Frits Prakke

Archive for the ‘Technisch Weekblad’ Category

Het meisje en de trein

In Technisch Weekblad on zaterdag, april 9, 2011 at 10:06

Het is lente. Ik sta te wachten op het perron in Apeldoorn en zie enkele jongens bij elkaar staan. Ze praten niet, maar kijken slungelachtig voorovergebogen op hun mobiel. De mensmachine interface verdringt de echte communicatie, denk ik. Uit een hoek van mijn oog zie ik plotseling een beweging. Een meisje, zo weggelopen uit een column van Martin Bril, baant zich een weg tussen alle mensen. Rugzakje, grote ogen, sproeten en een sjaal in de wind. Ze vliegt af op een van de jongens zoals alleen meisjes dat kunnen, en valt hem om de nek. Ze zoekt zijn ogen maar die blijven gefixeerd op zijn mobieltje. Haar aarzelende knuffel blijft onbeantwoord. De slungel blijft geabsorbeerd in zijn app. Gêne verbiedt mij de zich ontspinnende tragedie aan te staren. Ik wend mijn ogen af maar zie nog net de teleurstelling in haar ogen. De blos op haar wangen vergrijst. Ze pakt haar eigen mobiel. Er klinkt een fluitje en ik haast me. De trein gaat.

Terwijl de trein over de IJssel Deventer nadert vraag ik me af of deze pijnlijke scène niet ook de perfecte allegorische weergave is van ons langlopend debat over technologische innovatie. Het onderwerp van mijn columns. Het ligt in de natuur van de mens ideeën voor vernieuwing te lanceren zoals niets het meisje weerhoudt haar vriend om de nek te vallen. Innovaties ontstaan dagelijks ergens op een tekentafel, in een collegezaal, in een laboratorium, op de werkvloer en soms gewoon in bad. Eureka. Maar onze beste ideeën lopen ook dagelijks stuk op weerstand tegen vernieuwing, desinformatie, gevestigde belangen en gebrek aan fantasie. Echte innovaties zijn even kwetsbaar als de blos op de wangen van dat meisje.

Het is ook nodig valse innovaties te ontmaskeren. Technologie kan soms grote schade aanrichten. Dat vereist een vrij publiek debat. Op deze plek in Technisch Weekblad heb ik daar al bijna een kwart eeuw, in totaal ongeveer 250 columns, over mogen schrijven. Een waar voorrecht. Ruimte voor een vrije Diskurs over innovatie is schaars in Nederland. Door steeds grotere belangen van private en publieke partijen in de uitkomst van het debat, is die ruimte in 25 jaar steeds verder gekrompen. Steeds meer overheersen deskundigen met een financieel of institutioneel belang. Het aantal pr-adviseurs op dit gebied is vele malen groter dan het aantal journalisten of werkelijk onafhankelijke deskundigen. Het debat is dommer geworden. Sinclair Lewis schreef eens dat het moeilijk is iets te begrijpen als je salarisstrookje afhankelijk is van het niet begrijpen.

De redactie van TW heeft nu besloten te verjongen en afscheid van mij te nemen. Dat is jammer. Maar het debat over innovatie is daarmee niet beëindigd. Ik blijf daar aan bijdragen. Maar nu even niet hier.
De trein gaat.

Advertenties

Kernenergie na Fukushima

In Technisch Weekblad on maandag, maart 14, 2011 at 12:35

Ik ben een kind van de alternatieve energiebeweging. Het schrikbeeld van de honderd destijds geplande kerncentrales langs de Rijn, die dan kokend van al dat koelwater bij Lobith ons land binnen zou stromen, wakkerde mijn belangstelling aan voor slimmere en vooral kleinschaliger technologie. Onze angst werd bevestigd door de rampen bij Harrisburg en Tsjernobyl. Onze hoop werd bevestigd door de ontwikkeling van de micro-elektronica als energiezuinige alternatieve drager van de economische ontwikkeling. De menselijke maat en kleinschalig ondernemerschap kregen nieuwe kansen. Sindsdien zijn er in de gehele wereld nauwelijks nieuwe kerncentrales in bedrijf genomen. Vooraanstaande economen zien “Small Knowledge Intensive Enterprises” als drager van het economisch herstel na de kredietcrisis. De atoomramp deze week bij Fukushima lijkt het einde van de kernenergie.

Het is daarom met enige schroom dat ik hier een pleidooi ga houden voor de Nederlandse deelname aan een plan van de Obama regering voor de ontwikkeling en bouw van een nieuwe generatie kernreactoren. (Dit zou mij wel eens een aantal lidmaatschappen kunnen kosten.) Het plan betreft de certificatie en bouw van een serie kleine, goedkope, modulaire kernreactoren. De capaciteit zou 5 % bedragen van conventionele, ongeveer $ 10 miljard kostende kernreactoren, zoals deze nu op de tekentafel liggen. De lagere kosten, vanaf een paar honderd miljoen dollar per stuk, worden mogelijk door de modulaire bouw in series in een moderne fabriek. Vervolgens worden de modules, ter grootte van een container, verscheept naar de gewenste locatie. Het kleinschalige bouwen van series van reactoren maakt toekomstige kostendaling door leereffecten en concurrentie mogelijk. Een van de potentiële producenten is het bedrijf Babcock & Wilson, dat een modulaire reactor aanbiedt onder de naam mPower. Dit is een opschaling van een bewezen ontwerp van een reactor voor nucleaire onderzeeërs. NuScale biedt een ontwerp aan van Oregon State University.

De kern van het idee voor kleinschalige atoomreactoren ligt in het doorbreken van de vicieuze cirkel van toenemende schaalgrootte en de resulterende exponentieel toenemende complexiteit, risico’s en kosten per kilowatt uur. De laatste decennia hebben we een spectaculaire daling gezien in de optimale schaalgrootte en kosten van complexe technologische producties zoals hoogovens, computers, grafische producten en auto’s. Woonwijken en kantoren komen tegenwoordig in onderdelen uit fabrieken, om goedkoop in situ te worden geassembleerd. Al deze principes zouden ook toegepast kunnen worden op kleinschalige kernreactoren. Door af te zien van de grootschalige monsters van 1.000 tot 1.500 megawatt daalt ook de kwetsbaarheid voor onzekere markten. De modulaire reactor van Obama zou op tijd komen om de grote aantallen gelijkgrote, zeer vervuilende, kolencentrales uit de jaren vijftig en zestig te vervangen. De kostbare infrastructuur ligt er dan al.
Concluderend, mijn afkeer van grootschaligheid is groter dan mijn angst voor atoomenergie, zelfs in deze week van Fukushima. En al die lidmaatschappen.

Zoveel innovatie, zoveel misverstanden

In Technisch Weekblad on maandag, februari 14, 2011 at 9:59

Een cultuurhistoricus zal mij misschien corrigeren, maar het lijkt me dat onze tijd uniek is in het omarmen van innovatie als leidend beginsel. Dat is tegelijk verheugend en ietwat beangstigend. In vroegere eeuwen stonden in de samenleving begrippen centraal zoals geloof, eer, beschaving, vrijheid, nijverheid, en gelijkheid. Filosofen spreken van de Zeitgeist. In het taalgebruik van Nrc.next is het de ‘trending topic’, maar dan langduriger. Als leidend beginsel zijn deze begrippen nu minder vanzelfsprekend geworden. Maar innovatie wordt in ons nieuwe millennium algemeen – van studeerkamer tot werkvloer tot politieke arena – als oplossing voor problemen en als doelstelling aanvaard. Innovatie is ‘hot’. Innovatie betekent voor bedrijven overleven. Nederland heeft zelfs een minister van Innovatie.

Als zo velen zich verenigen rond innovatie als leidend beginsel, is het van belang kritisch om te gaan met het begrip. Als Jan en alleman de banier van innovatie kapen om er persoonlijke of groepsbelangen achter te verbergen, dan treedt snel slijtage op. Onlangs is dat verschijnsel opgetreden ten aanzien van het begrip duurzaamheid. Iedereen die iets te verkopen had noemde het duurzaam, met het gevolg dat het begrip zijn geloofwaardigheid (Nrc.next : zijn ‘street cred’) heeft verloren. Echte duurzaamheid is daardoor jaren achterop geraakt.

Het lijkt mij daarom nuttig te kijken naar een drietal misverstanden rond het begrip innovatie. De eerste daarvan is dat innovatie meestal grootschalig is en vooral ontstaat in grote R&D-intensieve ondernemingen. Feit is dat grote ondernemingen een beperkt, en bovendien in de laatste decennia een afnemend aandeel hebben in de totale inspanningen op het gebied van innovatie. Eric von Hippel, naamgever van ‘user-led innovation’, heeft zelfs berekend dat gewone huishoudens en kleine bedrijven meer investeren in innovatieve activiteiten dan alle multinationals samen. Uit historisch onderzoek blijkt ook dat het overgrote deel van radicale innovaties het product zijn van kleine bedrijven.

De tweede misvatting is dat innovaties het product zijn van een enkelvoudige geniale ingeving, het eureka moment. Steven Johnson, schrijver van het boek “Where good ideas come from”, vat zijn bezwaar tegen dit populaire argument mooi als volgt samen: het startpunt van innovaties ligt meestal niet onder een microscoop, maar aan de vergadertafel. Het succes van de individuele ingeving is in hoge mate afhankelijk van de aansluiting van de innovator op een technisch-economisch netwerk, het innovatiesysteem.

Het derde misverstand is dat innovatie nieuwe wetenschappelijke kennis vereist. Onderzoek toont aan dat bijna alle baanbrekende technologische innovaties van de twintigste eeuw terug te voeren zijn op wetenschappelijke doorbraken van tientallen jaren eerder. De wetenschap is van groot belang, en ik zal altijd pleiten voor meer en beter fundamenteel onderzoek. Maar verwacht daar op de korte termijn geen innovaties van. Innovatie is vooral afhankelijk van wat zo mooi heet “the adjacent possible”.

Innovatieteams

In Technisch Weekblad on zondag, januari 16, 2011 at 22:07

Het populaire beeld van de eenzame uitvinder is misleidend. De meest succesvolle uitvindingen zijn het resultaat van teamwerk. Hetzelfde geldt voor wetenschappelijke ontdekkingen, grote IT projecten, startende ondernemingen en een breed scala van vernieuwingsprojecten op allerlei gebieden. Nobelprijzen worden nog zelden aan één persoon toegekend. (Terzijde: zelfs vernieuwings¬bewegingen in de politiek, bij uitstek de arena van persoonlijk leiderschap, zijn doorgaans geen lang leven beschoren als deze gedragen worden door slechts een enkel individu.) Onderzoek van sociaalpsychologen bevestigt in brede lijnen de superioriteit van groepen boven individuen op het gebied van creativiteit en innovatie.

Deze constateringen roepen vervolgens wel de vraag op wat de manieren zijn om een innovatieteam beter te laten functioneren. Het is immers evident dat er ook aanzienlijke kosten en risico’s zijn verbonden aan het werken in een groep. En wie met enige ervaring in teams – laat ik voor mezelf spreken – kan zich, naast positieve ervaringen, niet ook teleurstellingen en zelfs rampen herinneren? De maatschappelijke kosten van mislukte innovatieprojecten zijn immens.

Het begint allemaal bij de samenstelling van een team. Paul Maritz, tegenwoordig CEO van software bedrijf VMware en ooit als jonge ingenieur gestart bij Microsoft, heeft daar onlangs in een interview een aantal behartenswaardige opmerkingen over gemaakt. Een succesvol team, zegt hij, heeft tenminste vier verschillende persoonlijkheden nodig die je zelden of nooit in één mens verenigd ziet. Allereerst moet er de Strateeg zijn, een visionair die de lange termijn doelstellingen in het zicht houdt. Vervolgens moet er een Klassieke Manager zijn, die de taken verdeelt en zorgt dat iedereen zijn eigen taak en targets kent. De derde essentiële persoonlijkheid in het team is de Kampioen voor de Klant. Deze bekijkt het eindproduct door de ogen van de gebruiker en voelt met hem mee. De Kampioen voor de Klant voorkomt dat er een ‘disconnect’ optreedt tussen de werkelijke behoeftes van de markt en het nieuwe product. De geschiedenis van technische innovatie kent talloze voorbeelden van technisch hoogstaande ontwerpen die nooit door de markt zijn geaccepteerd.

De vierde essentiële rol volgens Paul Maritz is die van de Enforcer, zeg maar de knopendoorhakker. Als andere teamleden opnieuw extra functionaliteiten willen toevoegen op weg naar het perfecte ontwerp, wijst dit teamlid op de klok en zegt ‘basta’. Gelijk een technologische gatekeeper heeft hij het gezag om te beslissen wanneer het niet of juist wel tijd is om extern advies in te winnen.

De vier persoonlijkheden van Maritz vertegenwoordigen de verschillende cognitieve stijlen die nodig zijn om een innovatie team beter te laten functioneren dan de individuele genie. In sterke teams weten de leden wat hun rol is en, nog belangrijker, wat hun rol niet is. Dat lijken mij wijze lessen voor iedereen wiens werk het is innovatie teams samen te stellen, te beoordelen, of met eigen inspanning daaraan een bijdrage te leveren.

Eco-feedback technologie

In Technisch Weekblad on maandag, november 8, 2010 at 22:17

Het is één van de misvattingen van onze tijd dat grote problemen grootschalige oplossingen dicteren. Neem ons immense energieverbruik. Dat maakt ons in de aanvoer afhankelijk van onfrisse regimes in verre landen en vergiftigt in het gebruik onze atmosfeer met CO2. Dat is onmiskenbaar een groot probleem. De oplossing wordt gezocht in complexe en miljarden euro’s kostende systemen zoals CO2 opslag onder woonwijken, het voor de burger niet te bevatten rekeningrijden, megalomane windmolenparken op zee en sinds kort zelfs weer de bouw van nieuwe kerncentrales. Hier is een technocratische rationaliteit ontstaan die een wig drijft tussen overheid en burger. Het is ook niet goed voor het publieke vertrouwen in de ingenieurs.

Het blijkt dat er alternatieven zijn die niet minder innovatief zijn, maar wel minder complex en grootschalig. Dat is het werkterrein van het laboratorium voor Persuasive Technology aan de Stanford Universiteit in de VS. Hier wordt gewerkt aan innovaties voor een duurzame samenleving die niet als uitgangspunt het technische systeem hebben, maar de menselijke keuze. Niet de homo economicus maar de homo ludens wordt aangesproken. Eco-terugkoppeling en sociale netwerken zijn daarbij de sleutels. OPOWER is een voorbeeld van een apparaatje dat momenteel al geleverd wordt. Dit berekent voor de consument niet alleen zijn maandelijkse energieverbruik in KW elektriciteit en m3 gas, maar vergelijkt dit ook in mooie grafieken met het gemiddelde verbruik van de naaste buren in de straat. De afrekeningen verschijnen online, op een mobieltje, of op een aantrekkelijke klok voor in de huiskamer. Wie die maand zuinig is geweest verdient daarbij een ☺. Anderhalf miljoen mensen maken al gebruik van dit OPOWER en 60 tot 80 procent daarvan hebben volgens het bedrijf bezuinigd op hun energieverbruik. Hoeveel windmolens op zee zou het kosten om dat resultaat te evenaren?

De hoge kosten van de gezondheidszorg worden bestreden door GlowCaps. Dat is een deksel op een pillenflesje dat gaat oplichten als het tijd is voor de alleenwonende bejaarde om zijn pillen te nemen. Via WiFi wordt het gebruik vervolgens gemeld aan de thuiszorg of de familie. Ook zijn er weegschalen ontworpen die via WiFi de dagelijkse uitslagen melden aan de vriendinnenclub. Niet voor iedereen misschien. Maar altijd op basis van de eigen keuze.

Nieuw in de VS is een scherm op het dashboard dat continue het verbruik per km berekent en vertoont. Dat doet mijn Franse auto al jaren. Als ik gas geef schiet het verbruik per 100 km omhoog van 7 naar 15 liter. Dat is altijd aanleiding tot een levendige discussie met mijn sociale netwerk op de achterbank. In de Amerikaanse versie van deze eco-terugkoppeling wordt op het dashboard een groene plant vertoond die afhankelijk van de rijstijl opbloeit of ineen schrompelt.

Innovatie in tijden van bezuiniging

In Technisch Weekblad on zondag, oktober 10, 2010 at 22:00

Het is gebruikelijk in Nederland dat iedere nieuw aantredende regering zijn eigen innovatiebanier hijst. Na acht jaren Innovatieplatform onder de kabinetten Balkenende zal nu Rutte met zijn innovatiebeleid moeten komen, geheel vernieuwd en vol beloftes voor de toekomst. Dat is deels symbolische politiek. Een nieuwe regering moet hoop op verandering bieden. Naarmate het werkelijke politieke draagvlak geringer is gaan de beloftes een grotere rol spelen. Niet voor niets krijgen we nu zelfs Innovatie in de naamgeving van een nieuw, versterkt ministerie: Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.

Maar deels is vernieuwing van het innovatiebeleid ook een reële kans om te leren van het verleden, oud beleid te evalueren en nieuwe wegen in te slaan. Het is niet voldoende om vast te stellen dat het vorige beleid, het Innovatieplatform, symbool is geworden voor een krachteloze premier van een verdeeld kabinet, die het presteerde om zelfs de ontwikkeling van een toekomstvisie uit te besteden. Jan Peter, waar was je? Nee, het ministerie zou eerst een fundamentele evaluatie moeten uitvoeren van de sterktes en zwaktes van het oude innovatiebeleid.

Bij gebrek aan een goede evaluatie geef ik de mijne. Het Innovatieplatform is ten onder gegaan aan het polderen. Innovatieprocessen, die per definitie onderhevig zijn aan grote risico’s, zijn onder Balkenende onderworpen aan een bestuurlijk proces van risicomijdend verdeel-en-heers. Het positieve is dat er veel is geïnvesteerd in deugdelijk onderzoek. De input is redelijk verdeeld. Het negatieve is dat deze subsidies voor breed gedefinieerde sleuteltechnologieën nauwelijks tot innovatieve doorbraken, tot output, hebben geleid. Wie op input stuurt kan niet verwachten op output te slagen.

Voordat Rutte zijn eigen innovatiebanier hijst zou het ook goed zijn nog eens met een kritisch oog naar de ervaringen van anderen landen te kijken. Robert Atkinson, van de Information Technology & Innovation Foundation in de VS, heeft in september een voortreffelijk overzicht geproduceerd. Op basis van empirisch onderzoek naar de kansrijkheid van innovaties over de jaren pleit Atkinson voor de vraagarticulatie als aangrijpingspunt van innovatiebeleid in plaats van subsidies voor R&D. Daadkrachtig innovatiebeleid vraagt daarom eerder om het aanpakken van barrières voor innovatie dan directe investeringen. Studies naar de barrières voor innovatie werden in Nederland al gedaan in de vorige eeuw, maar zijn sindsdien ten onrechte in de vergetelheid geraakt.

Om de vraagarticulatie te bevorderen noemt Atkinson maatregelen zoals het aanhaken bij het aankoopbeleid van de overheid, vernieuwde milieu en handelsregulering gericht op het belonen van innovatie, het hanteren van functionele in plaats van technische specificaties, deregulering waar deze innovatie belemmert, het stimuleren van open innovatie in nieuwe IT voor overheidsdiensten en het wegnemen van barrières voor hooggeschoolde migranten. Al deze maatregelen grijpen aan bij de vraagarticulatie in plaats van subsidiering. Niet nieuwe investeringen maar een visie op innovatie staat centraal. In tijden van bezuiniging moet dat een banier zijn dat de nieuwe regering aanspreekt.

Bijna 30, bijna volwassen

In Technisch Weekblad on dinsdag, augustus 24, 2010 at 22:01

Psychologen hebben een nieuwe levensfase ontdekt, emerging adulthood, de bijna volwassenen. Waren we vroeger volwassen met 18 jaar, althans gerechtigd om bij verkiezingen het actief en passief kiesrecht uit te oefenen en ’s-lands wapenen te dragen, tegenwoordig worden veel mijlpalen van volwassenheid pas na de dertigste verjaardag gepasseerd. Denk aan de mijlpalen van voltooide scholing, het ouderlijk huis verlaten, financiële onafhankelijkheid, partnerkeuze en eigen kinderen.

Het uitstel van deze mijlpalen heeft belangrijke consequenties voor organisaties zoals het hoger onderwijs, uitzendbureaus, werkgevers, verzekeraars en sociale diensten. In 1960 had 77 procent van de vrouwen en 65 procent van de mannen al deze sociologische mijlpalen bereikt op hun dertigste jaar. In het jaar 2000 gold dit voor minder dan de helft van de vrouwen en voor slechts een derde van de mannen (US Censusbureau). Volgens Canadese gegevens waren 30-jarigen in 2001 even ver gevorderd als 25-jarigen in 1970. Een derde van de twintigers verhuist gemiddeld één keer per jaar. Zeven keer een nieuwe baan in tien jaar is het groepsgemiddelde. Anekdotisch kennen we allemaal de verhalen van twintigers die na studie, verbroken relaties en buitenlandse reizen weer bij hun ouders willen komen wonen.

Hersenonderzoekers gingen er vroeger vanuit dat de hersenen zich na de puberteit niet verder ontwikkelden. Uit recent longitudinaal neurologisch onderzoek onder 5000 kinderen blijkt dat niet houdbaar te zijn. Tot zeker de leeftijd van 25 jaar en wellicht nog later blijven de hersenen veranderen en zich aanpassen aan nieuwe taken. Dat is met name op gebieden van emotionele beheersing en wat genoemd wordt hogere cognitieve functies. Dit heeft gevolgen voor het nemen van risico’s en het aangaan van stabiele relaties door jongeren ver voorbij de leeftijd van 18 jaar. Hersenonderzoek kan zo bijdragen aan een verklaring voor de droevige statistieken op het gebied van jongeren in het verkeer en vroege huwelijken.

J.J. Arnett, hoogleraar psychologie aan de Clark University, wijst op de bijzondere psychologische kenmerken in de fase van emerging adulthood, zoals het (quasi puberaal) zoeken naar de eigen identiteit, zelffocus, instabiliteit, ambivalentie, bindingsangst en extreem optimisme (a sense of possibilities). Respondenten in zijn onderzoek zijn ongeacht sociaal-economische afkomst optimistisch over hun eigen toekomst. Een volle 96 procent is “geheel zeker dat ze ooit zullen bereiken wat ze willen in het leven”.

De 28-jarige zoon of dochter die met volle koffers aan je deur verschijnt om de oude kamer weer op te eisen doet dat met een blij gemoed. Wees gerust, de schuld ligt niet bij vroegere fouten in de opvoeding. Ook is het niet echt de schuld van de moderne maatschappij of van de regering. Het is gewoon een fase in de psychologische ontwikkeling van het kind. Als het kind eenmaal dertig is komt alles goed.

Een historische week

In Technisch Weekblad on maandag, augustus 16, 2010 at 21:58

Of wij het nieuws eerst hoorde op de camping of terug van vakantie weer op ons werk, later kunnen wij onze kleinkinderen vertellen dat wij erbij waren toen deze week bekend werd gemaakt dat China in een verbazingwekkende groeispurt Japan had gepasseerd als de tweede economie ter wereld. Wij zijn deze week getuigen geweest van een historische mijlpaal. Nadat in voorafgaande jaren reeds Duitsland, Frankrijk en Engeland waren ingehaald, kwam dit toch als een verrassing. Toen ik vijf jaar geleden op deze plek laatst over China schreef was het bruto nationaal product van China nog slechts de helft van dat van Japan. China’s groeipercentage ligt structureel boven de tien procent per jaar tegenover ongeveer één procent in Europa, en lager in Japan. You do the math.

Minder dan wij wilden geloven is de ineenstorting van het sovjet imperium in 1989 niet de overwinning geworden van laisser-faire ondernemingsgewijze productie of van het westerse liberale politieke model. China is nog steeds een autoritaire staat. Maar het land is erin geslaagd productieve krachten te ontketenen op een manier die noch Karl Marx noch Milton Friedman had kunnen vermoeden. De arbeidsmarkt en de woningmarkt zijn bevrijd van de voorheen draconische restricties. Corruptie blijft een probleem, maar vele privileges zijn afgeschaft. Door onderwijs en urbanisatie hebben honderden miljoenen chinezen van deze nieuwe vrijheden gebruik gemaakt door van laagproductieve naar hoogproductieve banen te gaan. Dit is in economische zin arbeidsmigratie en in culturele zin een reis van de middeleeuwen naar de moderne tijd. Op geen enkele wijze is de Chinese economische ontwikkeling een kopiëren van het westerse economische model. Maar het bevrijden, de flexibilisering, van de arbeidsmarkt en de woningmarkt zijn wel wezenlijke algemene grondslagen van economische ontwikkeling. In een geheel andere politieke context zijn dat ook de grondslagen van het recente economische succes van India.

Vergeleken met de positieve ontwikkelingen in China en India zijn de conjuncturele perikelen in Europa en Noord Amerika, onze “Grote Recessie”, een marginaal verschijnsel. Maar toch. We moeten onze belangrijkste problemen onder ogen zien. De financiële markten hebben gefaald en de nodige hervormingen laten op zich wachten. In Nederland is er sprake van verstarring op de arbeidsmarkt en de woningmarkt. Een deflationaire ontwikkeling zoals in het verstarde en vergrijzende Japan is de grootste reële dreiging. VVD, PVV en CDA, de partijen in de coalitiebesprekingen die in deze historische week plaatsvinden, lijken er voor te kiezen deze problemen te negeren. Volgens de weinige berichten in de pers wordt hard gewerkt aan bezuinigingen uit vrees voor inflatie, die wel ideologisch, maar nauwelijks statistisch waarneembaar is. De bonussen? Hervormingen van de verstarde arbeidsmarkt (tijdige aanpassing pensioenleeftijd) en woningmarkt (hypotheek- en huursubsidies) zijn taboe verklaard. Moeten we binnenkort bij de Chinezen te rade gaan?

Technologische infrastructuur: de innovatie van de eeuw

In Technisch Weekblad on woensdag, juni 23, 2010 at 22:42

(oftewel het verband tussen het WK voetbal en kindersterfte in Azie)

Het WK voetbal in Zuid-Afrika brengt de globalisering bij je thuis. Terwijl Nederland aan het binnenvetten is in cultureel en politiek opzicht, brengt de televisie iedere dag beelden van een mondiaal theater van de eerste orde. Nigeria tegen Zuid-Korea. Argentinië tegen Griekenland. Bafana, bafana! Honderden miljoenen mensen op vijf continenten kijken naar dezelfde beelden en ondergaan samen de emoties van sportieve winst en verlies. Per telefoon deelde ik vanavond op 6000 km afstand met een vriend de spanning van een wedstrijd en de vreugde over een goal. Het WK doet meer voor ons mondiaal besef, dan de Verenigde Naties en alle ontwikkelingssamenwerking.

Doorgaans wordt ons beeld van het buitenland vernauwd door pessimisme (vooral politiek links) en xenofobie (vooral politiek rechts). Het is de koloniale erfenis, vermoed ik, die onze blik vertroebelt. Wie zien alleen maar òf terroristen òf bedelaars. Maar globalisering betekent ook dat op de meest onverwachte plekken in de wereld mensen werken aan wonderbaarlijke nieuwe ontwikkelingen.

Tot mijn verbazing lees ik dat dit jaar in New Delhi een nieuwe Metro, lengte 200 km, is voltooid die tot de modernste van de wereld behoort. In het smerigste en meest chaotische land dat ik ken is het gelukt een ondergrondse aan te leggen die extreem schoon is, die op tijd rijdt, en met ritkosten tussen 15 en 50 eurocent niettemin winstgevend is. Mèt airco en aansluitingen voor laptops. In een land berucht om bureaucratie en corruptie lijkt de Delhi Metro Rail Corporation daar vrij van te zijn. De Metro is op tijd en binnen het budget van vijf miljard euro voltooid. Laat Amsterdam dat niet horen! Zo er technische bijdragen zijn geweest van westerse ingenieursbureaus, dan is de gehele aanpak toch uitgesproken Indisch. Van ontwikkelingshulp of buitenlandse investeringen lijkt geen sprake. Zou het een regel zijn dat arme landen alleen met succes kunnen globaliseren als ze niet economisch steunen op westerse leningen, op export van olie, of op narcotica?

De Metro is een voorbeeld van de ontwikkeling in India van een eigen technologische infrastructuur. Dat is de motor achter de globalisering. En eigenlijk de belangrijkste innovatie van de eeuw. Technieksociologen noemen dit een National System of Innovation. Dat zijn samenwerkende kennisinstellingen, producenten, banken, en geavanceerde gebruikers. Maar het gaat niet om de uitvinding of de enkele innovatie.

Het gaat om het systeem van inteerconnecties, de infrastructuur. Een ander, even spectaculair voorbeeld van deze uitvinding van de eeuw, de technologische infrastructuur, is de gezondheidzorg in Azië, waardoor voor miljarden mensen de levensverwachting en het kindertal per gezin binnen twee generaties op ongeveer het Europese niveau is gekomen. Technologische infrastructuur is ook het ingenieursonderwijs in China en India, dat in aantallen en in kwaliteit in 30 jaar Europa en de VS heeft ingehaald. Dat zijn lokale prestaties die zonder de interconnecties van globalisering onmogelijk zouden zijn geweest. We gaan met steeds meer mensen naar het WK voetbal kijken.

Meer regie en minder bureaucratie

In Technisch Weekblad on zondag, mei 23, 2010 at 22:40

In het kader van de influistering van de nieuwe regeringscoalitie na de verkiezingen in juni heeft de Adviesraad Wetenschap en Technologie in een briefadvies aan de Tweede Kamer een oordeel geveld over innovatie en hoger onderwijs in Nederland. “De nieuwe minister moet schoon schip maken in onderzoek en innovatie”. Na de gebruikelijke roep om hogere investeringen in R&D volgt een dringend pleidooi voor meer regie en minder bureaucratie. Komend van het centrale ambtelijk adviesorgaan voor wetenschap en technologie in Nederland vind ik dat nogal onthutsend. En verfrissend.

Evenzeer onthutsend en verfrissend is het oordeel van de Rebecca Hamer en Erik Jan van Rossum op basis van hun promotieonderzoek aan de TU Twente, dat het hoger onderwijs geen echte academici meer aflevert. Studenten leren in het hoger onderwijs veel, maar uiteindelijk wordt alleen gekeken of ze de geleverde kennis kunnen reproduceren of toepassen. Willen studenten innovatieve, creatieve denkers worden, dan moet het onderwijs veranderen.
De bureaucratie heeft bovenmatig greep gekregen op de kern van het hoger onderwijs. Dat lijkt me de erfenis van 150 jaar staatsuniversiteiten in Europa, ooit geïnspireerd door de Pruis von Humboldt. De recentere schaalvergroting en rationalisering in het hoger onderwijs, hoe noodzakelijk ook, heeft de bureaucratische cultuur tot nieuwe hoogtes gevoerd. Het gevolg is een ernstig tekort aan creativiteit, durf en kritisch vermogen. Een hoog gewaardeerde collega klaagde vorige week in een vergadering dat studenten nergens in het curriculum nog leerden om zelfstandig kritisch te denken. Zijn suggestie om daarvoor een cursus te ontwikkelen trilt nog na op mijn trommelvlies.

Een nieuwe regering betekent dat de nieuwe minister van OCW, aangemoedigd door het AWT advies, misschien wel draagvlak kan vinden voor enkele radicale structuur-veranderingen. De tijd lijkt rijp. Bijna alle politieke partijen pleiten voor minder ambtenaren en meer innovatie. De minister moet zijn regie gaan uitoefenen niet als subsidiegever, maar als marktmeester. Dat betekent sturing op output in plaats van sturing op input. Iedereen in het huis van onderwijs en onderzoek kan dan meer zelfstandig en meer resultaatgericht werken. Dat geldt voor toponderzoekers, maar ook voor nederige projectleiders, postdocs, en docenten. Het geldt zeker ook voor studenten. Het debat basisbeurs versus leenbeurs is daarbij nauwelijks relevant. Het zou er om moeten gaan dat voor iedere student het behoud van de beurs en toegang tot de volgende trede in het hoger onderwijs afhankelijk worden gesteld van behaalde prestaties. De minister moet als marktmeester zorg dragen voor de hoognodige transparantie, kwaliteitscontrole, en voor de fairness van het gehele systeem. Dat is radicale cultuurverandering en een directe aanval op de heersende bureaucratisering.
Ook zou het mooi zijn als de nieuwe regering nog wat extra middelen voor de financiering van innovatie en onderwijs kon vinden op de begroting van de komende vier jaar.