Frits Prakke

Posts Tagged ‘innovatiebeleid’

Innovatie in tijden van bezuiniging

In Technisch Weekblad on zondag, oktober 10, 2010 at 22:00

Het is gebruikelijk in Nederland dat iedere nieuw aantredende regering zijn eigen innovatiebanier hijst. Na acht jaren Innovatieplatform onder de kabinetten Balkenende zal nu Rutte met zijn innovatiebeleid moeten komen, geheel vernieuwd en vol beloftes voor de toekomst. Dat is deels symbolische politiek. Een nieuwe regering moet hoop op verandering bieden. Naarmate het werkelijke politieke draagvlak geringer is gaan de beloftes een grotere rol spelen. Niet voor niets krijgen we nu zelfs Innovatie in de naamgeving van een nieuw, versterkt ministerie: Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.

Maar deels is vernieuwing van het innovatiebeleid ook een reële kans om te leren van het verleden, oud beleid te evalueren en nieuwe wegen in te slaan. Het is niet voldoende om vast te stellen dat het vorige beleid, het Innovatieplatform, symbool is geworden voor een krachteloze premier van een verdeeld kabinet, die het presteerde om zelfs de ontwikkeling van een toekomstvisie uit te besteden. Jan Peter, waar was je? Nee, het ministerie zou eerst een fundamentele evaluatie moeten uitvoeren van de sterktes en zwaktes van het oude innovatiebeleid.

Bij gebrek aan een goede evaluatie geef ik de mijne. Het Innovatieplatform is ten onder gegaan aan het polderen. Innovatieprocessen, die per definitie onderhevig zijn aan grote risico’s, zijn onder Balkenende onderworpen aan een bestuurlijk proces van risicomijdend verdeel-en-heers. Het positieve is dat er veel is geïnvesteerd in deugdelijk onderzoek. De input is redelijk verdeeld. Het negatieve is dat deze subsidies voor breed gedefinieerde sleuteltechnologieën nauwelijks tot innovatieve doorbraken, tot output, hebben geleid. Wie op input stuurt kan niet verwachten op output te slagen.

Voordat Rutte zijn eigen innovatiebanier hijst zou het ook goed zijn nog eens met een kritisch oog naar de ervaringen van anderen landen te kijken. Robert Atkinson, van de Information Technology & Innovation Foundation in de VS, heeft in september een voortreffelijk overzicht geproduceerd. Op basis van empirisch onderzoek naar de kansrijkheid van innovaties over de jaren pleit Atkinson voor de vraagarticulatie als aangrijpingspunt van innovatiebeleid in plaats van subsidies voor R&D. Daadkrachtig innovatiebeleid vraagt daarom eerder om het aanpakken van barrières voor innovatie dan directe investeringen. Studies naar de barrières voor innovatie werden in Nederland al gedaan in de vorige eeuw, maar zijn sindsdien ten onrechte in de vergetelheid geraakt.

Om de vraagarticulatie te bevorderen noemt Atkinson maatregelen zoals het aanhaken bij het aankoopbeleid van de overheid, vernieuwde milieu en handelsregulering gericht op het belonen van innovatie, het hanteren van functionele in plaats van technische specificaties, deregulering waar deze innovatie belemmert, het stimuleren van open innovatie in nieuwe IT voor overheidsdiensten en het wegnemen van barrières voor hooggeschoolde migranten. Al deze maatregelen grijpen aan bij de vraagarticulatie in plaats van subsidiering. Niet nieuwe investeringen maar een visie op innovatie staat centraal. In tijden van bezuiniging moet dat een banier zijn dat de nieuwe regering aanspreekt.

Advertenties

Een standbeeld voor een ingenieur

In Technisch Weekblad on maandag, september 17, 2007 at 18:50

Op rondreis door Noord-Italië kwam ik vorige maand plotseling te staan voor een immens groot gebouw, een soort tempel. De locatie was de centrale plek van een groot park aan de oever van het Lago di Como. Mijn eerste associatie was met de megalomane overheidsge¬bouwen in Rome uit de tijd van Mussolini. Bij nadere inspectie bleek het een mausoleum geweid aan Alessandro Volta (1745-1827), uitvinder/ingenieur op het gebied van de elektriciteit. Op weg naar Como was ik ook al in de Dolomieten, in het dorpje Ortisei, gestuit op een meer dan manshoog bronzen beeld van de spoorwegingenieur die eind negentiende eeuw de voorheen achterlijke streek een verbinding met Bolzano had gegeven. Dat leek me een sympathieke uiting van waardering van de dorpelingen voor de technologische vooruitgang. Maar een mausoleum voor de uitvinder van de elektrische batterij?? Dat is voor een calvinistische Hollander verbijsterend.

Niet alleen het calvinisme maar ook de heersende culturele opvattingen van de twintigste eeuw hebben ons achterdochtig gemaakt voor iconen en standbeelden. De aankleding van onze publieke ruimtes is mede daardoor kil. In Frankrijk kan ik in ieder klein stadje weer genieten van de zoveelste sculptuur van Jeanne dÁrc. Maar in Nederland zijn sinds jaren slechts abstracte monumenten en conceptuele beelden toegestaan. Zelfs straatnamen in nieuwbouwwijken, de meest schuchtere vorm van erkenning, verwijzen nog maar zelden naar personen.

Vroeger – in de tijd van de VOC, zou je kunnen zeggen – was dat anders. Nederland is rijk aan beelden van zeehelden, vorsten en zelfs ingenieurs uit de gouden eeuw. Er staat in de Midden-Beemster een standbeeld van Adriaansz Leeghwater (1575-1650), in de Oude Kerk in Delft een prachtige grafplaat van Antoni van Leeuwenhoek (1632-1723), in Voorburg een bronzen beeld van Christiaan Huygens met zijn vader Constantijn.

Modernere wetenschappers en ingenieurs krijgen hoogstens een borstbeeld of plakkaat weggemoffeld op de binnenplaats van een instituut. W.C. Röntgen (1842-1923), als uitvinder niet minder belangrijk dan Volta, wordt in Apeldoorn slechts geëerd met een café en de straatnaam van het vroegere tuinpad achter zijn ouderlijk huis.Meer dan een halve eeuw oud zijn het standbeeld van Cornelis Lely op de Afsluitdijk en van Anton Philips (1951), die in Eindhoven op het tochtige stationsplein treinreizigers verwelkomt.

Op 18 augustus 2007 is in Deurne een standbeeld onthuld van ir. Hub van Doorne, representant bij uitstek, ja icoon, van de na-oorlogse industrialisatie. Is dat een kentering? Pieter Geelen van TomTom hoeft geen mausoleum. Maar hier ligt een mooie taak voor de regering Balkenende, die voor weinig geld wetenschap en innovatie wil stimuleren, die opgescheept zit met talrijke wijken die minder dan prachtig zijn, die inspiratie zoekt in prestaties in ons rijke verleden, die gelooft in het belang van iconen.

Het Innovatieplatform

In Technisch Weekblad on zondag, februari 15, 2004 at 19:57

De hete adem van Boris Dittrich blaast in de nek van de leden van het door premier Balkendende aangevoerde Innovatieplatform. Het gebrek aan innovatie is in Nederland zo schrijnend, dat op het hoogste politieke niveau een commissie is ingesteld, een Platform zelfs, om daar op duidelijke manier verandering in aan te brengen. De vraag is niet alleen of er wel tijdig resultaten te verwachten zijn, maar ook of de gekozen aanpak niet bij voorbaat enige verandering, laat staan verbetering, volstrekt uitsluit.

Een politieke benadering op het hoogste niveau betekent in ons polderland dat zoveel mogelijk van de partijen die de gevestigde, verankerde orde uitmaken, ook deel uitmaken van het Platform dat de opdracht heeft die orde te veranderen. Verankeraars zijn geen veranderaars. Bovendien zijn de leden van het Platform, veel hoogleraren die bestuurder zijn geworden en directeuren van R&D-intensieve bedrijven, bijna exclusief aanbieders van kennis en niet de afnemers. Ieder eerstejaarscollege innovatiemanagement begint met de empirische waarneming dat niet aanbieders maar afnemers de belangrijkste stimulans voor innovatie zijn. En dat geldt ook voor innovatie in het beleid voor een nieuwe kenniseconomie.

Om het belang van nieuw beleid voor de kenniseconomie duidelijk te maken werd, onder druk van D66 en na lang touwtrekken, de minister van Financiën een bedrag van € 800 miljoen voor het Innovatieplatform ontfutseld. Ik kan dat alleen maar toejuichen. Maar het jammerlijke gevolg is wel dat de discussie binnen het platform vervolgens niet meer over slimme structurele veranderingen gaat, maar over de verdeling van de pot met geld. Immers, de leden waren overwegend aanbieders van kennis. En dus vragers van geld. In tijden van bezuiniging, zoals nu in wetenschappelijk Nederland, betekent uitsluiting van nieuw geld in de praktijk zelfs een korting. Dat verscherpt de strijd.

Nu al komen er berichten naar buiten over verlammende, schijnbaar principiële discussies in het Platform over generieke versus specifieke subsidies voor innovatieprojecten, over picking winners en academische onafhankelijkheid. Maar als de geschiedenis van dit soort poldercommissies een les is – en de leden van het platform niet boven hun achterban uit weten te stijgen – zijn de principes niet meer dan een rookscherm om de status quo te beschermen. Één lid zet in op meer geld onder minder voorwaarden voor zijn eigen achterban. De anderen hebben dat al snel door, blokkeren het voorstel en maken er één voor zichzelf. Dat leidt speltechnisch tot het logische resultaat dat de € 800 miljoen precies volgens de bestaande verhoudingen wordt verdeeld.

Cruciale structurele vernieuwingen die weinig of geen geld kosten komen niet eens aan bod. We noemen als voorbeelden de invoering van concurrentie tussen studenten, een effectievere arbeidsmarkt voor onderzoekers, de radicale vermindering van de gelijkschakeling en bureaucratie in het hoger onderwijs, en de gezamenlijke stimulering van starters door grote bedrijven en universiteiten. Niemand aan tafel wordt daar financieel beter van. En bovendien, de tijd is op.

Boris Dittrich maakt zich met reden zorgen over de voortgang van het Innovatieplatform. Ik hoop dat de leden ervan zich ook zorgen maken over de innovatieve kwaliteit.