Frits Prakke

Archive for februari, 2002|Monthly archive page

Ondernemingsgroei, innovatie en slapeloze nachten

In Technisch Weekblad on vrijdag, februari 22, 2002 at 20:16

Waarom groeit juist dat ene bedrijf snel, terwijl de meeste anderen achterblijven? Na het optrekken van de wolken van de crash van de Interneteconomie is die vraag voor velen opnieuw relevant. Als toch niet alles afhangt van het voorspiegelen van een actieve e-commerce strategie, wil de afstuderende ingenieur weten waar dan wel zijn beste kansen liggen. Gaat hij werken in een expanderend bedrijf met volop kansen voor een mooie carrière, of voor een bedrijf dat slechts inkrimpingen te wachten staat. Ook de aandeelhouder die zijn portefeuille overweegt stelt die vraag. Groeiende ondernemingen bieden de beste kans op koersstijgingen op de langere termijn.

Drie gangbare theorieën verklaren de groei van bedrijven. De traditionele verklaring is dat bedrijven groeien om schaalvoordelen uit te buiten, zowel in de technologie als in de marketing. Die groei gaat door totdat de optimale grootte bereikt is, geen verdere winstgevende investeringen mogelijk zijn, of de bureaucratisering ten gevolge van de omvang van het bedrijf tot verstarring leidt. Een modernere verklaring is de levenscyclustheorie. De groei is afhankelijk van de fase waarin het bedrijf verkeert. De eerste fase van een bedrijf wordt gekenmerkt door ondernemerschap, de tweede fase door volwassenheid en de derde door verval. Tenslotte wordt de groei van een bedrijf ook vaak afhankelijk gesteld van de core competencies, het opgebouwde vermogen om voordelen te behalen op de concurrenten op gebieden zoals productinnovatie, productietechniek of marketing.

Ieder van deze verklaringen lijkt op het eerste gezicht aannemelijk en ze worden dan ook dikwijls aangevoerd door ondernemers bij de onderbouwing van strategische beslissingen zoals reorganisaties, fusies en overnames. Kunnen deze factoren werkelijk de groei bepalen of zijn het modieuze pogingen om beursanalisten naar de mond te praten? Om dit te toetsen heeft Paul Geroski van de London School of Economics empirisch onderzoek gedaan naar de werkelijke patronen van groei van grote aantallen bedrijven. Zijn conclusie is dat de groeipatronen niet in overeenstemming zijn te brengen met één van de drie theorieën, maar slechts gekenmerkt worden door onregelmatigheid en onvoorspelbaarheid. In statistische termen heet dat een “random walk”.

Een patroon dat Paul Geroski wel vindt is dat zeer jonge bedrijven sneller groeien. Maar de omvang van bedrijven tendeert niet naar bepaalde waarden, ook niet binnen dezelfde bedrijfstak. Bovendien correleert de groei van een bedrijf slechts in zeer beperkt mate met de groei van de algehele economie of zelfs van de eigen bedrijfstak. Recessies treffen de groei van slechts een kleine minderheid van de bedrijven.

Het antwoord op toenemende concurrentie is innovatie, maar in plaats van een continue proces treft Geroski een patroon aan van sporadische tussensprints. Innovatie in bedrijven lijkt niet een planmatige, reguliere activiteit, maar een reactie op sporadische crises in de concurrentiepositie. Een van mijn Amerikaanse leermeesters poneerde ooit de stelling dat ondernemers die niet de ervaring hebben gehad van een slapeloze nacht over het niet kunnen uitbetalen van de lonen aan het einde van de maand, niet in staat zijn tot echte innovaties.

Het zou kunnen zijn dat ondernemers ondeugdelijke theorieën verkondigen om strategische beslissingen te verdedigen tegenover de beursanalisten, maar in de praktijk wel degelijk over het inzicht van de praktijkman beschikken om de juiste koers te volgen. Het tegendeel blijkt. KPMG Consultancy maakte deze week in de Financial Times een onderzoek bekend dat het ergste doet vrezen. De meerderheid van de 500 grootste overnames uit de jaren negentig, zo blijkt, heeft de aandeelhouders geen winst opgeleverd. Tweederde van deze overnames wordt op het ogenblik weer teruggedraaid.

We concluderen dat de strategische analyses die ondernemers doorgaans aanbieden op de financiële pagina’s van de kranten om het groeipotentieel van hun bedrijven aan te prijzen ondeugdelijk zijn. Van werkelijk belang is noch schaalgrootte, noch verjonging, noch vermeende core competencies. Van belang is het vermogen tot een Toynbee-achtige, innovatieve reactie op uitdagingen in de markt. Het beleven van slapeloze nachten. Voor de jonge sollicitant of voor de potentiële aandeelhouder is het een niet geringe opgaaf om daar een oordeel over te vormen.

Advertenties