Frits Prakke

Posts Tagged ‘Philips’

Rijk worden van open innovatie

In Technisch Weekblad on woensdag, januari 6, 2010 at 0:02

Een innovatie moet per definitie technisch nieuw en nuttig zijn. Economen vinden dat iets pas echt nuttig is als iemand er rijk van wordt. En dat stemt aardig overeen met de droom van iedere ingenieur die in navolging van Thomas Edison uitvinder wil zijn. De gloeilamp!

Rijk worden betekent dat eigendom verkregen moet worden, in dit geval intellectueel eigendom van de innovatie, oftewel een octrooi. Die beschermt de innovatie wettelijk tegen goedkope namaak. Het gevolg is volstrekte geheimhouding tot het moment waarop het octrooi wordt gepubliceerd. Ondanks de nadelen voor de wetenschappelijke kennisuitwisseling is deze geslotenheid de basis geweest waarop industriële concerns zoals IG Farben, General Electric, Philips en Microsoft, met hun afgegrendelde researchlaboratoria, in de vorige eeuw groot en machtig zijn geworden.

Maar de huidige technologische trend is Open Innovatie. Een voorbeeld is Cisco Systems, producent van telecommunicatieapparatuur. Het bedrijf heeft in twintig jaar technologisch leiderschap in de branche verworven zonder zelf te investeren in research of kostbare ontwikkelingsprogramma’s. In plaats daarvan werd op basis van Open Innovatie steeds samengewerkt met de beste externe partners. Dit jaar is het grote voorbeeld Twitter. De oprichters spreken niet van een innovatie, maar van een platform. In de loop van een jaar zijn daar vele nieuwe en essentiële functies en applicaties aan toegevoegd. Dat is gedaan door de gebruikers, een community van lead users in de termen van MIT’s Eric van Hippel, in ieder geval door mensen die niet op de loonlijst van Twitter staan. In extreme gevallen: crowd sourcing.

De bescherming van eigendom is naar achteren gedrongen door de behoefte aan kennisuitwisseling en openheid. Ook Philips heeft de strategie van Open Innovatie omhelsd. Wie in Eindhoven naar het vroegere NatLab zoekt komt terecht op de open Philips campus, waar tal van zelfstandige kleine bedrijfjes, research instituten en starters gevestigd zijn. Faciliteiten, kennis en inspiratie worden gedeeld. Soms voelen zij zich lammeren die zich neerleggen bij een leeuw.

Is de bescherming van intellectueel eigendom (IE) in strijd met open innovatie (OI)? Sommige bedrijven, zoals Pfizer Inc en 3M Co weigeren met externen te praten zonder eerst een eigen octrooipositie te hebben. Een aantal universiteiten zijn door de bezuinigingen op wetenschappelijk onderzoek zo octrooibelust geworden dat ze door de industrie als wereldvreemde en onmogelijke partners worden gezien. Drie onderzoekers van de Imperial College Business School hebben de R&D strategie van tientallen bedrijven in de VS en Europa op dit punt onderzocht. Het succes van methoden van bescherming van IE blijkt niet afhankelijk van verschillen in grootte of van bedrijfssector. Doorslaggevend zijn de mate waarin de technologische omgeving turbulent is of kalm en de mate waarin de relevante kennis zeer breed, door vele bedrijven wordt gehouden, of juist geclusterd. In het eerste geval kan crowd sourcing een goede strategie zijn; in het tweede wellicht een research consortium. De combinatie van open innovatie en rijk worden van innovatie is maatwerk.

Advertenties

Een land van schoolfrikken

In Technisch Weekblad on zondag, september 12, 2004 at 20:03

Geen probleem zo groot of in Nederland bedenkt een gezagsdrager dat de oplossing ligt in het geven van een cursus. Langdurige werkloosheid? De overheid spendeert miljarden euro’s aan herintredingcursussen. Het is aftellen naar een parlementaire enquête over deze geldverspilling. Falende integratie van allochtonen? Een cursus Nederlandse cultuur moet de pleister op de wonde zijn. Crisis in normen en waarden? Geen beroepsopleiding is meer compleet zonder een éminence grise, meestal een voormalige jezuïet of een gemankeerde dominee, die in een cyclus van zeven lessen het vak Ethiek komt geven.

Gebrek aan ondernemerschap? Philips-topman Gerard Kleisterlee pleit op 6 september in een rede bij de opening van het academisch jaar aan de universiteit van Tilburg voor Ondernemen als verplicht vak in het middelbaar, hoger en wetenschappelijk onderwijs. Terwijl Nederland achterblijft in economische groei en gelost is uit de mondiale kopgroep in concurrentiekracht, schieten we naar duizelingwekkende hoogte met ons vertrouwen in onderwijs als Haarlemmer olie voor alle maatschappelijke kwalen. We zijn een land van schoolfrikken geworden.

Is het denkbaar dat onderwijs het antwoord is op het gebrek aan ondernemerschap in Nederland? Een eeuw geleden werd daar zonder meer negatief over gedacht, althans door de ondernemers van die tijd. Met name hoger onderwijs werd schadelijk geacht voor een succesvolle carrière in de handel. Daar mochten jonge geesten niet mee worden besmet. Dit is de reden dat in typische handelssteden zoals Rotterdam en Bremen de stedelijke elite lang het stichten van een universiteit heeft weten tegen te houden. Kleisterlee bevestigt het voortduren anno 2004 van de culturele kloof tussen hoger onderwijs en het bedrijfsleven door in zijn rede ervoor te pleiten “de muur” tussen deze twee neer te halen.

Toch is er veel verbeterd aan het onderwijs aan toekomstige ondernemers. Twintig jaar geleden gaf ik al een werkcollege Innovatie Management aan studenten in Delft. Om daarvoor te slagen moesten studenten in de rol van ondernemer een Business Plan maken voor een nieuw bedrijfje of product, zodanig uitgewerkt dat een investeerder slechts ja of nee hoefde zeggen. Zelden heb ik studenten zoveel werk zien verzetten voor zo weinig studiepunten. Ik meen dat dit soort keuzevakken inmiddels aan bijna alle Nederlandse universiteiten en hoge scholen gemeengoed zijn geworden.

Toch vertelde een Delfts hoogleraar mij kortgeleden dat het aantal studenten dat een bedrijfje begint nog steeds zeer laag is, niet alleen vergeleken met Amerikaanse, maar ook met andere Europese universiteiten. Het is niet waarschijnlijk dat het verplicht stellen van een vak Business Plans, of enig denkbare andere cursus gericht op ondernemen, daar verandering in zal brengen.

Een cultuurverandering is nodig die alleen mogelijk is door ondernemerschap te belonen waar dat maar mogelijk is. Zeker in het onderwijs. Niet door studenten te belonen voor een 6- in een verplicht vak Ondernemen, maar door meer concurrentie en beloningen voor excellente prestaties. Maar ook elders in de samenleving kunnen mensen veel meer aangemoedigd worden risico’s te nemen en marktgericht te denken. Bijvoorbeeld bij Philips. Je vraagt je af hoe Kleisterlee’s zijn eigen jonge ingenieurs en managers leert ondernemers te worden. Je hoopt dat het meer is dan het volgen van verplichte cursussen.

De eeuw van een ingenieur

In Technisch Weekblad on zondag, maart 14, 2004 at 19:58

Het verhaal van mijn vader, die vorige maand kort na zijn 96ste verjaardag overleed, is ook het verhaal van de techniek in de twintigste eeuw. Zijn geboortejaar 1908 was het magische jaar van de eerste vlucht van de gebroeders Wright in Europa. In 1925, lang voordat hij Frits Prakke senior werd, melde hij zich met een fraaie eindlijst HBS-B in Delft om technische scheikunde te studeren. Dat was nuttig voor later in de leerlooierij van zijn vader.

Frits Prakke, DSC lustrum 1928

Frits Prakke, DSC lustrum 1928

Als student in Delft maakte hij kennis met de donkere kanten van de techniek. Uitbuiting van fabrieksarbeiders, werkloosheid en vervreemding door de moderne techniek hielden studenten bezig op een manier die we ons nu maar moeilijk kunnen voorstellen. Dit waren de thema’s van het Delftse lustrumspel in 1928, D.16M.M. Mijn vader gaf zich daar geheel aan over, samen met tijdgenoten als de schrijfster Henriëtte Roland Holst, in die jaren intellectueel bevriend met Leon Trotsky en geziene gast in Moskou. In 1929 kwam de crash op de aandelenbeurzen, de inleiding tot de Grote Depressie. Vanaf dat jaar lag in de ogen van mijn vader het enige doel van de techniek in het bouwen van fabrieken die kansen boden op werk en een menswaardig bestaan.

In 1932 kwam mijn vader met een doctoraat in de leerlooierij uit Darmstadt terug in Nederland. Maar zelfs in de fabriek van zijn vader was geen plaats. Een jaar lang zocht hij tevergeefs naar werk totdat zich een kans voordeed bij Philips in Eindhoven. In 2002 konden kleinkinderen die op straat kwamen te staan na in aanraking te zijn gekomen met de harde kant van de internet-economie bij hun grootvader op een sympathiek oor rekenen. Met een hoofd vol kennis kansloze sollicitaties aflopen was een wereld die hij kende.
In de jaren dertig beleefde mijn vader bij Philips de ingenieursdroom mee te werken aan de ontwikkeling en proeffabricage van radiobuizen, later televisiebuizen en radar. Duitse bommenwerpers die hij tijdens de Battle of Britain hoorde overvliegen richting Londen werden daar opgewacht door radarapparatuur waaraan hij had bijgedragen. In de herfst van 1945 vloog mijn vader in een DC3 van de regering naar New York om daar met General Electric te onderhandelen over patenten voor televisiebuizen. In 1947 hadden we thuis een TV apparaat om proefuitzendingen te ontvangen.

Frits Prakke Senior bezoekt een fabriek in Praag, 1968

In 1948 kreeg mijn vader van de AKU, voorloper van de Akzo, de opdracht een proeffabriek voor nylon textielvezels te bouwen in Arnhem, daarna fabrieken op volle schaal in Emmen en in 1957 in de VS. Dit was de naoorlogse industrialisatie, met werk voor allen.

Technische ontwikkeling geeft en neemt. De chroomleerlooierij van de familie Prakke, leidend in 1925, kon mijn vader als specialist in 1932 al geen werk meer bieden. Zijn meest creatieve jaren heeft hij gegeven aan de radiobuis, nu slechts een antiek curiosum. De fabrieken voor synthetische vezels die hij als ingenieur had gebouwd, eerst in Emmen en Breda, later ook in Spanje, Noord en Zuid Amerika en in India, werden tegen het einde van de eeuw speelbal van de opkomende globalisering. De ingenieur moest toezien hoe zijn fabrieken werden verkwanseld door winstbeluste economen, bankiers en juristen.

Tegen het einde van zijn leven keek hij bewonderend toe hoe, van Californië tot Kopenhagen en Eindhoven, liefst negen van zijn 18 kleinkinderen met passie werkten aan het digitale achterkleinkind van zijn radiobuizen, het internet. Maar hij miste de fabrieken.

A personal history of technology in the twentieth century – Frits Prakke Sr. (1908 – 2004)

In Technisch Weekblad on dinsdag, maart 9, 2004 at 20:10

The story of Frits Prakke, who died on January 4, 2004, shortly after his 96th birthday, is also the story of technology in the twentieth century. His birth year 1908 is a magical time. In Detroit Henry Ford produces the first model T Ford. In Leiden Kamerlingh-Onnes liquefies helium. The first rigid airship is launched by Graf Zeppelin. The brothers Wright introduce their airplane to cheering crowds in Paris. What a sight it must have been. In 1925, long before he became Frits Prakke Senior, he left Eibergen and the HBS-B high school in Winterswijk to study Chemistry at the Technical University in Delft. That seemed useful for later in the tannery of his father, Jan E. Prakke (1871-1938).

Frits Prakke, DSC lustrum 1928

Frits Prakke, DSC lustrum 1928

As a student in Delft his eyes were opened to the darker side of technological progress. Exploitation of factory workers, unemployment and alienation as a result of industrialization were on the minds of the students in Delft in a way that we can now hardly imagine. Yet these were the themes of the Delft University Lustrum theatrical production, D.16M.M in the year 1928. Frits Prakke was the producer of the play and joined wholeheartedly in the social critique with contemporaries as Henriëtte Roland Holst, playwright, poet and political activist. She was a good friend of Leon Trotsky and honoured guest in Moscow. (Later she would clash with Stalin and become a voice of Christian socialism.) 1929 was the year of the Wall Street crash, followed by the Great Depression. From that year on the only objective of technology in his eyes was the building of new factories that would provide employment and social improvement.

In December 1932 Frits Prakke came back home from the Universtiy of Darmstadt with a PhD in chemical technology. But even in the factory of his father and brothers Jan and Carel there was no work for him. For more than a year he was unemployed, finally ending up at Philips Electronics in Eindhoven. In the year 2002 a number of his grandchildren, who were out on the streets due to a downturn in the Internet economy, could always count on a sympathetic ear from their grandfather. He knew all about having a fistful of diploma’s, but unable to even get a job interview.

Later on in the1930’s Frits Prakke lived the engineer’s dream of working on the development and manufacturing of radio tubes, later radar and television. During the Battle of Britain in the fall of 1940 the German bombers that he heard flying over Eindhoven on their way to London were awaited over Dover by radar installations to which Philips had made an important contribution.

In the Fall of 1945 he was sent by government DC3 to New York to negotiate with General Electric to acquire patents for television technology for new Philips factories. In 1947 the Prakke home on the Boschdijk 588 had a television set to receive experimental broadcasts. That was five years before the public introduction of TV in the Netherlands.

Frits Prakke Senior

Frits Prakke Senior

In 1948 AKU, forerunner of the present Akzo-Nobel, asked Frits Prakke to develop an experimental factory for nylon fibers in Arnhem, followed by a full-fledged manufacturing plants in Emmen, and in 1957 in Asheville in the US. This was post war industrialization, with jobs for everybody.

Technology giveth and taketh away. The chrome leather tannery of the Prakkes, cutting edge in 1925, could not give him a job in 1933 despite his specialization. Frits Prakke gave his most creative years as an engineer to radio tube technology, now only an antique curiosity. The factories for synthetic fibres that he built, first in Emmen and Breda, later in Spain, North and South America and in India, had become fodder for the raging globalization at the end of the century. The engineer had to standby idly as his factories were squandered by profit maximizing economists, bankers and lawyers. Since the 1930’s he had become less political, but not less a moralist. He lectured his grandchildren that greed was not good.
Toward the end of his life he looked on with admiration as, from California to Copenhagen, Raleigh, Eindhoven and Amsterdam, no less than 9 of his 18 grandchildren worked with passion on the technology of the digital grandchild of the radio tube, the Internet. But he had lost his hart to his factories.
Frits Prakke (1946)

Adapted from his column in Technisch Weekblad, March 2004.

Philips naar Amsterdam

In Technisch Weekblad on dinsdag, november 11, 1997 at 18:35

De kogel is door de kerk. Philips heeft besloten het hoofdkantoor te verhuizen van Eindhoven naar Amsterdam. Vooral de reacties op dit besluit zijn fascinerend. Niet alleen Frits Philips senior en de burgemeester van Eindhoven zijn teleurgesteld. Ook de media overstelpen ons met nostalgische afkeuring. En woordvoerders van progressief Nederland zoals de vakbonden en de fractievoorzitter van de Partij van de Arbeid in de Tweede Kamer Jacques Wallage verklaren zich ronduit tegen. Een diep gewortelde behoudzucht lijkt te wensen dat de gloeilampenfabriek in het Zuiden des lands ter wille van onze jeugdherinneringen niet mag veranderen, desnoods totdat het licht definitief uitgaat. Zelf ben ik geboren in Eindhoven aan de Bosdijk, recht tegenover het huidige hoofdkantoor van Philips, en heb ik wellicht nog enig recht op nostalgische sentimenten. Maar alles wat ik sindsdien heb geleerd over economie en management zegt me dat het vertrek van het top management van Philips uit Eindhoven de enige kans biedt op de verdere ontwikkeling van de onderneming als mededinger op de huidige wereldmarkten, en dus de enige kans op overleven.

Philips is altijd een merkwaardig tweeslachtige onderneming geweest. Dat is al zo sinds aan de wieg van het bedrijf de ingenieur Gerard Philips zijn commerciële broer Anton uitdaagde meer te verkopen dan hij in zijn fabriek kon maken. Anton daagde op zijn beurt Gerard uit om meer te produceren dan hij kon verkopen. Het gevolg was decennia lang een duale managementstructuur waarin de technische directeuren en de verkoopdirecteuren elkaar in evenwicht hielden en allebei de schrik waren voor de concurrenten. Techniek en commercie waren altijd van zeer hoog gehalte. Het evenwicht tussen deze twee is essentieel. Een populaire opvatting, vooral bij techneuten, wil dat de falende marketing van Philips verantwoordelijk was voor het écheque van topproducten uit de eigen research zoals de V2000, computers, en CD-I. Maar de oorzaak lag eerder bij technologische hoogmoed en ‘technology push’ in een mate die broer Gerard nooit zou hebben toegelaten. De laatste jaren is de Research & Development by Philips scherp gereduceerd en sterker geïntegreerd met het commerciële beleid, zodat het evenwicht weer is hersteld.

Tweeslachtig was ook de positie van Philips als gesloten provinciale familiebedrijf dat niettemin eerder en met meer succes dan de concurrenten een internationaliseringstrategie doorvoerde. Begin jaren negentig leverde dit het merkwaardige beeld op van een onderneming met zulke lage winstcijfers en zulke sterke beschermingsconstructies voor het zittend management, dat de beurswaarde lager was dan het bezit aan onroerend goed. (Voor een gemiddelde op de beursgenoteerde onderneming is deze verhouding 4 : 1.) Maar tegelijk was Philips op het gebied van de consumentenelektronica de enige overgebleven belangrijke niet-Aziatische concurrent. Dekker, Timmer en Boonstra zijn al meer dan tien jaar bezig de geslotenheid te bestrijden.

Wat zal het effekt van de verhuizing van het hoofdkantoor uit Eindhoven zijn op de achtergebleven, verweesde fabrieken? Ik herinner mij een Amerikaans bedrijfskundig onderzoek uit de jaren zeventig waarin de correlatie werd berekend tussen de produktiviteit (en andere prestatie-variabelen) van de fabrieken van General Motors en hun afstand tot het hoofdkantoor bij Detroit. Het wonderbaarlijke resultaat was dat de fabrieken beter presteerden naarmate ze verder aflagen van het hoofdkantoor. Nabijheid en de daaruit resulterend veelvuldige inmenging van top management in de dagelijkse gang van zaken werkt dus negatief. Hoe vaak horen we niet ingenieurs klagen dat ze hun werk beter zouden kunnen doen als de mensen van het hoofdkantoor maar uit de weg bleven? Dit wordt door empirisch onderzoek bevestigd! Bedrijven als Asea Brown Boveri en General Electric zijn voorbeelden van succesvol management van industriële conglomeraten door beperking van de operationele inmenging van het hoofdkantoor. Het vertrek van het hoofdkantoor van Philips uit Eindhoven kan dus de redding betekenen voor de fabrieken. De opening van het hoofdkantoor naar de internationale commerciële en financiële netwerken van Amsterdam kunnen de redding betekenen van het concern.