Frits Prakke

Posts Tagged ‘ondernemerschap’

De ondernemer is dyslectisch

In Technisch Weekblad on zondag, januari 20, 2008 at 18:56

Wat onderscheidt een ondernemer? In de techniek is hij de innovator, de man met de X-factor, die met zijn uitvinding markten verovert. Voor het Nederlandse Innovatieplatform is de ondernemer de drager van de kenniseconomie, degene die ons land een hoge plaats moet bezorgen op de internationale ranglijsten van concurrentiekracht. Sociologen weten dat ondernemers vaker dan gemiddeld buitenstaanders zijn, bijvoorbeeld migranten. Maar ze vormen geen sociologische categorie. Voor de economen is de ondernemer de man met animal spirits, de belangrijkste verklarende factor voor economische groei. En voor de feministen is de ondernemer een zij.

Maar tot op heden is er weinig overtuigend wetenschappelijk onderzoek naar de aard van de ondernemer en hoe deze valt te stimuleren. We weten vrij goed hoe je een professor in de Natuurkunde of een concertpianist selecteert en opleidt, maar niet een ondernemer. Julie Logan, professor in Ondernemerschap aan de Cass Business School in Londen, heeft daar nu verandering in gebracht. Zij onderzocht een steekproef van 139 succesvolle bedrijfseigenaren en ontdekte dat 35 procent duidelijk dyslectisch was, tegen tien procent van de rest van de bevolking. Dat is opmerkelijk omdat dyslexie een forse handicap betekent voor een succesvolle schoolcarrière. Het resultaat is vaak een gebrek aan diploma’s en mogelijk forse schade aan het zelfvertrouwen. Dat bemoeilijkt iedere loopbaan. Ter vergelijking: van succesvolle managers in grote bedrijven lijdt slechts één procent aan dyslexie.

Volgens Julie Logan ontwikkelen dyslectici, ter compensatie van hun gebrekkige schrijf- en organisatievaardigheden, alternatieve cognitieve strategieën. Deze zijn juist van belang voor het functioneren als ondernemer. De dyslectische ondernemers in de steekproef beschikten over uitzonderlijke vaardigheden op het gebied van mondelinge communicatie, het omgaan met complexe problemen, delegatie van verantwoordelijkheden, en mensenkennis. Van kinds af aan zijn dyslectici afhankelijk geweest van anderen voor belangrijke taken en zij hebben geleerd wie wel en wie niet te vertrouwen. Ter compensatie van de taalachterstand zijn de beeldende cognitieve functies extra ontwikkeld. Amerikanen zeggen dat iemand minsten twee keer failliet moet zijn gegaan om een goede ondernemer te worden. Welnu, de dyslecticus heeft vaak ettelijke “faillissementen” doorstaan alvorens de school te verlaten. Ze zijn niet alleen uitgerust met alternatieve cognitieve strategieën, maar ook met een flinke dosis volharding.

Het is logisch dat de dyslectische ondernemerstalenten bij de keuze van een loopbaan de voorkeur geven aan het MKB boven de traditionele of ambtelijke organisaties. De ontwikkeling van de Nieuwe Economie gebaseerd op de complexe en steeds meer visueel georiënteerde Informatie en Communicatie Technologie heeft de laatste jaren veel nieuwe kansen geboden.
De vraag is of het Nederlandse onderwijssysteem, ondanks alle vernieuwingen, voor dit soort talenten voldoende alternatieve routes biedt. Wees in ieder geval een goede ouder als jouw brugklasser thuiskomt met een drie voor taal op zijn kerstrapport.

Advertenties

Boer pas op je kippen

In Technisch Weekblad on maandag, juni 7, 2004 at 20:37

Als bedrijfsadviseurs innovatie gaan prediken is er alle reden om extra behoedzaam te zijn. Deze week kwam er weer zo’n persbericht uit van een gerenommeerd adviesbureau – dat om fair te blijven hier maar even naamloos moet blijven – met een eigen onderzoek over succes en falen bij innovatieprojecten van Nederlandse bedrijven. Ik zie het voor me. Gert, Henk-Jan en Max zitten deze week toch op de beach. Laat ze maar onze kaartenbak induiken om bedrijven te bellen over hun innovatieprojecten. Dat levert op zijn minst een persbericht op met onze naam, en wellicht een aantal interessante leads bij potentiële cliënten.
Dit soort onderzoek zegt meer over de toevallige samenstelling van de kaartenbak van het adviesbureau dan over innovatie. In casu bleken 63 procent van de innovatieprojecten zich te richten op verbetering van de kwaliteit van de bestaande dienstverlening. Tweederde van de bedrijven schakelen externe adviseurs in, vooral bedrijfsadviseurs en softwarebureaus. Slechts een kwart van “alle” innovatieprojecten in Nederland is succesvol. Zouden dat dezelfde bedrijven zijn die geen adviseurs in huis hebben gehaald, denk ik dan. Maar dit soort nadere analyses ontbreken jammer genoeg. De oorzaak van falen van innovatie bij de onderzochte bedrijven is “vaak” een gebrek aan visie en strategie en draagvlak onder de medewerkers. Tja, maar welk bureau zou nu toevallig adviesinstrumenten aanbieden om dat soort kwaliteiten in een bedrijf te helpen ontwikkelen?

Echt ernstig is dat de suggestie wordt gewekt dat succesvolle innovatieprojecten het resultaat zijn van het inschakelen van externe bedrijfsadviseurs op het gebied van visie, strategie en draagvlak. Innovatie vergt veel meer. Het is wel waar dat bij technische ontwikkelingsprojecten, volgens baanbrekend onderzoek bij NASA over vele jaren, technisch succes afhankelijk is gebleken van de bereidheid van het projectteam om extern technische adviezen in te winnen. Goede ingenieurs zijn nu eenmaal ook beter op de hoogte van welke collega’s meer weten dan zijzelf. Maar innovatie inclusief succesvolle implementatie, die meer is dan succesvolle technische ontwikkeling en die uitstijgt boven diffusie van reeds bewezen technische vernieuwingen, is minder afhankelijk van kennis en meer van ondernemerschap.
Echte innovatie in een bedrijf is gebaseerd op ondernemerschap. Ondernemerschap is niet op projectbasis te koop bij adviesbureaus. Het heeft te maken met risico’s nemen en het aanvaarden van mislukkingen om in tweede, derde of desnoods vierde instantie toch boven te komen drijven. Dat valt niet te leren van een adviseur, maar moet vastgelegd worden in de genen van een bedrijf. Bedrijven moeten bereid en instaat zijn de voorwaarden te scheppen voor hun ingenieurs om te kunnen falen. Vooral voor bedrijven met gevestigde markten is dat moeilijk. Nederlandse en Europese ondernemingen en ingenieurs lijken er meer moeite mee te hebben dan Amerikaanse. Maar het is de enige weg naar succesvolle innovatie.

Informatica onderwijs en de business

In Technisch Weekblad on dinsdag, oktober 15, 2002 at 20:29

Wat is de kwaliteit van de Nederlandse informatica ingenieur? Het harde antwoord dat ik ooit in 1994 kreeg van de technisch directeur van een vooraanstaande computerfabriek was: “HBO-informatici zijn theoretisch zeer goed onderlegd, maar minder geschikt voor functies waar het aankomt op de ontwikkeling van nieuwe producten of waarin contact met de klant van belang is. Voor die business functies kiezen wij bijna altijd Amerikaanse of Ierse ingenieurs, in ieder geval geen Nederlandse. Informatici afgestudeerd aan de Nederlandse technische universiteiten komen voor ons helemaal niet in aanmerking. Die zijn door hun studie alleen nog maar geïnteresseerd in theoretische problemen.” Dat antwoord kwam pijnlijk overeen met mijn eigen waarneming tijdens een eerdere visitatie van informatica faculteiten: te geïsoleerd, te weinig interesse voor nieuwe markten en voor sociale vaardigheden.

In september 2002 heeft een visitatiecommissie van universitaire opleidingen informatica onder voorzitterschap van de Duitse informatica hoogleraar Gregor Engels zijn conclusies gepresenteerd. Ik lees daarin dat deze opleidingen, ondanks de hoge studentenaantallen en gebrek aan geld en personeel, redelijk tot goed presteren.

Daarna wordt het interessanter. De commissie stelt vast dat door de inbedding van de meeste informatica opleidingen in traditionele brede bètafaculteiten met wiskunde, scheikunde, biologie en natuurkunde, lijdend aan dalende aantallen studenten, de toegenomen financiële ruimte voor onderzoek ten gevolge van meer studenten informatica niet ten goede is gekomen aan informatica onderzoek, maar is weggevloeid naar traditionele bèta onderzoekprogramma’s. Uitzonderingen zijn de universiteiten waar informatica een relatief autonome positie is gegund, de Universiteit Twente en de Technische Universiteit Eindhoven. Daar worden tevens de hoogste visitatie scores gehaald. Traditie blijkt soms een last.

Ook stelt de commissie Engels dat door de aanzienlijke porties wiskunde de studierendementen laag zijn en dat er beter moet worden ingespeeld op marktontwikkelingen. Jammer genoeg legt Engels niet de link met de erbarmelijke staat van de IT sector in Nederland. Er lijkt weinig veranderd te zijn sinds mijn gesprek met de computerfabrikant in 1994.

Grote Nederlandse automatiseringsbedrijven hadden altijd al de reputatie van weinig innovatieve body shoppers, veredelde uitzendbureaus. Ondanks pogingen een imago van high tech en oplossinggerichtheid te projecteren werden ze in feite rijk van risicoloze arbeidsbemiddeling. Na meegelift te zijn op de ballon van Nieuwe Economie van 1998 – 2000 zijn ze nu door de mand gevallen. Hun beursnoteringen zijn gereduceerd tot procenten van wat ze ooit waren. Ze concurreren slechts nog in het afstoten van medewerkers. Het gebrek aan productinnovatie en ondernemerschap, kortom aan business vaardigheden, dat het kenmerk was van de Nederlandse informatica opleidingen, blijkt nu in de neergaande conjunctuur ook het grote manco te zijn van de gehele IT bedrijfstak.

Is dit een vruchteloos kip en ei probleem? Zijn de informatica opleidingen niet op innovatie en op de markt gericht omdat de IT bedrijfstak daar niet om vraagt? Of leidt de bedrijfstak aan een gebrek aan zelfscheppend vermogen en ondernemerschap omdat deze vaardigheden en attitudes niet aan bod komen in het onderwijs? Deze vraag zou het uitgangspunt kunnen zijn van een volgende visitatiecommissie, maar dan een voor zowel de ondernemingen als de opleidingen in de IT sector.