vooral eensgezindheid heeft bereikt over negatieve kwesties. Er komt geen Europese minister van Buitenlandse Zaken, geen officieel volkslied, geen vlag, en bovenal geen document dat grondwet mag heten. Enkele van de democratische tekorten van de EU, zoals het gebrek aan parlementaire controle, zijn gradueel verminderd. Maar het ontbreekt nog aan democratisch draagvlak. En het ontbreek vooral aan positieve acties. Bij de burger leeft nog steeds het gevoel dat Europa hem of haar door een driftig regelgevende bureaucratische elite wordt opgedrongen.

Wie, met mij, overtuigd voorstander is van een sterk verenigd Europa, zal beamen dat er nu met vernieuwde overtuiging gewerkt moet worden aan de Europese Unie. Na de eensgezindheid over wat Europa niet moet willen is er nu eensgezindheid en daadkracht nodig met betrekking tot de dingen die we als Europa wèl willen. Een voorbeeld is het project Galileo van de Europese Commissie met als doel een eigen Europees satellietnavigatie¬systeem (GPS) te ontwikkelen. Criticasters zeggen dat het niet zinnig is 4 miljard euro belastinggeld uit te geven aan een replicatie van het Amerikaanse GPS systeem dat al twintig jaar operationeel is. Maar daar staat tegenover dat de aan/uit knop van het GPS systeem uiteindelijk wordt bediend door het Amerikaanse ministerie van defensie. Galileo laat bovendien een veel nauwkeuriger plaatsbepaling toe, millimeters ipv meters. De grote waarde van Galileo zal niet liggen in de replicatie van het Amerikaanse systeem maar in de technologische verbeteringen die mogelijk zijn. Met grotere nauwkeurigheid worden allerlei applicaties mogelijk die een positieve invloed kunnen hebben op gebieden als transport en milieubeheer. Zo lijkt er weinig fantasie voor nodig te bedenken dat een voltooid Galieo systeem beheerd door een Europese minister van Transport rekening rijden mogelijk maakt zonder dat er één tolpoortje aan te pas komt. Detectie van overbevissing en milieuverontreiniging wordt simpel. Galileo is een nieuw innovatietraject. Vele bedrijven kunnen daar technologisch op inhaken.

Galileo is een infrastructuurproject dat de schaal van de afzonderlijke Europese landen te boven gaat. Maar de totale kosten van 4 miljard euro is vergelijkbaar met de kosten van de Betuwelijn, die als enig doel lijkt te hebben de concurrentiepositie van de Rotterdamse haven tegenover Antwerpen te verbeteren, en dan nog slechts marginaal. In de waan van de dag is ooit besloten dat Galileo ondanks het evidente publieke karakter, medegefinancierd moest worden door grote Europese bedrijven. Maar deze haakten eerder dit jaar definitief af. De vraag is nu of de EU doorgaat of niet. Europarlementslid Jan Mulder (Liberalen) suggereerde vorige week dat de jaarlijkse overschotten van de EU van 5 à 10 miljard aangewend zouden kunnen worden. In de herfst moeten de Europese ministers van Financiën de knoop doorhakken. Worden Wouter Bos en de zijnen na de succesvolle maar negatieve Eurotop van juni de reddende engel voor een positieve Europese actie in september?

Bedrijven zoeken talent

In Technisch Weekblad on maandag, mei 28, 2007 at 18:44

Er is goed nieuws voor wie de mooie lente van 2007 aan zich voorbij heeft laten gaan om in de bibliotheek te blokken voor de laatste examens van een technische studie. Door de aantrekkende economie is er tussen de topbedrijven een flinke concurrentie ontstaan voor de beste afgestudeerden. De branchevereniging ICT-Office klaagt dat in Nederland het tekort aan ICT-professionals op HBO- en WO-niveau in 2010 de 10.000 zal naderen. In 2006 was er al een tekort van 3000. Ook in andere bedrijfstakken is er sprake van een krappe arbeidsmarkt voor echt talent. Dat lijkt me allemaal een troost voor de student die zit te zwoegen achter zijn boeken.
Bedrijven die niet met lege handen willen staan na de zomer doen er alles aan om zich als aantrekkelijke werkgever te presenteren. Niet langer is het voldoende een telefoontje te plegen naar een bevriende hoogleraar, een advertentie te plaatsen in een studentenalmanak of een vermelding te hebben in een bedrijvengids. Vooral in de Verenigde Staten voeren hi-tech bedrijven intensief campagne om in de aandacht te komen van studenten. Zo organiseert Google in Berkley de ‘Google Games’ voor studenten van Stanford en de Universiteit van California. Een hele zaterdag geven teams van studenten zich over aan Sudoku wedstrijden, Lego bouwsels en video spelletjes. Ook verzorgen bedrijven lezingen over de laatste technologische ontwikkelingen, pizza partijtjes, vossenjachten, en programmeringwedstrijden met vele honderden deelnemers onder de noemer van ‘code jams’ of ‘hack days’.

Het is een competitie tussen de grote adviesbureaus, financiële instellingen, en de ICT grootmachten zoals Yahoo en Microsoft. Hi-tech startups uit het nabije Sillicon Valley kunnen een geduchte concurrent zijn met aanbiedingen van aandelenopties en de ervaring van echt ondernemerschap. Rockwell Collins biedt ingenieurs en MBA’s een gratis vliegopleiding aan, maar dan wel in Cedar Rapids, Iowa. Het doel is niet direct om kandidaten te selecteren, maar om een reputatie van aantrekkelijke werkgever te vestigen. Google is er dit jaar in geslaagd voor het eerst in twaalf jaar McKinsey te verdrijven van de eerste plaats op de lijst van meest aantrekkelijke werkgevers voor afgestudeerde MBA’s, een lijst die jaarlijks op basis van enquêtes door een onderzoekbureau wordt opgesteld. In Nederland scoren ICT bedrijven nog steeds lager dan banken en adviseurs. De intensieve vorm van rekrutering lijkt bij ons nog in de kinderschoenen te staan. Wel komt het voor dat een groot adviesbureau exclusief wedstrijddagen tussen Delftse gezelligheidsverenigingen organiseert.

Concurrentie tussen de grote hi-tech werkgevers betekent ook concurrentie tussen de potentiële sollicitanten. Op Harvard Square in Cambridge staan op de reclamezuilen, waar dagelijks duizenden studenten langs lopen, grote wiskundige formules met afschrikwekkende spekhaken, machtsverheffingen en worteltekens. De bijgaande tekst vraagt voorbijgangers die de oplossing weten te bellen naar het telefoonnummer van Google. De boodschap hiervan is dat slechts weinigen geroepen zijn. Google groeit dit jaar met 900 werknemers per maand (evenveel als het zes maal grotere Microsoft). Maar het aantal sollicitanten per maand bedraagt 100.0000.
Toch leven we in historisch zeer goede tijden voor afgestudeerden in de techniek. Hoe lang zal dit duren? Mijn advies is in ieder geval ondanks het mooie weer nu zo gauw mogelijk af te studeren.

Soundbytes of volzinnen?

In Technisch Weekblad on dinsdag, mei 1, 2007 at 1:13

De zomervakantie komt eraan en het gehele gezin wil dat ik voor de rit naar het zuiden een TomTom aanschaf. Zelf ben ik nogal tevreden over mijn eigen vermogen om tegen het vallen van de avond een geschikt hotelletje te vinden in een voor iedereen en zelfs Internet onbekend gehucht. Ik huiver voor een navigatiesysteem dat mij alleen kan brengen naar vooraf vastgestelde locaties. Ook geef ik toe dat ik een spuughekel heb aan een vrouwenstem die mij vertelt dat ik om in Parijs te komen onderaan mijn eigen straat rechtsaf moet.

De moderne navigatiesystemen, goedkoop en technisch perfect, zijn denk ik in zekere zin een verwezenlijking van de jaren tachtig droom van Kunstmatige Intelligentie. KI was toen de gouden graal van informatietechnologen. Dit soort toepassingen van informatie- en communicatietechnologie hebben nu een grote vlucht genomen. Training met behulp van computersytemen en simulatoren is niet meer weg te denken uit de opleiding van piloten, civiele ingenieurs, economen en medici. Ook voor de analyse in zeer diverse vakgebieden zoals medische biologie (DNA onderzoek), chemie, wiskunde en taalkunde zijn computersystemen van steeds grotere waarde als hulpmiddel. Moderne simulatiesystemen weten steeds meer werkelijke situaties, inclusief menselijke interacties, na te bootsen. Er bestaat een STAR Classroom Simulator die voor leraren in opleiding een klaslokaal met recalcitrante leerlingen nabootst, inclusief de jongens op de achterste rij die propjes schieten. Andere simulators helpen bij het trainen van zelfmoordpreventie therapeuten, de opvang van slachtoffers van een verkrachting en het verhoor van agressieve criminelen.

Het onderwijs kent het klassieke onderscheid tussen het aanleren van vaardigheid en het aanleren van kennis. Vooral in het hoger onderwijs is er in het verleden nogal eens te weinig gedaan aan vaardigheden. Computer simulatie zal daar in de toekomst een steeds grotere rol in gaan spelen. Maar tegelijk dreigt nu een verwaarlozing van kennis. Ondanks de hype in het verleden van de KI, is bij simulator training nauwelijks sprake van de ontwikkeling van kennis en al helemaal niet van intelligentie.

Een vergelijkbaar verschil ligt tussen enerzijds het ondergaan van een informatiebombardement van Internet of TV, en anderzijds het lezen van een boek. Het is het verschil tussen soundbytes en volzinnen. Volzinnen dwingen ons een gedachtegang te proeven en eigen te maken. Niet alleen de conclusie maar ook het zoeken van de weg daarheen. Soundbytes doen dat niet. Dit is niet alleen van belang voor de intellectuele ontwikkeling van professionals zoals ingenieurs, medici, docenten en bestuurders. De gehele openbare cultuur is ermee gediend. De moderne informatietechnologie lijkt wel een negatief effect te hebben op de kwaliteit van de communicatie. Ik moet dan denken aan het verschil in communicatieve vermogens tussen Winston Churchill een halve eeuw geleden en George Bush Jr. nu. En hoe zit dat met onze Nederlandse politici in verleden en heden ?

Maar ik dwaal af. Wel weet ik zeker dat er geen TomTom komt in mijn auto voor de reis naar Frankrijk. Het zelf zoeken van de weg daarheen is mij te dierbaar.

Ben ik een technologische chauvinist?

In Technisch Weekblad on maandag, april 2, 2007 at 18:43

Ben ik de enige Nederlander die een wat zwaar gevoel op de borst krijgt bij het lezen dat vandaag voor een som van 6,2 miljard Britse pond de definitieve overdracht heeft plaatsgevonden van Corus, waaronder de Koninklijke Hoogovens, aan de Indiase multinational Tata Steel? En dat gebeurt minder dan een half jaar nadat Akzo voor 9 miljard euro zijn farmaceutisch kroonjuweel Organon aan Amerikanen heeft verkocht, en Philips zijn trotse divisie halfgeleiders, inclusief 2000 R&D medewerkers, onder de nieuwe, nietszeggende naam NXP, aan Chinezen. Philips Semi-conductors was nota bene de opvolger van het baanbrekende onderzoek van het Philips Natlab en Leidse natuurkundigen in de jaren dertig op het gebied van radiobuizen en radartechnologie. In al deze gevallen lijken gezonde economische beweegreden te overheersen en er is nauwelijks sprake van een bedreiging van de werkgelegenheid. De vakbonden lijken zich anno 2007 volledig neer te leggen bij de ratio van het kapitaal. Maar toch.

Wordt ons technologisch erfgoed verkwanseld? Ben ik te sentimenteel om de zaken nog nuchter te kunnen beoordelen? Zelf heb ik zeker ook schuld omdat ik hier en elders vaak genoeg heb verkondigd dat technologische innovatie de internationale markten moet volgen. Maar ik ben ook chauvinist. Ik heb twaalf jaar geleden honderd gulden betaald voor een risicodragende “volksobligatie” om DAF Trucks te redden; en ik was, tot de laatste dag voor het faillissement, voorstander van staatssteun aan Fokker Aircraft. Beide standpunten moet ik nu inslikken. DAF heeft het onder de hoede van de Amerikaanse multinational PACCAR Inc. de laatste jaren economische en technologisch veel beter gedaan dan ooit denkbaar onder de hoede van het Nederlandse Ministerie van Economische Zaken. Ik heb zelfs mijn honderd gulden teruggehad. De resterende sector vliegtuigbouw in Nederland is technologisch zo vitaal dat meer dan 300 studenten vliegtuigbouwkunde zich jaarlijks aanmelden in Delft, veel meer dan toen Fokker nog de nationale trots was.

Het traditionele innovatiebeleid gaat uit van Nationale Systemen van Innovatie (NSI). Ieder land innoveert op zijn eigen manier, op basis van door de eigen cultuur gedragen netwerken en tradities van langdurige samenwerking tussen de grote nationale ondernemingen, researchinstituten en de belangrijkste universitaire faculteiten. Dassault ontwerpt vliegtuigen op de Franse manier en Boeing op de, sterk verschillende, Amerikaanse manier. Daar zijn zeer interessante studies over gedaan door sociaal-psychologen. Indiërs zijn goed in software en Japanners in miniaturisatie, dankzij de cultuur en de specialisatie die wordt gedragen door het eigen NSI. De VS zijn kampioen grootschaligheid.

Voor Nederland betekende dit tot tien jaar geleden dat het innovatiebeleid gericht moest zijn op de behoefte van de grote zes multinationals met grote R&D laboratoria. Ook uit het overzicht in Technisch Weekblad van bedrijfs-R&D in Nederland blijkt die situatie nu sterk gewijzigd. Industriële R&D is veel meer gespreid en in toenemende mate internationaal. Er is sprake van elf ondernemingen met aanzienlijke aantallen R&D medewerkers. De grote elf! Maakt het voor hun werk veel uit dat hun baas in Mombai of Taipei woont? Ik ben misschien geen chauvinist, maar het Nederlandse innovatiebeleid moet wel wegen vinden om ondanks de internationalisering de netwerken tussen industriële R&D en het hoger onderwijs in stand te houden.

Piloten geven les aan chirurgen

In Technisch Weekblad on maandag, maart 5, 2007 at 18:41

Knappe koppen maken ook fouten. Als die knappe kop een chirurg is, die dagelijks met zijn uitzonderlijke kundigheid mensenlevens redt, kan één kleine fout niettemin een dodelijk gevolg hebben. In ernstige gevallen komt dit in de publiciteit, en een medische afdeling wordt tijdelijk gesloten. Een zware onderzoekscommissie concludeert iets over statistische anomalieën of over incompatibilité des humeurs. Slachtoffers krijgen een financiële tegemoetkoming. In Almelo stapte onlangs na een brand in de operatiekamer met dodelijke afloop de gehele raad van toezicht van een ziekenhuis op. Maar wat doen wij eraan?

Een onderzoek van het Amerikaanse Institute of Medicine concludeerde in 1999 dat per jaar ongeveer honderd duizend patiënten overlijden aan vermijdbare medische fouten. (Omgerekend zou dat voor Nederland een aantal van ongeveer vijf duizend zijn.) Fouten kunnen nooit geheel uitgebannen worden, maar actie om dit schokkende aantal te verminderen was geboden. Een aantal vooraanstaande ziekenhuizen in de VS besloot in de leer te gaan bij een andere bedrijfstak, die in het verleden technieken had ontwikkeld om de veiligheid te verbeteren. Dertig jaar geleden was er een crisis in de luchtvaartindustrie ten gevolge van een scherpe stijging van het aantal dodelijke ongelukken. De piloten die hun vaardigheden baseerden op ervaring in de Koreaanse en Vietnamese oorlogen bleken onvoldoende getraind voor de omstandigheden in de complexe grootschalige luchtvaart van 1975, zowel militair als commercieel. De Nasa ontwikkelde nieuwe richtlijnen voor Cockpit Management en dit werd verplichte leerstof voor alle piloten.

Anno 2005 nodigen medische centra zoals het John Hopkins instituut voormalige piloten van F-14 Tomcats en Boeings 747 uit om aan hun chirurgen uit te leggen wat die veiligheidsrichtlijnen waren en hoe deze kunnen worden toegepast in de operatiekamers van ziekenhuizen. Lesonderdelen direct uit het Nasa handboek werden onder andere de herkenning van vermoeidheid, de effectieve communicatie van problemen met collega specialisten, onderlinge ondersteuning en verplichte conflictoplossing in OK teams, briefings voor en na operaties, verplichte checklists, en het altijd rapporteren van incidenten. Een nieuwe technische ontwikkelingen als Simulator Training op basis van nieuwe ICT technologie nam vanaf de jaren tachtig een grote vlucht, eerst in de bijscholing van piloten, nu ook steeds meer in medische specialisaties.

Operatiekamers in ziekenhuizen lagen volgens Amerikaanse deskundigen op het punt van veiligheidsmanagement tot voor kort dertig jaar achter op de cockpits van vliegtuigen. De Top Gun piloot is inmiddels cockpit manager geworden. Zal de Prima Donna chirurg binnenkort nu ook in de eerste plaats OK manager worden? Willen wij dat, als we als patient worden binnengereden? Vaker dan op een retour vlucht naar Miami zal het succes van een medische operatie afhankelijk zijn van de knappe kop die in de OK de incisie maakt. Toch zou ik er vanuit een oogpunt van kennismanagement waardering voor hebben als die knappe kop bereid was les te nemen van de allerbeste veiligheidsdeskundigen, bijvoorbeeld piloten.

Leven op basis van waterstofperoxide

In Technisch Weekblad on maandag, januari 8, 2007 at 18:36

Het is een klassiek dilemma in de praktijk van innovatie en wetenschap. Als je niet weet wat je zoekt, zal je het ook niet vinden. Een Nasa evaluatie van de Marsverkenners in 1976-77 leert ons nu, dat als je niet weet welk soort leven je zoekt, je niet alleen niets zal vinden, maar zelfs een grote kans loopt het aanwezige leven te vernietigen.

Dertig jaar geleden zocht Nasa naar leven op de rode planeet zoals wij dat kennen op aarde. Daarin is zout water de interne vloeistof van levende cellen. Als je er water op sprenkelt dan groeit er onder invloed van zonlicht zoiets als veldsla, of tenminste een soort mos. Maar onderzoek van de oceaanvloer, oppervlaktewateren met een zeer hoog zuurgehalte en poolvlaktes heeft ons de laatste jaren geleerd dat zelfs op aarde geheel andere soorten leven mogelijk zijn. De commissie “weird life” (bizar leven) van de National Research Council zegt nu dat onder zeer koude omstandigheden – zoals op Mars – cellen denkbaar zijn die als interne vloeistof een mengsel van waterstofperoxide en water hebben. De geoloog Schulze-Makuch wijst erop dat op aarde een bombardier kever bestaat die zich verdedigt met een kokend hete sproeivloeistof die voor een kwart uit waterstofperoxide bestaat.

Als een Viking Marsverkenner in 1977 water heeft gesprenkeld op microben op basis van waterstofperoxide, is de onmiddellijke dood van deze organismen door oververhitting het gevolg geweest. Geen veldsla, geen mos. Conclusie indertijd: geen leven op de rode planeet.

Later dit jaar zal Nasa onder de naam Phoenix opnieuw een verkenner naar Mars sturen om naar water en leven te speuren. De vraag is of er op basis van de nieuwe inzichten met andere methodes onderzoek zal worden gedaan. Geconfronteerd met de nieuwe bevindingen over het soort leven dat mogelijk is op Mars, geeft een Nasa functionaris het perfecte bureaucratische antwoord. ”Dat kan alleen als de wetenschappers gebruik weten te maken van het bestaande wetenschappelijk instrumentarium aan boord van de verkenner.” We kunnen dus nu al concluderen dat de Phoenix missie naar Mars alleen leven zal vinden als dit lijkt op veldsla of mos. En dat kan op basis van de nieuwste inzichten worden uitgesloten. Bureaucratie en wetenschap zijn geen vrienden.

We kunnen ons afvragen of de situatie waarin het Phoenix programma zich bevindt zo uitzonderlijk is. Schieten niet bijna alle innovatieprojecten en bijna al het wetenschappelijk onderzoek tekort in het weten waarna we zoeken? Serendipity is het vinden van iets dat je niet zoekt. Het is de beloning voor wie onwetend is maar vlijtig. Onwetend is iedereen. Dat betekent ook dat er veel meer te vinden valt dan we ons kunnen voorstellen. Meer dan de vooraanstaande wetenschappers of ingenieurs zelf durven toegeven. Dat is niet alleen in de ruimtevaart, maar ook op technologische gebieden dicht bij huis zoals tunnelbouw, agronomie, nieuwe materialen en medische systemen. Steeds zie je doorbraken die vijf jaar gelden niet eens werden gezocht. Ondanks alle bureaucratie. Het enige zekere voor het jaar 2007 is dat we weer verrast zullen worden.

China, India, Nederland

In Technisch Weekblad on maandag, november 27, 2006 at 23:31

In een lezing vorige week aan de Universiteit van New South Wales heeft James Wolfensohn, tien jaar lang het hoofd van de Wereldbank, gewaarschuwd dat het bruto nationaal product van China en India binnen 25 jaar groter zal zijn dan dat van de G 7, de club van geïndustrialiseerde landen. De nu nog rijke landen schieten zwaar tekort in hun antwoord op deze onvermijdelijke ontwikkeling en dreigen door desinteresse af te glijden naar een ondergeschikte economische positie. Zou Wolfensohn daarbij doelen op de zojuist afgeronde Nederlandse verkiezingen? Daarbij werden Europa en mondiale vraagstukken stelselmatig genegeerd. Het valt nauwelijks te ontkennen dat de verkiezingsdebatten in hoge mate werden gekenmerkt door angstig provincialisme en tegenstellingen uit de oude doos.

Adam Smith wees al in de achttiende eeuw op de economische schade van afsluiting van de buitenwereld en een beleid van mercantilisme. Smith is een Schotse econoom uit de tijd dat deze beroepsgroep nog morele filosofen heette. Groei van de welvaart – the wealth of nations – is pas mogelijk als de overheid onnodige belemmeringen van technische ontwikkelingen en de vrije handel wegneemt. Het sluiten van de grenzen kan makkelijk leiden tot perioden van economische en culturele neergang. Wolfensohn wijst er in zijn lezing op dat China en India tot de zestiende eeuw 50 procent van het mondiale economisch product voortbrachten. Dat was voordat de keizer van China een verbod uitvaardigde op zeewaardige schepen en voordat India werd gekoloniseerd. Door de resulterende stagnatie in het Oosten en de industriële revolutie in het Westen bedroeg eind negentiende eeuw het aandeel van China en India in het mondiale BNP nog geen zeven procent.

Maar sinds India in het nieuwe millennium afscheid heeft genomen van een beleid van staatsregulering van de industrie (het perfide afscheidsgeschenk van de in 1948 vertrekkende kolonisator) en dagelijks een miljard Chinezen een lichte buiging maken voor Adam Smith, is de economische groei in deze landen per jaar tien keer zo hoog als in de groep van de G 7 landen. En dit zal volgens Wolfensohn zeker tot 2050 zo doorgaan. Dan is China al ruim en breed de Verenigde Staten voorbijgestreefd.

In Nederland lijkt me dat het de hoogste tijd is dat we gaan onderzoeken wat onze positie kan zijn in de nieuwe internationale verhoudingen. Belangrijke vragen te over. Hoe komt het dat onze bloembollentelers en onze architecten het zo goed doen? Hoe kunnen onze universiteiten er beter in slagen de beste buitenlandse studenten en onderzoekers aan te trekken? (De huidige regering lijkt alleen belangstelling te hebben in steeds weer hogere barrières.) Waarom gaan de beste software ingenieurs uit India naar Texas in plaats van naar Nederland? Hoe komt het dat we deze week in de krant lezen dat investeringen van vooraanstaande Nederlandse bedrijven, van BAM in de Duitse dochter Wayss & Freytag en Getronics in Italie, uitlopen op fiasco’s? Wie doet dat wel goed, en waarom? Wat willen we bereiken met de Europese Unie?
De verkiezingsdebatten toonden een angstig Nederland dat zich verstopt achter zijn grenzen. Hopelijk biedt de kabinetsformatie een herkansing.