Frits Prakke

Archive for the ‘Technisch Weekblad’ Category

Micro-technologie, een kerstvertelling

In Technisch Weekblad on maandag, december 8, 2003 at 21:16

In een wereld waarin ingenieurs zich alleen nog maar bezig lijken te houden met grootschalige hi-tech, die in toenemende mate bestaat uit hersenloze IT en nog eens IT, en waarin de mens weggecijferd wordt als arbeidskracht, als consument, als bionisch systeem of zelfs als militair doelwit, in zo`n wereld is er behoefte aan een alternatief. De nood is wellicht het hoogst bij de Nederlandse Technische Universiteiten, die er steeds minder in slagen studenten, laat staan studentes, aan te trekken.

Als in een echte kerstvertelling verschijnt het licht soms juist in de ergste duisternis. Op de campus van de technische universiteit M.I.T. in Cambridge, niet ver van waar de eerste computer en de eerste atoombom werden ontworpen en waar nog steeds geld van grote Amerikaanse industriële bedrijven en het Pentagon zorgen voor de grootste universitaire onderzoekbegroting ter wereld, geeft professor Amy Smith een werkcollege, D-lab. Amy Smith is een prijswinnende ontwerper van medische instrumenten en apparaten voor het dagelijks leven in de armste delen van Afrika. Zij ontwikkelde een goedkoop, niet-elektrisch testinstrument voor drinkwater, gebruik makend van plastic babyflessen, en een hamermolen voor sorghumgierst die dorpelingen zelf kunnen repareren. Voor prijswinnend onderzoek is er op M.I.T. altijd financiering beschikbaar.

D-lab lijkt in eerste instantie een beetje op het in de jaren zeventig ook aan Nederlandse universiteiten populaire vak Alternatieve Technologie. Maar Amy Smith gaat verder. Dit is geen traditionele ontwikkelingshulp. Ze sluit bewust aan bij de verassend succesvolle ontwikkeling van micro-bankieren in India, waarbij de economische ontwikkeling van dorpen via zeer kleine leningen – te klein voor bestaande ontwikkelingsorganisaties – in handen van de vrouwen van het dorp wordt gelegd. Vrouwelijke ingenieurs zijn hier in het voordeel omdat in deze landen de landbouw in handen van vrouwen is. Vervolgens staat het cognitief-psychologische proces van ontwerpen centraal.

In D-lab gaat het om micro-technologie: ontwerpen met minimale middelen. Dat is geen gemakkelijke opgaaf voor de M.I.T. studenten die $ 30.000 per jaar betalen om te studeren. Een verblijf van tien dagen in Haïti, Brazilië of India midden in het semester wordt voorbereid met lessen in taal (bijv. Creools), mechanica en dorpspolitiek, en training in het testen van drinkwater. Maar eerst is er nog een andere toets. Iedere student moet een week lang overleven in Cambridge op $2 per dag, het gemiddelde inkomen in Haïti. Het beleven van de armoede is een voorwaarde om als ingenieur te kunnen ontwerpen voor de armen. Amy Smith doet mee met haar studenten en als er in die week een academische festiviteit plaatsvindt eet ze aan het diner alleen haar eigen meegebrachte crackers. In het werkcollege is dit jaar een methode ontwikkeld om uit het afval van suikerriet op Haïti houtskool te maken. Dat is goedkoper en spaart bovendien de uit ecologisch oogpunt onvervangbare bossen.

Is er behoefte aan ingenieurs-op-blote-voeten in deze wereld? De intellectuele ervaring lijkt me in ieder geval – om met de moderne commercie te spreken – onbetaalbaar.

Keizer Darius I, informatienetwerken en globalisering

In Technisch Weekblad on maandag, november 10, 2003 at 21:14

De huidige economische recessie geeft voeding aan een algemeen pessimisme, nostalgie en soms zelfs aan regelrechte reactionaire oprispingen. Nu de Nieuwe Economie niet de beloofde gouden bergen heeft opgeleverd verbaast het me hoeveel overigens weldenkende mensen terug willen naar vroeger. Ze verlangen terug naar de gulden, verwerpen de ontwikkeling van een grotere, sterkere Europese Unie en wanhopen aan verdere globalisering van de wereldeconomie. De grenzen moeten dicht. Ze klagen dat de KLM binnenkort niet langer onze eigen nationale luchtvaartmaatschappij zal zijn. Of dat steeds meer R&D plaatsvindt in China. Het lijkt bonton om te beweren dat we met de aanvaarding van globalisering onze beschaving verkwanselen. Maar de kwaliteit van onze beschaving heeft juist altijd gelegen in het openstaan voor diverse culturen en invloeden uit verre landen.

Globalisering is niet een uitvinding van de go-go nineties. Globalisering is het gevolg van een langdurige technologische ontwikkeling. De kern daarvan is het mogelijk maken van effectieve informatienetwerken over steeds grotere gebieden. De uitwisseling van informatie gaat gepaard aan economische en culturele uitwisseling. Welvaart en beschaving zijn daarvan uiteindelijk het gevolg.

Het rijk van keizer Darius I van Perzie was 2500 jaar geleden het grootse op aarde dankzij de ontwikkeling van een informatienetwerk op basis van koeriers te paard, die honderden kilometers per dag aflegden. De basis van het Romeinse rijk was het wegenstelsel. De VOC was – ook – een uniek informatienetwerk. Moderne Europese staten kwamen tot stand dankzij spoorwegen en telegrafie. Nu staat het Internet, nog relatief in zijn kinderschoenen, aan het begin van de nieuwste technologische envelop.

De term historisch determinisme komt me niet gemakkelijk over de lippen, maar het lijkt moeilijk te bestrijden dat de ontwikkeling van beschavingen nauw verbonden is met de technologische ontwikkeling van informatienetwerken. Die ontwikkeling is niet probleemloos of gelijkmatig, maar wel moeilijk omkeerbaar. De duistere vroege middeleeuwen waren het gevolg van een afbraak van informatienetwerken. China en Japan hebben eeuwen van verpaupering gekend tengevolge van de bewuste sluiting van hun grenzen. De laatste periode in de moderne tijd van belangrijke teruggang in de trend naar globalisering, althans gemeten naar de omvang van de internationale handel, waren de donkere jaren 1914-1945.

Deze redenering volgend is het opmerkelijk dat de ultieme regering van de gehele wereld, de Verenigde Naties – de culminatie van de ontwikkeling ingezet door Darius I – nauwelijks betrokken is geweest bij de vormgeving van de ultieme netwerktechnologie, het Internet. Maar daar komt verandering in. Van 10 tot 12 december organiseert de VN een topconferentie in Genève over de Informatie Samenleving. Zestig staatshoofden worden verwacht. Zij zullen praten over voorstellen van de Secretaris Generaal van de VN, Kofi Annan, het Internet te ontwikkelen voor doelstellingen op het gebied van wereldwijde e-education, e-health, en e-government. In de ontwikkeling van deze vorm van globalisering, een wereldomvattend informatienetwerk, ligt de toekomst van de VN, en onze toekomst.

Open innovatie

In Technisch Weekblad on zondag, oktober 12, 2003 at 21:12

De technologie van 2003 heeft een volstrekt ander gezicht dan de technologie van vijftig jaar geleden. MRI-apparatuur werkt volstrekt anders dan de ooit moderne Röntgentoestellen. De nieuwste laag verf op mijn huis is niet te vergelijken met de eerste, van voor de oorlog. Mijn nieuwe digitale camera ………, enfin. Maar nog interessanter is dat ook de manieren van het ontwikkelen van nieuwe technologie, de spelregels van innovatieprocessen, geheel anders zijn dan 50 of zelfs 10 jaar geleden.

Weten de grote, traditionele technologische ondernemingen in Nederland dat? Ik vermoed van wel. Grote reorganisaties van research bij Philips, Shell en AKZO de laatste 15 jaar maken duidelijk dat ze hard bezig zijn zich aan de nieuwe spelregels voor innovatie aan te passen. Vertellen ze dat ook aan het nieuw geïnstalleerde Innovatieplatform van Balkenende? Voorlopig lijkt al het nieuwe geld daarvoor geclaimd te worden door het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, met bureaucratische schijngevechten tussen de eerste en de tweede geldstroom voor de financiering van fundamenteel onderzoek.

De laatste twintig jaar hebben de opkomst gezien van steeds meer open innovatie in bedrijfstakken, ten koste van gesloten innovatie. Het verschil daartussen wordt door Henry Chesbrough van de Harvard Business School – geheel in lijn met modern innovatieonderzoek – geïllustreerd met het verschil tussen Lucent Technologies, de opvolger van het aloude Bell Laboratories, en Cisco Systems. Beide zijn producenten van telecommunicatieapparatuur. Bell Laboratories ontwikkelt, octrooieert en commercialiseert nieuwe kennis, van fundamenteel onderzoek in nieuwe materialen tot het ontwerp van componenten en de ontwikkeling van software voor specifieke klanten, binnen de eigen onderneming. Dat is geheel volgens de regels van gesloten innovatie. Cisco daarentegen, heeft binnen twintig jaar technologisch leiderschap verworven in de bedrijfstak zonder zelf te investeren in fundamenteel onderzoek en zonder kostbare ontwikkelingsprogramma’s. In plaats daarvan werd op basis van een strategie van open innovatie steeds weer samengewerkt met de beste externe partners. De fout eigen, reeds in eigen huis ontwikkelde, technologie voor te trekken werd daardoor vermeden. Externe partners waren bijvoorbeeld universitaire startups, individuele uitvinders, of teleurgestelde ingenieurs bij concurrerende ondernemingen. Zonodig werden nieuwe veelbelovende bedrijfjes overgenomen, passend als stukken in Cisco’s legpuzzel.

Er zijn nog maar weinig bedrijfstakken waarin succes behaald kan worden volgens het oude recept van gesloten innovatie, bijvoorbeeld kernenergie. Veel bedrijfstakken, zoals computer geheugens, halfgeleiders, telecommunicatieapparatuur, optica, biotechnologie en farmacie, bevinden zich momenteel in een overgangsfase van gesloten naar open innovatie. Het resultaat is dat er een groot scala aan gespecialiseerde, doorgaans commerciële rollen is ontstaan die van cruciaal belang zijn in het innovatieproces. Chesbrough definieert de rollen van innovatie investeerders, weldoeners, verkenners, handelaren, architecten, zendelingen, kooplui en loketten.
Ondernemingen die vasthouden aan het model van gesloten innovatie blijven achter. Als Nederland zijn innovatiebeleid gaat baseren op het onderscheid tussen slechts twee rollen, fundamenteel onderzoek en toegepast onderzoek, zal het zeker achterblijven.

Mijn en dijn in muziekland

In Technisch Weekblad on maandag, september 15, 2003 at 21:10

Een meisje van twaalf in New York is deze week gedwongen $ 2000 te betalen ter schikking van een aanklacht van de RIAA, de belangenvereniging van de Amerikaanse muziekindustrie, wegens het schenden van auteursrechten. Zij is slechts één van de 261 mensen die een dagvaarding hebben gekregen omdat ze meer dan duizend nummers via de populaire muziekuit¬wisselings¬diensten als KaZaA, Grokster, Blubster en iMesh op haar PC had staan. Daarmee maakte ze deze nummers, al of niet bedoeld, en zeker niet met een winstoogmerk, beschikbaar voor anderen om te downloaden. Kiezen we partij voor het kleine meisje, of voor de mannen met grote sigaren en hoge hoeden?

Op Amerikaanse Pc’s staan volgens een onderzoekbureau 7,5 miljard muziekbestanden gekopieerd van medegebruikers. Slechts een fractie van dat aantal is aangeschaft via de “legale” online betaalde muzieksites als van RealNetworks en Microsoft. Bij meer dan 25 miljoen huishoudens gaat het om vijftig bestanden of meer. De gemiddelde gebruiker is jonger dan 21 jaar. De mannen met hoge hoeden rekenen snel uit dat dit een verlies is van 7,5 miljard maal de $10 aanschafprijs van een CD. Met het auteursrecht in de hand wordt een klein meisje aangeklaagd om miljoenen anderen, en hun ouders, te intimideren. De marktpositie die is opgebouwd op basis van vinyl en CD’s wordt verdedigd tegen kleine meisjes en technische innovaties. De muziekindustrie klaagt over piraterij. Hun rekenkunst overtreft bij verre hun gevoel voor verhoudingen.

De juridische tegenstellingen in de Nieuwe Economie hebben grote overeenkomsten met eeuwenoude tegenstellingen, zoal die tussen vrijheid van informatie en gevestigde belangen. Octrooi- en auteursrechten streven in dit krachtenveld naar evenwicht. Het verdedigen van de vrijheid en het bevorderen van innovatie gaan hier vaak hand in hand. Het gaat niet om absolute rechten maar om de bestrijding van onevenwichtige machtsposities. Een belangrijke parallel is de strijd voor open software en tegen de monopoliepositie van Microsoft, die nu gevoerd wordt door de EU.

Nederland heeft een belangrijke, oude traditie op het gebied van de vrijheid van informatie. Bijvoorbeeld de persvrijheid. In de aanloop naar de Franse Revolutie werden de in Parijs verboden politieke pamfletten gedrukt in Leiden. Voor de Eerste Wereldoorlog heeft de Nederlandse regering zich lang verzet tegen aansluiting bij internationale octrooiverdragen. Nederlandse bedrijven genoten daardoor relatief grote vrijheid gebruik te maken van in de toen vooroplopende industrielanden ontwikkelde en gepatenteerde innovaties. Een opmerkelijk gevolg was de opkomst van een bloeiende gloeilampenfabriek in het zuiden des lands.
Of kan de ontwikkeling van nieuwe technologie zijn eigen vrijheid afdwingen? Sommige computerdeskundigen zeggen dat de aanval van de muziekindustrie op het vrij uitwisselen van bestanden vanzelf tot een halt zal komen. De reden is de ontwikkeling van nieuwe encryptie software of het gebruiken van omwegen. Daardoor kunnen de uitwisselaars van bestanden niet langer getraceerd worden. Voorbeelden van programma’s die dat nu al mogelijk maken zijn Freenet en Groove. De kleine meisjes worden ondergronds gedreven en zullen uiteindelijk toch zegevieren, net als de revolutionaire Fransen voor hen.

De toekomst van IT

In Technisch Weekblad on maandag, augustus 18, 2003 at 21:09

De windstilte op het Heegermeer dreigt een farce te maken van mijn zeilvakantie in Friesland. Na urenlang dobberen moet de buitenboord motor aan om ons maar weer thuis te brengen. Meer dan genoeg tijd om na te denken wat er toch aan de hand is met de informatie technologie die tot voor kort een betrouwbare aandrijver van de economie was. Juichende aandelenmarkten, trotse ondernemers en werk voor iedereen. Dat is nu in de zomer van 2003 wel anders. Waar blijft “the Next Big Thing”? De economie heeft veel weg van het Heegermeer bij windkracht nul.

Door mijn hoofd spookt het artikel van de econoom Nick Carr in de Harvard Business Review: ”IT Doesn’t Matter”. Hij stelt dat bij de huidige stand van IT bedrijven niet langer voordeel kunnen behalen uit verdere innovatie omdat imitatie door concurrenten te gemakkelijk is geworden. IT wordt nog wel toegepast om kosten te besparen. Dat leidt tot de huidige opleving van winsten zonder herstel van de vraag naar arbeid. Maar investeringen in nieuwe, gewaagde toepassingen blijven uit, waardoor de technische ontwikkeling ook tot een halt komt. Ongeveer zoals mijn zeilboot.

Midden op het meer haalt het gerinkel van een mobieltje me uit mijn mijmeringen. Een Amerikaanse kennis wil praten over het starten van een project, en wel deze week. Hij raakt geïrriteerd als ik tegenwerp dat het in Nederland nu vakantietijd is. Moet ik me nu schuldig gaan voelen aan het achterwege blijven van de economische opleving in ons land?

In Business Week lees ik dat een reeks vooraanstaande industriëlen de sombere stelling van Nick Carr bestrijden. Ieder biedt een visie van de toekomst van IT die gekleurd wordt door de belangen van de eigen onderneming. Maar het geloof in de kansen die IT hun bedrijf in de concurrentiestrijd zal bieden is algemeen en overduidelijk. Steve Jobs vertelt dat Apple de afgelopen paar jaar het tempo van productvernieuwing (bijvoorbeeld iPod) drastisch heeft verhoogd en slechts daardoor nu winstgevend is. Jeff Immelt zegt dat het rendement van investeringen van zijn General Electric in “tech” 20 % bedraagt en dat deze dus zeker niet zullen afnemen. Michael Dell stelt dat slimme ondernemers zoals hij winst uit IT halen. Maar, “you can screw up really bad”. Ferme taal.
Er is geen eensgezindheid over wat “the Next Big Thing” is. Wi-Fi, utility computing, netwerken van sensoren, bionica of kunststof elektronica? Maar de stroom van technische innovatie wordt, algemeen, even groot of groter dan ooit geacht.

Het wordt steeds duidelijker, lijkt me, dat de crash van de Nieuwe Economie in 2001 vooral een dwaling van de kapitaalmarkten is geweest. De onderliggende ontwikkelingen van nieuwe technologie en van de economie, zoals deze tot uiting komen in bijvoorbeeld de operationele winstgevend¬heid van bedrijven en de productiviteit, blijven positief. Goed geleide bedrijven kunnen daarvan profiteren. Vanuit Nederlands perspectief valt op dat deze Amerikaanse ondernemers niet klagen over de conjunctuur en niet reppen over gebrek aan overheidssteun of een teveel aan regels. Hoe zal dat klinken als binnenkort in het nieuwe Innovatie Forum van deze regering de Nederlandse topondernemers aan het woord komen?
Mijn buitenboord motor verbreekt de lome stilte van het Heegermeer. Naar huis. Ik moet nog iemand terugbellen.

De casus C2000: perfectie als vijand van innovatie

In Technisch Weekblad on zondag, juni 22, 2003 at 21:07

Ergens in 1997 kwamen mijn drie opgroeiende dochters bij me met de absolute noodzaak mobiele telefoontjes te kopen. Vier maanden later was ik nog steeds bezig met mijn analyse van kosten en baten op basis van gebrekkige en asymmetrische informatie, met functionaliteiten, en met technologische leercurve effecten waardoor uitstel van aanschaf beloond zou worden. Lang voordat hun rationele vader met een optimaal voorstel kwam hoefden ze het hem niet meer te vragen, dankzij gewiekste omwegen zoals een slim vriendje aan de HTS, een nieuwe baan, en Moeder. Zes jaar later zijn ze al toe aan hun derde mobieltje, technisch onvergelijkbaar beter dan de eerste en volgens het laatste design.

Uit een rapport van de Algemene Rekenkamer deze week blijkt dat zo’n proces bij de overheid geheel anders gaat. Ergens in 1995 kwamen politie, de ambulancediensten en de brandweer bij de regering met het verzoek om nieuwe mobiele telefoons. Ik reconstrueer. Op het ministerie werd na overleg in werkgroepen gekozen voor een ambitieuze aanpak: de hoogste eisen op het gebied van databeveiliging (politie), privacy (ziekenvervoer), vuurbestendigheid (brandweer) en intercommunicatie (rampen) werden vertaald naar een perfect ontwerp. Dit werd vastgelegd in specificaties op basis van bewezen halfgeleider technologie, dus van vóór 1994. Dit perfecte project kreeg de fraaie naam C2000 mee, wat anno 2003 zonder voltooiing in zicht, alweer heel wat minder klinkt.

De uitvoering werd gegund aan de dienst ITO, “op afstand van het ministerie”. Maar de toekomstige gebruikers mochten wel lopende het project met nieuwe functionele eisen komen. Nu concludeert de Rekenkamer, dat de begroting van C2000 na inflatiecorrectie is gestegen van 566 naar 700 miljoen euro. Als C2000 eind 2004 eindelijk voltooid is, zal dat opgelopen zijn naar 780 miljoen euro. De geraamde operationele kosten zijn tussen 1996 en 2003 gestegen van 35,4 naar 81,7 miljoen euro per jaar.
Oorspronkelijke, cruciale veiligheidseisen zoals end-to-end encryptie beveiliging en op afstand uitschakelen van politiemobieltjes (nuttig na diefstal) blijken niet haalbaar. Het stralingslek van de C2000 mobieltjes is zo groot dat gebruik in de buurt van medische apparatuur levensgevaarlijk wordt geacht. Een collectief abonnement op Debitel zou wel zo handig zijn geweest.

C2000 lijkt steeds meer op een digitale Betuwelijn. Minister Remkes heeft inmiddels besloten de uitvoering van het project van ITO terug te halen naar het ministerie. De C2000 technologie is inmiddels tien jaar oud en ik vermoed dat mijn dochters niet alleen het design maar ook de functionaliteit lachwekkend zouden vinden.
In het geval C2000 heeft de overheid gefaald als innovatieve aankoper op een technologisch gebied dat door zijn dynamiek juist bij uitstek geschikt was voor het geven van een impuls door een uitgekiend aanschaffingsbeleid. Maar door een teveel aan bureaucratisch streven naar integratie en perfectie zitten de politie, ambulancediensten en brandweer nu opgescheept met een wangedrocht. Voor de betrokken technische ontwikkelaars valt er al helemaal geen eer, laat staan een voorsprong op de markt, te behalen. Het streven naar perfectie ipv naar praktische slagvaardigheid ligt opgesloten in de ambtelijke rationaliteit. Ook vaders kennen dat. Maar het levert een grote handicap op, bijvoorbeeld waar het gaat om dynamische technologieën zoals ICT. Perfectie is dan de vijand van innovatie.

EZ moet weer een politiek ministerie worden

In Technisch Weekblad on woensdag, mei 21, 2003 at 21:05

Wat treft voormalig landbouwminister Brinkhorst aan als de nieuwe minister van Economische Zaken? In de jaren vijftig had EZ de politieke regie over de industriële wederopbouw. Dat was een succes. Eind jaren zeventig kreeg het ministerie de regie over de herstructurering van noodlijdende bedrijven. Honderden miljoenen guldens en vele jaren later bleek dat deze verliessubsidies geen succes waren. Vanaf de jaren tachtig werd Economische Zaken van falend regisseur tot hoofdonderwijzer met ernstige ordeproblemen. Het klasje van Nederlandse industriële ondernemingen werd onophoudelijk het belang van technische innovatie voorgehouden, vooral in de macro-economische zin van grotere nationale uitgaven aan R&D. Maar de uitgaven voor industriële research daalden juist. Dit was slecht voor het zelfvertrouwen van de hoofdonderwijzer. In de Tweede Kamer werd openlijk getwijfeld aan het nut van de overgebleven generieke technologiesubsidies. Het politieke belang van het ministerie daalde in parallel met de departementale begroting.

EZ is een ministerie zonder politieke betekenis geworden terwijl een aantal van de belangrijkste politieke kwesties van deze tijd juist economische kwesties zijn. Ze liggen voor het oprapen, zeker voor een ambitieuze nieuwe minister. Het is hoognodig politiek leiding te geven aan processen van privatisering en versterking van concurrentie, gelijk of het om de energiedistributie gaat of taxi’s.

Privatisering heeft vaak tot grote teleurstellingen geleid omdat het gelijkgesteld werd met het terugtreden van de overheid en van de politiek. De politieke regie liet het afweten. Maar vrije markten kunnen niet zonder een actieve marktmeester. Macro-economische distantie is daarbij ongepast. Voormalig CDA kamerlid Joost van Iersel schreef in het Financieel Dagblad van 1 mei dat EZ juist hét centrale departement van de micro-economie moet zijn. Micro-economie is de verhouding tussen aanbieders en vragers op markten. Het departement staat op een tweesprong.

Uitgangspunt voor een nieuw EZ moet zijn het inzicht dat anno 2003 de minister verantwoording moet afleggen aan de kiezers en niet aan het georganiseerde bedrijfsleven. Dat betekent een verschuiving van de oriëntatie van producenten naar consumenten. Op Onderwijs en Wetenschappen zou, bijvoorbeeld, op parallelle wijze de oriëntatie moeten verschuiven van schooldirecteuren naar leerlingen, van aanbod naar vraag.

Op Landbouw heeft Brinkhorst bewezen ondanks grote weerstand een beleidsomslag tot stand te kunnen brengen van subsidieloket van boeren(-organisaties) naar voorvechter voor de consumenten. De middelen van dit nieuwe beleid zijn steeds dezelfde: de herinrichting van de betreffende markten in het voordeel van de vraag. De bevoegdheden van de NMA en de Opta moeten hiertoe worden uitgebreid.

De nieuwe aanpak geldt niet alleen voor markten van goederen, maar ook voor de door het nieuwe kabinet, en door de partij van Brinkhorst in het bijzonder, omarmde kenniseconomie. We spreken dan niet zo gauw van kennismarkten, maar liever van kennisketens of innovatiesystemen. Het principe blijft hetzelfde. Extra geld is slechts een beginpunt. De politiek moet de regie voeren over de inrichting van de kennisketens. De Adviesraad voor Wetenschap en Technologiebeleid heeft onlangs nog eens aangetoond dat deze in Nederland vaak zeer gebrekkig is. EZ onder leiding van Brinkhorst kan hier met succes een politieke rol spelen als marktmeester van de kenniseconomie. Het alternatief is dat het ministerie berust in zijn huidige rol van subsidieloket voor de industrie en daarmee zichzelf uiteindelijk overbodig maakt.

De Noord/Zuid-lijn en de nachtrust van de burgemeester

In Technisch Weekblad on donderdag, april 24, 2003 at 21:03

Burgermeester Job Cohen heeft drie belangrijke redenen voor slapeloze nachten nu deze week in Amsterdam definitief een start is gemaakt met de ondertunneling van de binnenstad voor de aanleg van een metrolijn van noord naar zuid. Zullen de heipalen het begeven onder de talrijke historische monumenten langs de route? Zullen de kosten uit de hand lopen? En, tenslotte, zal het ooit voor de Amsterdammers een aantrekkelijke manier van vervoer worden? Op alle drie punten heeft hij zijn nachtrust in handen van ingenieurs gelegd.

De mogelijke schade aan historische gebouwen heeft in de discussie voorafgaande aan de bouw de meeste kritiek opgeleverd. Projectleider van de Noord/Zuidlijn Johan Bosch heeft echter, onder andere in Technisch Weekblad van 18 april, duidelijk gemaakt dat door gebruik van moderne technieken zoals compensating grouting onder de Dam en een korset rond de fundering van de Munttoren de kans op schade klein is.
Minder vertrouwen heb ik in het vermogen van de tunnelaars om binnen de begroting van xx miljard euro te blijven. De Noord/Zuidlijn valt namelijk in de categorie van zeer grote publieke bouwprojecten. Een studie van professor Bent Flyvbjerg van de Aalborg Universiteit over 258 van dit soort projecten tussen 1910 en 1998 concludeert dat de begrotingen met gemiddeld 28 procent werden overschreden. Voor spoorprojecten bedroeg de strop zelfs gemiddeld 45 %. Slechts in 10 % van de projecten trad geen kostenover¬schrijding plaats.

De Holland tunnel in New York werd in 1927 voltooid voor $ 48 miljoen, meer dan het dubbele van de oorspronkelijke begroting. De Channel tunnel bij Calais kostte 80 % meer dan de begroting. Bostons Big Dig, evenals in Amsterdam aangelegd door een onstabiele bodem, is na 16 jaar bijna gereed, maar wel voor meer dan drie keer de begroting van $ 4.5 miljard. Aannemers en opdrachtgevers geven elkaar de schuld en aan de Big Dig werken in deze fase naar goed Amerikaans gebruik meer advocaten dan bouwvakkers.
Is dat erg? Het lijkt in ieder geval een fundamenteler probleem te zijn dan prijsafspraken tussen aannemers. Zelfs als de Bouwenquete ons daarvan heeft verlost, hoe belangrijk ook, dan nog blijven er vele krachten grote druk uit oefenen om de kosten vooraf te onderschatten. Of het nu Amsterdam is of Boston of Berlijn. Zeer grote technische risico’s over een lange periode moeten worden ingeschat. Als de schatting te hoog uitvalt krijgt de wethouder zijn tunnel niet en de aannemers geen opdracht. Iedereen aan tafel heeft baat bij optimisme.

Bij grote overschrijdingen bij bouwprojecten volgt niet zelden het aftreden van de verantwoordelijke politicus. Maar veel van de moderne stedelijke infrastructuur zou nooit gebouwd zijn als de uiteindelijke kosten tevoren op tafel hadden gelegen. Voor de burgemeester van de Noord/Zuidlijn loopt zijn positie op het pluche veel meer gevaar dan zijn positie in de geschiedenisboekjes.
Of de nieuwe metrolijn uiteindelijk een aantrekkelijke vorm van vervoer gaat worden hangt van weer een ander soort ingenieur af. Een zware taak ligt op de schouders van de ontwerper van de toegangspoortjes en het kaartjessysteem. Dat systeem moet efficiënt, klantvriendelijk en streng zijn. Halfslachtigheid op de oude metrolijn heeft in mijn ervaringen vaak geleid tot een situatie half riool, half politiestaat. Gezien de staat van dienst van Amsterdam lijkt dit me de grootste bedreiging van de nachtrust van de burgemeester.

De noodzaak van creatieve destructie

In Technisch Weekblad on zondag, maart 30, 2003 at 21:01

Vandaag heb ik een prima scanner, nog maar vier jaar oud, bijgezet op het kerkhof van oude computer rommel op mijn vliering. Bij het kringloopcentrum halen ze er hun neus voor op, evenals voor die oude Commodore, de naaldprinter en de monitor, die nooit gefaald heeft zijn oranje teksten te tonen. Ik heb een ruime vliering en een klein hartje voor apparaten die mij technisch nooit in de steek hebben gelaten. Die scanner heeft het altijd gedaan tot ik hem opnieuw moest installeren en de daarvoor benodigde software zelfs in verste verten van het Internet niet te vinden was. Adieu. De nieuwe scanner, met twee keer zo veel functies en voor de halve prijs, heeft zijn plaats ingenomen. Het kerkhof op mijn vliering is een eerbetoon aan de slachtoffers van creatieve destructie.

Niet iedereen heeft die luxe. Actueel zijn de problemen die het Pentagon heeft met de vervanging van componenten in verouderde wapensystemen. De meeste bevatten componenten of software ouder dan de leeftijd van de soldaten die ze moeten bedienen. De oorspronkelijke leveranciers bestaan niet meer of zijn al lang overgeschakeld op nieuwe producten. Het gaat niet alleen om de vijftig jaar oude B-52 bommenwerpers. Zelfs een geheel nieuw gevechtsvliegtuig zoals de F/A-22 Raptor, waarvan het eerste exemplaar dit jaar is geleverd, heeft een elektronisch systeem dat ontworpen is met processoren van tien jaar geleden. Dat is het gevolg van de lange ontwikkelingstijd. Om de verouderde chips in de Raptor nu nog te vervangen zou een miljard dollar kosten. In plaats daarvan voert het Pentagon een beleid van obsolescence management, het verzekeren tegen zeer hoge kosten van alternatieve leveranciers van de vele benodigde verouderde componenten. Dat is de prijs van een gebrek aan creatieve destructie.
In de civiele sector doet zich hetzelfde probleem voor in bedrijfstakken zoals de spoorwegen, telecommunicatie en kernenergie. De Components Obsolescence Group heeft al 160 ondernemingen als lid. Miljarden worden uitgegeven aan het in stand houden van verouderde, weinig efficiënte producties.

De lange levensduur van sommige complexe technische systemen vormt een fundamentele belemmering van innovatie. Neem de spoorwegen. Met afschrijvingstermijnen van meer dan een kwart eeuw, verliezen zij het alleen al daardoor van auto’s en autowegen. Een autofabrikant trekt profijt van de concurrentie tussen tientallen toeleveranciers. Maar de NS is afhankelijk van elektromechanische apparatuur waarvan het ontwerp stamt uit de negentiende eeuw en waarvoor weinig of geen concurrerende aanbieders meer bestaan.
Die afhankelijkheid is echter ook het gevolg van een strategische keuze. De te betalen prijs is niet alleen de hoge kosten van componenten, maar ook gebrek aan innovatie. Lange afschrijvingstermijnen van oude technologie blokkeren innovatie. Zonder creatieve destructie geen innovatie. De spoorwegen zouden moeten leren van de mobiele telefonie.
Met de huidige stand van de technologie zou het bijvoorbeeld mogelijk zijn om het complexe elektromechanische systeem van de spoorwegen radicaal te vervangen door lichtere, flexibeler en elektronisch gestuurde modulaire transporteenheden. Vooral door een veel kortere afschrijvingstermijn zouden deze de technologische achterstand op de automobiel op termijn moeten kunnen inhalen. Ook op het gebied van openbaar vervoer vereist technische innovatie een bewust beleid van creatieve destructie. De spoorwegen hebben niet de luxe van een ruime vliering.

Fusie Microsoft en Yahoo mislukt door Allochtech

In Technisch Weekblad on donderdag, maart 20, 2003 at 23:54

Ingenieurs laten zich graag voorstaan op hun neutraliteit, en vaak is daar ook reden voor. Maar net als mensen brengen technologieën een afkomst en een geschiedenis met zich mee waar ze moeilijk van te scheiden zijn. Technology travels on the hoof, zeggen ze in Texas. Daarom heeft iedere afzonderlijke technologie impliciet zijn eigen cognitieve en zelfs emotionele kwaliteiten. Deze worden ontwikkeld in het onderwijs, door specialisatie in kennisinstellingen, en in bedrijfsculturen. Ontwikkeld en bevroren, zonder dat we ons daarvan bewust zijn. Allochtech veroorzaakt in de industrie evenzeer integratieproblemen als allochtoon in de samenleving.

Microsoft staat op het punt Internet pionier Yahoo over te nemen. Financieel is dat voor het rijke Microsoft geen probleem. Yahoo is niet langer de lieveling van de aandelenbeurs en dus goed betaalbaar. Cultureel zijn er verschillen. Yahoo is van een jongere generatie. Op de campus van het bedrijf in Silicon Valley worden rock concerten gegeven. De jonge miljonairs leven zich uit in studentikoze Ultimate Frisbee toernooien. Maar tenslotte zijn de twee bedrijven beide uitgegroeide bureaucratieën met een vergelijkbare meritocratische inslag. Echter, de grootste bedreiging voor het slagen van een fusie is allochtech.

Voor een succesvolle fusie tussen Microsoft en Yahoo moeten twee zeer complexe en geheel verschillende software systemen worden geïntegreerd. De data centers van Microsoft – essentieel in de concurrentieslag met Google – draaien op proprietary software, die incompatibel is met de open source programmas en applicaties van Yahoo. Het probleem ligt niet alleen in de techniek, maar ook in de bedrijfsfilosofie. Microsoft is altijd een principieel tegenstander van open source software geweest, terwijl Yahoo zijn snelle groei juist daar aan te danken heeft gehad. Microsoft heeft altijd hard gewerkt om met bedrijfstakorganisaties en partners collectief protocollen en standaarden te ontwikkelen – al of niet om die vervolgens in eigen belang uit te buiten. Yahoo heeft zich daar altijd aan onttrokken om flexibeler te kunnen optreden. Door de verschillen in de geschiedenis van de twee bedrijven, inclusief de cognitieve en emotionele bagage, lijkt integratie nagenoeg uitgesloten. Het naast elkaar laten bestaan van de softwaresystemen betekent volgens deskundigen het afzien van minsten 1$ miljard aan kostenbesparing op de korte termijn en een veel groter verlies aan synergie in de toekomst. Dat zijn de kosten van allochtech.

Allochtech is ook vaak de oorzaak van het mislukken van technologische samenwerking in Europa. Het Duits-Nederlandse project Dasa-Fokker werd een fiasco. De Duits-Franse samenwerking om met Quaero een concurrent voor Google te ontwikkelen is in 2007 na twee jaar vastgelopen op een verschil in visie. De Fransen ingenieurs kozen voor een ambitieus ontwerp. De Duitse kozen voor degelijkheid. Beide landen gaan nu alleen verder. Een gezamenlijke ontwikkeling van Vitale, identificatiekaarten in de gezondheidszorg, is gestrand op de verschillen tussen Frans centralisme en Duits federalisme. Allochtech valt slechts te overwinnen als ingenieurs zich bewust zijn dat ze niet zo neutraal kunnen zijn als ze zouden willen.