Frits Prakke

Archive for maart, 2003|Monthly archive page

De noodzaak van creatieve destructie

In Technisch Weekblad on zondag, maart 30, 2003 at 21:01

Vandaag heb ik een prima scanner, nog maar vier jaar oud, bijgezet op het kerkhof van oude computer rommel op mijn vliering. Bij het kringloopcentrum halen ze er hun neus voor op, evenals voor die oude Commodore, de naaldprinter en de monitor, die nooit gefaald heeft zijn oranje teksten te tonen. Ik heb een ruime vliering en een klein hartje voor apparaten die mij technisch nooit in de steek hebben gelaten. Die scanner heeft het altijd gedaan tot ik hem opnieuw moest installeren en de daarvoor benodigde software zelfs in verste verten van het Internet niet te vinden was. Adieu. De nieuwe scanner, met twee keer zo veel functies en voor de halve prijs, heeft zijn plaats ingenomen. Het kerkhof op mijn vliering is een eerbetoon aan de slachtoffers van creatieve destructie.

Niet iedereen heeft die luxe. Actueel zijn de problemen die het Pentagon heeft met de vervanging van componenten in verouderde wapensystemen. De meeste bevatten componenten of software ouder dan de leeftijd van de soldaten die ze moeten bedienen. De oorspronkelijke leveranciers bestaan niet meer of zijn al lang overgeschakeld op nieuwe producten. Het gaat niet alleen om de vijftig jaar oude B-52 bommenwerpers. Zelfs een geheel nieuw gevechtsvliegtuig zoals de F/A-22 Raptor, waarvan het eerste exemplaar dit jaar is geleverd, heeft een elektronisch systeem dat ontworpen is met processoren van tien jaar geleden. Dat is het gevolg van de lange ontwikkelingstijd. Om de verouderde chips in de Raptor nu nog te vervangen zou een miljard dollar kosten. In plaats daarvan voert het Pentagon een beleid van obsolescence management, het verzekeren tegen zeer hoge kosten van alternatieve leveranciers van de vele benodigde verouderde componenten. Dat is de prijs van een gebrek aan creatieve destructie.
In de civiele sector doet zich hetzelfde probleem voor in bedrijfstakken zoals de spoorwegen, telecommunicatie en kernenergie. De Components Obsolescence Group heeft al 160 ondernemingen als lid. Miljarden worden uitgegeven aan het in stand houden van verouderde, weinig efficiënte producties.

De lange levensduur van sommige complexe technische systemen vormt een fundamentele belemmering van innovatie. Neem de spoorwegen. Met afschrijvingstermijnen van meer dan een kwart eeuw, verliezen zij het alleen al daardoor van auto’s en autowegen. Een autofabrikant trekt profijt van de concurrentie tussen tientallen toeleveranciers. Maar de NS is afhankelijk van elektromechanische apparatuur waarvan het ontwerp stamt uit de negentiende eeuw en waarvoor weinig of geen concurrerende aanbieders meer bestaan.
Die afhankelijkheid is echter ook het gevolg van een strategische keuze. De te betalen prijs is niet alleen de hoge kosten van componenten, maar ook gebrek aan innovatie. Lange afschrijvingstermijnen van oude technologie blokkeren innovatie. Zonder creatieve destructie geen innovatie. De spoorwegen zouden moeten leren van de mobiele telefonie.
Met de huidige stand van de technologie zou het bijvoorbeeld mogelijk zijn om het complexe elektromechanische systeem van de spoorwegen radicaal te vervangen door lichtere, flexibeler en elektronisch gestuurde modulaire transporteenheden. Vooral door een veel kortere afschrijvingstermijn zouden deze de technologische achterstand op de automobiel op termijn moeten kunnen inhalen. Ook op het gebied van openbaar vervoer vereist technische innovatie een bewust beleid van creatieve destructie. De spoorwegen hebben niet de luxe van een ruime vliering.

Advertenties

Fusie Microsoft en Yahoo mislukt door Allochtech

In Technisch Weekblad on donderdag, maart 20, 2003 at 23:54

Ingenieurs laten zich graag voorstaan op hun neutraliteit, en vaak is daar ook reden voor. Maar net als mensen brengen technologieën een afkomst en een geschiedenis met zich mee waar ze moeilijk van te scheiden zijn. Technology travels on the hoof, zeggen ze in Texas. Daarom heeft iedere afzonderlijke technologie impliciet zijn eigen cognitieve en zelfs emotionele kwaliteiten. Deze worden ontwikkeld in het onderwijs, door specialisatie in kennisinstellingen, en in bedrijfsculturen. Ontwikkeld en bevroren, zonder dat we ons daarvan bewust zijn. Allochtech veroorzaakt in de industrie evenzeer integratieproblemen als allochtoon in de samenleving.

Microsoft staat op het punt Internet pionier Yahoo over te nemen. Financieel is dat voor het rijke Microsoft geen probleem. Yahoo is niet langer de lieveling van de aandelenbeurs en dus goed betaalbaar. Cultureel zijn er verschillen. Yahoo is van een jongere generatie. Op de campus van het bedrijf in Silicon Valley worden rock concerten gegeven. De jonge miljonairs leven zich uit in studentikoze Ultimate Frisbee toernooien. Maar tenslotte zijn de twee bedrijven beide uitgegroeide bureaucratieën met een vergelijkbare meritocratische inslag. Echter, de grootste bedreiging voor het slagen van een fusie is allochtech.

Voor een succesvolle fusie tussen Microsoft en Yahoo moeten twee zeer complexe en geheel verschillende software systemen worden geïntegreerd. De data centers van Microsoft – essentieel in de concurrentieslag met Google – draaien op proprietary software, die incompatibel is met de open source programmas en applicaties van Yahoo. Het probleem ligt niet alleen in de techniek, maar ook in de bedrijfsfilosofie. Microsoft is altijd een principieel tegenstander van open source software geweest, terwijl Yahoo zijn snelle groei juist daar aan te danken heeft gehad. Microsoft heeft altijd hard gewerkt om met bedrijfstakorganisaties en partners collectief protocollen en standaarden te ontwikkelen – al of niet om die vervolgens in eigen belang uit te buiten. Yahoo heeft zich daar altijd aan onttrokken om flexibeler te kunnen optreden. Door de verschillen in de geschiedenis van de twee bedrijven, inclusief de cognitieve en emotionele bagage, lijkt integratie nagenoeg uitgesloten. Het naast elkaar laten bestaan van de softwaresystemen betekent volgens deskundigen het afzien van minsten 1$ miljard aan kostenbesparing op de korte termijn en een veel groter verlies aan synergie in de toekomst. Dat zijn de kosten van allochtech.

Allochtech is ook vaak de oorzaak van het mislukken van technologische samenwerking in Europa. Het Duits-Nederlandse project Dasa-Fokker werd een fiasco. De Duits-Franse samenwerking om met Quaero een concurrent voor Google te ontwikkelen is in 2007 na twee jaar vastgelopen op een verschil in visie. De Fransen ingenieurs kozen voor een ambitieus ontwerp. De Duitse kozen voor degelijkheid. Beide landen gaan nu alleen verder. Een gezamenlijke ontwikkeling van Vitale, identificatiekaarten in de gezondheidszorg, is gestrand op de verschillen tussen Frans centralisme en Duits federalisme. Allochtech valt slechts te overwinnen als ingenieurs zich bewust zijn dat ze niet zo neutraal kunnen zijn als ze zouden willen.

Bewondering

In Technisch Weekblad on maandag, maart 3, 2003 at 20:57

Wat gaat er eigenlijk nog goed in de wereld? Ook al gaat dat direct in tegen een aantal van onze diepste intellectuele instincten, soms is het goed daar even bij stil te staan. Wie bewonderen we nog? Dan bedoel ik niet het platte lijstje van FORBES met miljardairs of van QUOTE met de 500 rijkste individuen van Nederland en hoe ze wonen. Het gaat me om een langdurige bijdrage aan de economische, sociale en technische ontwikkeling. In de moderne samenleving spelen grote ondernemingen daarbij een centrale rol. Daarvan weten we vrij goed wie de grootste zijn en wie de meeste winst maken, van jaar tot jaar en van kwartaal tot kwartaal.

Maar voor bewondering is meer nodig dan de beurskoers, de omzet of de winst. De afgelopen jaren hebben ons geleerd dat de financiële waardering van ondernemingen niet alleen conjunctureel sterke schommelingen vertonen, maar soms zelfs ronduit onbetrouwbaar zijn. In Nederland is gebleken dat de titel “Ondernemer van het jaar” wat al te trendgevoelig was en vaak in korte tijd in het tegendeel verkeerde.

Veel interessanter vind ik de lijst van “50 meest bewonderde” ondernemingen in de wereld die FORTUNE deze week publiceerde. Daarin worden de 345 grootste beursgenoteerde ondernemingen in de wereld beoordeeld op negen criteria: kwaliteit van het management; kwaliteit van de producten en diensten; innovatie; lange termijn investeringswaarde; financiële betrouwbaarheid; vermogen om talent aan te trekken en te behouden; verantwoordelijkheid tegenover de gemeenschap en het milieu; verstandig gebruik van middelen; en de kwaliteit van de mondiale strategie.

De beoordelingen op de negen criteria zijn gegeven door 10.000 managers over de gehele wereld, waarvan iets meer dan de helft in de Verenigde Staten. Iedereen wordt gevraagd de andere bedrijven in zijn eigen bedrijfstak cijfers te geven op een schaal van 1 tot 10. Uit de onderzoekspraktijk blijkt dat deze methode betrouwbare en consistente uitslagen oplevert. De gemiddelde manager kent zijn concurrenten goed en is bereid daar een eerlijk oordeel over te geven.

In 2003 is General Electric na vier jaar vervangen als meest bewonderde onderneming door Wal-Mart, het detailhandelconcern uit Arkansas. Sterren binnen de eigen bedrijfstak zijn Procter & Gamble (8.54 gemiddeld) en, dit jaar voor het eerst bovenaan, BASF (chemie), Skanska (constructie), Brittish Petroleum en Texas Instruments. Het diepst gevallen zijn Enron (1.25) en Kmart (1.77). Het aandeel van Europese en Aziatische bedrijven op de lijst van 50 meest bewonderde ondernemingen is dit jaar gestegen. Nokia en Nestle voeren negen Europese ondernemingen aan. Toyota staat boven BMW en Volkswagen, die op hun beurt makkelijk General Motors en Ford verslaan. Koninklijke Shell en Unilever staan op de lijst maar lang niet als hoogste binnen hun bedrijfstak. Onze andere Nederlandse multinationals vallen er helemaal buiten. Nederland Kennisland betekende toch dat we bij de besten wilden horen? Het mooie van bewonderen is dat het je leert je eigen doelen hoog te stellen.