Frits Prakke

Archive for the ‘Technisch Weekblad’ Category

Het Europese Amerika-Complex

In Technisch Weekblad on zondag, oktober 10, 2004 at 20:04

Lijdt Europa op het gebied van wetenschap en technologie aan een onoverkomelijk Amerika-complex? Steeds weer gunnen we het merendeel van de Nobelprijzen, die Zweeds zijn en dus eigenlijk van ons, aan Amerikaanse wetenschappers. De Nobelprijzen voor literatuur en vrede zijn de uitzondering die de regel van de Amerikaanse wetenschappelijke suprematie bevestigen. De uitgebreide Europese Unie blijft nog steeds achter op het gebied van patenten en aandeel in de totale export van high-tech producten. In slechts één van de vijf high-tech sectoren, de farmaceutische industrie, is Europa wereldwijd de marktleider.

Het is aardig te lezen in het tweejaarlijkse rapport Science Indicators van de National Science Foundation (NSF), dat de Amerikanen zich op hun beurt ook zorgen maken. Aziatische landen zoals China en Zuid-Korea nemen een steeds groter aandeel in het totaal van de Amerikaanse patentaanvragen en in de export van computers en telecommunicatieapparaten. Na 2001 is het aantal visas aan buitenlandse studenten en onderzoekers, een belangrijke indicator voor de aantrekkingskracht van het Amerikaanse innovatiesysteem, sterk afgenomen. Maar onze minister van Onderwijs zal zeker jaloers zijn te lezen dat in Amerika het percentage ingenieursdiploma’s behaald door vrouwen tussen 1980 en 2000 is gestegen van twee naar twintig. In de informatica bedraagt dit nu meer dan 30 %. Het percentage van alle patenten behaald door universiteiten is in twintig jaar gestegen van één naar vijf procent van het totaal. Amerika maakt zich zorgen om het verlies van marktaandeel in high-tech producten, maar niet aan Europa.

Wat mankeert Europa? Het gaat om cultuur en structuur. Het verschil in cultuur tussen Amerika en Europa blijkt uit de reactie op de nieuwste technologische uitdaging van onze tijd, de convergentie tussen nano-, bio-, en informatietechnologiën. In de VS kwam een commissie van de NSF met een rapport over de kansen hiermee het menselijk lichaam gezonder en sterker te maken. De Europese Unie kwam onlangs, twee jaar later, met een rapport van 20 hoogleraren over de maatschappelijke vragen en tegenstand die een dergelijk ingrijpen in de biologie van de mens zou oproepen. Een commissie van Europeanen produceert vragen. Een commissie van Amerikanen produceert oplossingen.

Minister Brinkhorst noemt de EU Raad voor de concurrentiekracht, waarvan hij zes maanden voorzitter is, een ‘Mickey Mouse raad’ en ‘zielloos’, vanwege het gebrek aan slagvaardigheid.

Maar voorop staat de versnippering van de Europese structuur van wetenschap en technologie – onderzoekers, hoogleraren en studenten – in vele kleine, naar binnen gerichte, nationale deeltjes, die stuk voor stuk afhankelijk zijn van nationale subsidies en niet met elkaar communiceren, laat staan concurreren. De EU is erin geslaagd één grote markt te scheppen voor kolen en staal, voor de landbouw, en voor de industrie. Maar niet voor wetenschap en technologie. In Nederland wordt het als vooruitgang beschouwd als de drie technische universiteiten gaan samenwerking om meer subsidie te krijgen. Dat lijkt me niet relevant. Het gaat er juist om dat ze gaan concurreren om in aantrekkingskracht op studenten en wetenschappers de beste te worden in Europa. Pas dan kan ook Europa de beste van de wereld worden.

Een land van schoolfrikken

In Technisch Weekblad on zondag, september 12, 2004 at 20:03

Geen probleem zo groot of in Nederland bedenkt een gezagsdrager dat de oplossing ligt in het geven van een cursus. Langdurige werkloosheid? De overheid spendeert miljarden euro’s aan herintredingcursussen. Het is aftellen naar een parlementaire enquête over deze geldverspilling. Falende integratie van allochtonen? Een cursus Nederlandse cultuur moet de pleister op de wonde zijn. Crisis in normen en waarden? Geen beroepsopleiding is meer compleet zonder een éminence grise, meestal een voormalige jezuïet of een gemankeerde dominee, die in een cyclus van zeven lessen het vak Ethiek komt geven.

Gebrek aan ondernemerschap? Philips-topman Gerard Kleisterlee pleit op 6 september in een rede bij de opening van het academisch jaar aan de universiteit van Tilburg voor Ondernemen als verplicht vak in het middelbaar, hoger en wetenschappelijk onderwijs. Terwijl Nederland achterblijft in economische groei en gelost is uit de mondiale kopgroep in concurrentiekracht, schieten we naar duizelingwekkende hoogte met ons vertrouwen in onderwijs als Haarlemmer olie voor alle maatschappelijke kwalen. We zijn een land van schoolfrikken geworden.

Is het denkbaar dat onderwijs het antwoord is op het gebrek aan ondernemerschap in Nederland? Een eeuw geleden werd daar zonder meer negatief over gedacht, althans door de ondernemers van die tijd. Met name hoger onderwijs werd schadelijk geacht voor een succesvolle carrière in de handel. Daar mochten jonge geesten niet mee worden besmet. Dit is de reden dat in typische handelssteden zoals Rotterdam en Bremen de stedelijke elite lang het stichten van een universiteit heeft weten tegen te houden. Kleisterlee bevestigt het voortduren anno 2004 van de culturele kloof tussen hoger onderwijs en het bedrijfsleven door in zijn rede ervoor te pleiten “de muur” tussen deze twee neer te halen.

Toch is er veel verbeterd aan het onderwijs aan toekomstige ondernemers. Twintig jaar geleden gaf ik al een werkcollege Innovatie Management aan studenten in Delft. Om daarvoor te slagen moesten studenten in de rol van ondernemer een Business Plan maken voor een nieuw bedrijfje of product, zodanig uitgewerkt dat een investeerder slechts ja of nee hoefde zeggen. Zelden heb ik studenten zoveel werk zien verzetten voor zo weinig studiepunten. Ik meen dat dit soort keuzevakken inmiddels aan bijna alle Nederlandse universiteiten en hoge scholen gemeengoed zijn geworden.

Toch vertelde een Delfts hoogleraar mij kortgeleden dat het aantal studenten dat een bedrijfje begint nog steeds zeer laag is, niet alleen vergeleken met Amerikaanse, maar ook met andere Europese universiteiten. Het is niet waarschijnlijk dat het verplicht stellen van een vak Business Plans, of enig denkbare andere cursus gericht op ondernemen, daar verandering in zal brengen.

Een cultuurverandering is nodig die alleen mogelijk is door ondernemerschap te belonen waar dat maar mogelijk is. Zeker in het onderwijs. Niet door studenten te belonen voor een 6- in een verplicht vak Ondernemen, maar door meer concurrentie en beloningen voor excellente prestaties. Maar ook elders in de samenleving kunnen mensen veel meer aangemoedigd worden risico’s te nemen en marktgericht te denken. Bijvoorbeeld bij Philips. Je vraagt je af hoe Kleisterlee’s zijn eigen jonge ingenieurs en managers leert ondernemers te worden. Je hoopt dat het meer is dan het volgen van verplichte cursussen.

Groupthink

In Technisch Weekblad on maandag, juli 19, 2004 at 20:01

Hebben Bush, Blair en Balkenende – de laatste in commissie – tegen ons gelogen toen ze verkondigden dat de dreiging van inzetbare massavernietigingswapens de reden was voor een oorlog tegen Irak? Ik denk dat het pessimistische antwoord op die vraag moet zijn: nee, ze geloofden er zelf in. En dat deden ze op basis van de beste informatie die tot hun beschikking stond. Duizenden analisten van de C.I.A. en de grote militaire inlichtingendiensten, allemaal ervaren professionals, wisten gezamenlijk niet met het enige goede antwoord op de proppen te komen. Irak beschikte in 2003 in het geheel niet over inzetbare massavernietigingswapens (WMD). De kwaadaardige psychologie van het groepsdenken, “groupthink” was sterker dan de waarheid. En dat zien we overal om ons heen. Bijvoorbeeld bij grote investeringen en innovatieprojecten.

De voorzitter van de Inlichtingencommissie van de Amerikaanse senaat, de republikein Pat Roberts concludeert deze week, dat alle inlichtingendiensten hebben gefaald op het punt van de WMD met uitzondering van het Bureau of Intelligence and Research (I.N.R.), een kleine groep van analisten van het ministerie van Buitenlands Zaken. Ook voorspelde de I.N.R als enige inlichtingendienst foutloos de negatieve reactie van Turkije op de invasieplannen en het gebrek aan democratische reacties in omringende Arabische landen. Dit Bureau onderscheidt zich door de kleine omvang, 160 analisten voor de gehele wereld, een keuze voor specialisatie en ervaring in landen boven generalisten, door geen banden te onderhouden met spionnen, dissidenten en andere lokale belanghebbenden, en tenslotte door het niet rechtstreeks rapporteren aan de machtscentra zoals de President en het Pentagon.
In het bureaucratische rijk staat het kleine I.N.D. daarom niet sterk. Zelfs hun baas, de minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell, heeft ze niet geraadpleegd voorafgaande aan zijn met fouten gelardeerde verdediging van de aanval op Irak voor de VN Veiligheidsraad op 5 februari 2003. De belangrijkst les lijkt me dat groepsdenken een groter kwaad is naarmate de groep groter is en afhankelijker van heersende bureaucratische machten. Dan gaan carrières en wenkende promoties bepalen welke antwoorden gegeven worden op simpele vragen en zelfs welke vragen nog gesteld worden.
Gisteren zat ik in een spannende discussie over de toekomstige organisatie van technologieverkenningen in de Europese Unie. Het gaat daarbij om het verwerven van betrouwbare informatie over de volgende generatie van kansrijke gebieden van technologische innovatie om richting te geven aan de financiering van onderzoek in het zevende Kaderprogramma van de EU. Het doel is volgens de Lissabon doelstelling van de EU een kenniseconomie te maken. Daarvoor zijn miljarden euro’s beschikbaar. Iedereen in die discussie leek voorstander van grotere bestedingen aan verkenningen, inschakeling van meer onderzoekers, maximale coördinatie tussen de verkenners en de beleidsmakers, meer consensus, en het direct rapporteren aan de hoogste Directeur-Generaal. Ik moest denken aan het Bureau of Intelligence and Research en heb gepleit voor meer kleine, onafhankelijke groepen van technologieverkenners.

Boer pas op je kippen

In Technisch Weekblad on maandag, juni 7, 2004 at 20:37

Als bedrijfsadviseurs innovatie gaan prediken is er alle reden om extra behoedzaam te zijn. Deze week kwam er weer zo’n persbericht uit van een gerenommeerd adviesbureau – dat om fair te blijven hier maar even naamloos moet blijven – met een eigen onderzoek over succes en falen bij innovatieprojecten van Nederlandse bedrijven. Ik zie het voor me. Gert, Henk-Jan en Max zitten deze week toch op de beach. Laat ze maar onze kaartenbak induiken om bedrijven te bellen over hun innovatieprojecten. Dat levert op zijn minst een persbericht op met onze naam, en wellicht een aantal interessante leads bij potentiële cliënten.
Dit soort onderzoek zegt meer over de toevallige samenstelling van de kaartenbak van het adviesbureau dan over innovatie. In casu bleken 63 procent van de innovatieprojecten zich te richten op verbetering van de kwaliteit van de bestaande dienstverlening. Tweederde van de bedrijven schakelen externe adviseurs in, vooral bedrijfsadviseurs en softwarebureaus. Slechts een kwart van “alle” innovatieprojecten in Nederland is succesvol. Zouden dat dezelfde bedrijven zijn die geen adviseurs in huis hebben gehaald, denk ik dan. Maar dit soort nadere analyses ontbreken jammer genoeg. De oorzaak van falen van innovatie bij de onderzochte bedrijven is “vaak” een gebrek aan visie en strategie en draagvlak onder de medewerkers. Tja, maar welk bureau zou nu toevallig adviesinstrumenten aanbieden om dat soort kwaliteiten in een bedrijf te helpen ontwikkelen?

Echt ernstig is dat de suggestie wordt gewekt dat succesvolle innovatieprojecten het resultaat zijn van het inschakelen van externe bedrijfsadviseurs op het gebied van visie, strategie en draagvlak. Innovatie vergt veel meer. Het is wel waar dat bij technische ontwikkelingsprojecten, volgens baanbrekend onderzoek bij NASA over vele jaren, technisch succes afhankelijk is gebleken van de bereidheid van het projectteam om extern technische adviezen in te winnen. Goede ingenieurs zijn nu eenmaal ook beter op de hoogte van welke collega’s meer weten dan zijzelf. Maar innovatie inclusief succesvolle implementatie, die meer is dan succesvolle technische ontwikkeling en die uitstijgt boven diffusie van reeds bewezen technische vernieuwingen, is minder afhankelijk van kennis en meer van ondernemerschap.
Echte innovatie in een bedrijf is gebaseerd op ondernemerschap. Ondernemerschap is niet op projectbasis te koop bij adviesbureaus. Het heeft te maken met risico’s nemen en het aanvaarden van mislukkingen om in tweede, derde of desnoods vierde instantie toch boven te komen drijven. Dat valt niet te leren van een adviseur, maar moet vastgelegd worden in de genen van een bedrijf. Bedrijven moeten bereid en instaat zijn de voorwaarden te scheppen voor hun ingenieurs om te kunnen falen. Vooral voor bedrijven met gevestigde markten is dat moeilijk. Nederlandse en Europese ondernemingen en ingenieurs lijken er meer moeite mee te hebben dan Amerikaanse. Maar het is de enige weg naar succesvolle innovatie.

Onderwijs voor Abdoel en Moestafa

In Technisch Weekblad on maandag, mei 10, 2004 at 20:00

Ik stap in de trein op Amsterdam CS. Omdat ik rustig wil werken aan een column over Europees technisch onderwijs heb ik een kaartje eerste klas gekocht. In de enige coupé met vrije plaatsen zitten twee jongens met donkere ogen en krullen waar zelfs mijn dochters jaloers op zouden zijn. Gouden kettingen en sportschoenen. Ze bieden mij spontaan een plaats aan bij het raam en vragen achteloos wat ik denk dat een kaartje naar Zwolle kost. Zwartrijders uit het oosten, denk ik, en een hoop gelazer. Weglopen zou laf zijn. Ik haal diep adem en controleer zo ongemerkt mogelijk de bagagerekken op onbeheerde rugzakken.

“Where are you from?” “Quo vadis.” Uit dit eeuwenoude gesprek tussen reizigers blijkt dat Moestafa op zijn tiende uit Koerdistan is gevlucht naar Eindhoven. Door problemen met de taal heeft hij het niet lang genoeg uitgehouden op school om een vak te leren. Zijn oudere broer Abdoel is nu op bezoek uit Liverpool. Abdoel vertelt trots dat hij zes talen spreekt: Turks, Koerdisch, uitstekend Engels, Arabisch, een beetje Grieks en sinds kort Spaans. Een vriendin, weet je wel. Tot zijn spijt heeft hij niet de diploma’s om zijn grootste wens te kunnen verwezenlijken, een baan in de olie-industrie in Kirkuk als de Irakezen daar verdreven zijn. Als oudste heeft Abdoel besloten dat het niet nodig is een kaartje te kopen om in de eerste klas naar Zwolle te reizen.
De tocht door Europa van deze twee Koerdische broers om te ontkomen aan de onderdrukking en een vak te leren doet me denken aan mijn betovergrootvader Jan Everhardus Prakke die in 1849 langs de Rijn trok om het looiersvak te leren. Bij aankomst in Basel werd hij onmiddellijk gearresteerd omdat hij een baard had en dit hem tot revolutionair bestempelde in de daar heersende burgertwisten. Basel had geen vluchtelingenbeleid en al helemaal geen integratiebeleid. Maar hij deed daar – na de aanvankelijke problemen met de gerechtelijke macht – wel genoeg vakkennis op om later in Nederland een succesvol leerlooier te worden. Het reizen om een vak te leren is vanaf de middeleeuwen misschien wel het meest wezenlijke kenmerk van de Europese cultuur. Vanuit allerlei provinciale uithoeken reisden jongelingen naar kenniscentra, zoals Montpellier voor medicijnen, Leiden voor de boekdrukkunst, Heidelberg voor de natuurwetenschappen, Basel voor de leerlooierij en Parijs voor de theologie. De kwaliteit kon worden afgemeten aan de reisafstand van de studenten.

Terwijl Moestafa en Abdoel afrekenden met de stoïcijnse NS conducteur – € 25 boete pp te voldoen per giro naar het huisadres – ging ik ze zien als dragers van de oer-Europese cultuur van reizen en leren. Als onderdrukten hebben ze weinig ontzag voor plaatselijke wet- en regelgeving, maar de honger naar kennis als basis voor een beter bestaan is eindeloos. In tegenstelling tot wat ik net drie dagen lang op een conferentie in Luik heb gehoord over de toekomst van het Europese hoger onderwijs, is dàt de uitdaging waaraan we moeten voldoen.

Het sectorplan technische universiteiten

In Technisch Weekblad on maandag, april 12, 2004 at 19:59

Om te komen tot ‘een taakverdeling op landelijk niveau’ tussen de drie TU’s van Delft, Eindhoven en Twente, heeft een regeringscommissie onder leiding van Loek Hermans, oud-Commissaris van de Koningin in Friesland, het Sectorplan (sic) Wetenschap en Technologie gelanceerd. Zijn de berichten over de afschaffing van de planeconomie in de rest van Europa nooit aangekomen in Leeuwarden?
Sectorplan? Bij het lezen van dat woord verwacht ik ook van Hermans te horen over volkscommissarissen, vijfjarenplannen, een nationale inspanning (in plaats van prestaties) en een extra laag apparatsjiks om die glorieuze toekomst af te dwingen. Maar in plaats van nog meer sovjetterminologie lees ik over een 3T Institute for Science and Technology, een 3T Graduate School en een 3T Innovation Lab. Nederengels. De drie collegevoorzitters zullen ‘doorzettingsmacht’ krijgen om knopen door te hakken bij de herprioritisering van onderzoek en kennisvalorisatie. Dat klinkt al weer meer als het vertrouwde, verhullende Hollandse ambtenarenjargon. En de nadruk van het Sectorplan op een Adviesraad met prominente vertegenwoordigers uit de marktsector en de nieuw aan te wijzen maatschappelijke stakeholders doen me weer geheel thuis voelen in de polder.

De planeconomische inslag van het rapport komt vervolgens geheel tot zijn recht in het blije versieren van de tekst met optimistische groeipercentages, met name over grootheden waarvoor enige marktcijfers of onderbouwing van de eigen concurrentiekracht ontbreken. De commissie Hermans verwacht na de invoering van het Sectorplan 20 % meer promoties per jaar, 20 % meer inkomsten van nationale en internationale onderzoeksfinanciers, 20 % meer contractresearch, 25 % meer patenten, 15 % meer studenten in de bêta-bacheloropleidingen, verhoging van het rendement van deze opleidingen naar 80 %, en 20 % meer studenten in de mastersopleidingen. Als ‘harde randvoorwaarde’ wordt gesteld dat € 200 miljoen extra steun wordt verkregen van overheid en bedrijfsleven. Aan deze manier van denken is ooit de Sovjet economie ten gronde gegaan.

Noch de cijfermatige onderbouwing van het Sectorplan, noch de besluitvaardigheid van de voorgestelde drieledige besluitvormingsstructuur boezemen veel vertrouwen in. De meest positieve reactie die we her en der tegenkomen is misschien wel dat er helemaal niets zal veranderen.

Ernstiger is dat de vragen waar het wèl om gaat door de planeconomische exercitie van Hermans niet worden gesteld. Namelijk, hoe kunnen de Nederlandse TU’s de beste studenten aantrekken, hoe kunnen de beste docenten en onderzoekers behouden blijven, en hoe kunnen de meest technologisch geavanceerde bedrijven geholpen worden? Daarvoor is allereerst nodig dat op al deze gebieden – de studenten, de docenten, de onderzoekers en industriële research – de kwaliteit van de output transparant wordt gemaakt. Daar zijn bewezen methoden voor. Omdat de uitvoering dan komt te liggen bij de kleinere geledingen van een universiteit zoals instituten en faculteiten, zijn grootschalige bureaucratische samenwerkingsvormen niet nodig. Eenvoudige afspraken tussen een innovatieve minister van Onderwijs en een moedig College van Bestuur zouden kunnen leiden tot de vereiste transparantere en effectievere kennismarkt. Dat is de ‘harde randvoorwaarde’ voor de versterking van de Nederlandse Technische Universiteiten.

De eeuw van een ingenieur

In Technisch Weekblad on zondag, maart 14, 2004 at 19:58

Het verhaal van mijn vader, die vorige maand kort na zijn 96ste verjaardag overleed, is ook het verhaal van de techniek in de twintigste eeuw. Zijn geboortejaar 1908 was het magische jaar van de eerste vlucht van de gebroeders Wright in Europa. In 1925, lang voordat hij Frits Prakke senior werd, melde hij zich met een fraaie eindlijst HBS-B in Delft om technische scheikunde te studeren. Dat was nuttig voor later in de leerlooierij van zijn vader.

Frits Prakke, DSC lustrum 1928

Frits Prakke, DSC lustrum 1928

Als student in Delft maakte hij kennis met de donkere kanten van de techniek. Uitbuiting van fabrieksarbeiders, werkloosheid en vervreemding door de moderne techniek hielden studenten bezig op een manier die we ons nu maar moeilijk kunnen voorstellen. Dit waren de thema’s van het Delftse lustrumspel in 1928, D.16M.M. Mijn vader gaf zich daar geheel aan over, samen met tijdgenoten als de schrijfster Henriëtte Roland Holst, in die jaren intellectueel bevriend met Leon Trotsky en geziene gast in Moskou. In 1929 kwam de crash op de aandelenbeurzen, de inleiding tot de Grote Depressie. Vanaf dat jaar lag in de ogen van mijn vader het enige doel van de techniek in het bouwen van fabrieken die kansen boden op werk en een menswaardig bestaan.

In 1932 kwam mijn vader met een doctoraat in de leerlooierij uit Darmstadt terug in Nederland. Maar zelfs in de fabriek van zijn vader was geen plaats. Een jaar lang zocht hij tevergeefs naar werk totdat zich een kans voordeed bij Philips in Eindhoven. In 2002 konden kleinkinderen die op straat kwamen te staan na in aanraking te zijn gekomen met de harde kant van de internet-economie bij hun grootvader op een sympathiek oor rekenen. Met een hoofd vol kennis kansloze sollicitaties aflopen was een wereld die hij kende.
In de jaren dertig beleefde mijn vader bij Philips de ingenieursdroom mee te werken aan de ontwikkeling en proeffabricage van radiobuizen, later televisiebuizen en radar. Duitse bommenwerpers die hij tijdens de Battle of Britain hoorde overvliegen richting Londen werden daar opgewacht door radarapparatuur waaraan hij had bijgedragen. In de herfst van 1945 vloog mijn vader in een DC3 van de regering naar New York om daar met General Electric te onderhandelen over patenten voor televisiebuizen. In 1947 hadden we thuis een TV apparaat om proefuitzendingen te ontvangen.

Frits Prakke Senior bezoekt een fabriek in Praag, 1968

In 1948 kreeg mijn vader van de AKU, voorloper van de Akzo, de opdracht een proeffabriek voor nylon textielvezels te bouwen in Arnhem, daarna fabrieken op volle schaal in Emmen en in 1957 in de VS. Dit was de naoorlogse industrialisatie, met werk voor allen.

Technische ontwikkeling geeft en neemt. De chroomleerlooierij van de familie Prakke, leidend in 1925, kon mijn vader als specialist in 1932 al geen werk meer bieden. Zijn meest creatieve jaren heeft hij gegeven aan de radiobuis, nu slechts een antiek curiosum. De fabrieken voor synthetische vezels die hij als ingenieur had gebouwd, eerst in Emmen en Breda, later ook in Spanje, Noord en Zuid Amerika en in India, werden tegen het einde van de eeuw speelbal van de opkomende globalisering. De ingenieur moest toezien hoe zijn fabrieken werden verkwanseld door winstbeluste economen, bankiers en juristen.

Tegen het einde van zijn leven keek hij bewonderend toe hoe, van Californië tot Kopenhagen en Eindhoven, liefst negen van zijn 18 kleinkinderen met passie werkten aan het digitale achterkleinkind van zijn radiobuizen, het internet. Maar hij miste de fabrieken.

A personal history of technology in the twentieth century – Frits Prakke Sr. (1908 – 2004)

In Technisch Weekblad on dinsdag, maart 9, 2004 at 20:10

The story of Frits Prakke, who died on January 4, 2004, shortly after his 96th birthday, is also the story of technology in the twentieth century. His birth year 1908 is a magical time. In Detroit Henry Ford produces the first model T Ford. In Leiden Kamerlingh-Onnes liquefies helium. The first rigid airship is launched by Graf Zeppelin. The brothers Wright introduce their airplane to cheering crowds in Paris. What a sight it must have been. In 1925, long before he became Frits Prakke Senior, he left Eibergen and the HBS-B high school in Winterswijk to study Chemistry at the Technical University in Delft. That seemed useful for later in the tannery of his father, Jan E. Prakke (1871-1938).

Frits Prakke, DSC lustrum 1928

Frits Prakke, DSC lustrum 1928

As a student in Delft his eyes were opened to the darker side of technological progress. Exploitation of factory workers, unemployment and alienation as a result of industrialization were on the minds of the students in Delft in a way that we can now hardly imagine. Yet these were the themes of the Delft University Lustrum theatrical production, D.16M.M in the year 1928. Frits Prakke was the producer of the play and joined wholeheartedly in the social critique with contemporaries as Henriëtte Roland Holst, playwright, poet and political activist. She was a good friend of Leon Trotsky and honoured guest in Moscow. (Later she would clash with Stalin and become a voice of Christian socialism.) 1929 was the year of the Wall Street crash, followed by the Great Depression. From that year on the only objective of technology in his eyes was the building of new factories that would provide employment and social improvement.

In December 1932 Frits Prakke came back home from the Universtiy of Darmstadt with a PhD in chemical technology. But even in the factory of his father and brothers Jan and Carel there was no work for him. For more than a year he was unemployed, finally ending up at Philips Electronics in Eindhoven. In the year 2002 a number of his grandchildren, who were out on the streets due to a downturn in the Internet economy, could always count on a sympathetic ear from their grandfather. He knew all about having a fistful of diploma’s, but unable to even get a job interview.

Later on in the1930’s Frits Prakke lived the engineer’s dream of working on the development and manufacturing of radio tubes, later radar and television. During the Battle of Britain in the fall of 1940 the German bombers that he heard flying over Eindhoven on their way to London were awaited over Dover by radar installations to which Philips had made an important contribution.

In the Fall of 1945 he was sent by government DC3 to New York to negotiate with General Electric to acquire patents for television technology for new Philips factories. In 1947 the Prakke home on the Boschdijk 588 had a television set to receive experimental broadcasts. That was five years before the public introduction of TV in the Netherlands.

Frits Prakke Senior

Frits Prakke Senior

In 1948 AKU, forerunner of the present Akzo-Nobel, asked Frits Prakke to develop an experimental factory for nylon fibers in Arnhem, followed by a full-fledged manufacturing plants in Emmen, and in 1957 in Asheville in the US. This was post war industrialization, with jobs for everybody.

Technology giveth and taketh away. The chrome leather tannery of the Prakkes, cutting edge in 1925, could not give him a job in 1933 despite his specialization. Frits Prakke gave his most creative years as an engineer to radio tube technology, now only an antique curiosity. The factories for synthetic fibres that he built, first in Emmen and Breda, later in Spain, North and South America and in India, had become fodder for the raging globalization at the end of the century. The engineer had to standby idly as his factories were squandered by profit maximizing economists, bankers and lawyers. Since the 1930’s he had become less political, but not less a moralist. He lectured his grandchildren that greed was not good.
Toward the end of his life he looked on with admiration as, from California to Copenhagen, Raleigh, Eindhoven and Amsterdam, no less than 9 of his 18 grandchildren worked with passion on the technology of the digital grandchild of the radio tube, the Internet. But he had lost his hart to his factories.
Frits Prakke (1946)

Adapted from his column in Technisch Weekblad, March 2004.

Het Innovatieplatform

In Technisch Weekblad on zondag, februari 15, 2004 at 19:57

De hete adem van Boris Dittrich blaast in de nek van de leden van het door premier Balkendende aangevoerde Innovatieplatform. Het gebrek aan innovatie is in Nederland zo schrijnend, dat op het hoogste politieke niveau een commissie is ingesteld, een Platform zelfs, om daar op duidelijke manier verandering in aan te brengen. De vraag is niet alleen of er wel tijdig resultaten te verwachten zijn, maar ook of de gekozen aanpak niet bij voorbaat enige verandering, laat staan verbetering, volstrekt uitsluit.

Een politieke benadering op het hoogste niveau betekent in ons polderland dat zoveel mogelijk van de partijen die de gevestigde, verankerde orde uitmaken, ook deel uitmaken van het Platform dat de opdracht heeft die orde te veranderen. Verankeraars zijn geen veranderaars. Bovendien zijn de leden van het Platform, veel hoogleraren die bestuurder zijn geworden en directeuren van R&D-intensieve bedrijven, bijna exclusief aanbieders van kennis en niet de afnemers. Ieder eerstejaarscollege innovatiemanagement begint met de empirische waarneming dat niet aanbieders maar afnemers de belangrijkste stimulans voor innovatie zijn. En dat geldt ook voor innovatie in het beleid voor een nieuwe kenniseconomie.

Om het belang van nieuw beleid voor de kenniseconomie duidelijk te maken werd, onder druk van D66 en na lang touwtrekken, de minister van Financiën een bedrag van € 800 miljoen voor het Innovatieplatform ontfutseld. Ik kan dat alleen maar toejuichen. Maar het jammerlijke gevolg is wel dat de discussie binnen het platform vervolgens niet meer over slimme structurele veranderingen gaat, maar over de verdeling van de pot met geld. Immers, de leden waren overwegend aanbieders van kennis. En dus vragers van geld. In tijden van bezuiniging, zoals nu in wetenschappelijk Nederland, betekent uitsluiting van nieuw geld in de praktijk zelfs een korting. Dat verscherpt de strijd.

Nu al komen er berichten naar buiten over verlammende, schijnbaar principiële discussies in het Platform over generieke versus specifieke subsidies voor innovatieprojecten, over picking winners en academische onafhankelijkheid. Maar als de geschiedenis van dit soort poldercommissies een les is – en de leden van het platform niet boven hun achterban uit weten te stijgen – zijn de principes niet meer dan een rookscherm om de status quo te beschermen. Één lid zet in op meer geld onder minder voorwaarden voor zijn eigen achterban. De anderen hebben dat al snel door, blokkeren het voorstel en maken er één voor zichzelf. Dat leidt speltechnisch tot het logische resultaat dat de € 800 miljoen precies volgens de bestaande verhoudingen wordt verdeeld.

Cruciale structurele vernieuwingen die weinig of geen geld kosten komen niet eens aan bod. We noemen als voorbeelden de invoering van concurrentie tussen studenten, een effectievere arbeidsmarkt voor onderzoekers, de radicale vermindering van de gelijkschakeling en bureaucratie in het hoger onderwijs, en de gezamenlijke stimulering van starters door grote bedrijven en universiteiten. Niemand aan tafel wordt daar financieel beter van. En bovendien, de tijd is op.

Boris Dittrich maakt zich met reden zorgen over de voortgang van het Innovatieplatform. Ik hoop dat de leden ervan zich ook zorgen maken over de innovatieve kwaliteit.

Unilateralisme in de ruimte

In Technisch Weekblad on zondag, januari 18, 2004 at 19:56

It’s the moon, stupid. Zijn we er toch weer ingeluisd. Hebben we ons de afgelopen week lopen opwinden over de stommiteit van de Amerikanen de komende dertig jaar al hun geld te steken in een tot teleurstellingen gedoemd project in 2030 een mens naar mars te sturen. Hadden we beter de kleine lettertjes van het marsinitiatief van Bush moeten lezen. Daarin staat dat de VS als eerst stap voor 2020 een permanent bemand ruimtestation op de maan gaan bouwen. Een bemande ruimtevlucht naar Mars is slechts een populistische verspilling van belastinggelden ver van ons bed. Een unilaterale Amerikaanse missie een bemand ruimtestation op de maan te vestigen, daarentegen, is een ernstige verstoring van het strategische en militaire evenwicht op aarde. Het is bovendien technologisch haalbaar.

Het marsinitiatief is niet geboren uit Oekeliaans enthousiasme voor de wetenschappelijke verkenning van de ruimte, maar uit de militair-strategische overwegingen van een groep haviken in Washington die reeds tijdens de regering van Reagan, onder leiding van de huidige minister van defensie Rumsfeld, de plannen maakten voor een ruimteschild tegen vijandige raketten, het Star Wars project. De huidige uitgaven daarvoor zijn reeds een tienvoud van alle wetenschappelijke ruimtevaartprogramma’s.

Ook economisch lijkt de maan interessanter dan mars. Reuters nieuwsdienst citeerde deze week een uitspraak van Gerald Kulcinski van het Fusion Technology Institute van de universiteit van Wisconsin, dat de aanwezigheid van de helium 3 isotoop op de maan een schier onuitputtelijke bron van energie voor de aarde kan zijn. Een ruimteveer zou per vlucht 30 ton van de maan kunnen ophalen, ter waarde van $120 miljard, genoeg voor de volledige jaarbehoefte aan elektriciteit in de VS. En ongetwijfeld genoeg om de Arabieren een toontje lager te laten zingen. Dat kan ik niet beoordelen.

Wat ik wel weet is dat het Pentagon verwacht de komende vijf jaar al $ 50 miljard te besteden aan een ruimteschild. Uiteindelijk zal dit schild niet alleen zijn uitgerust met sensoren, maar ook met antiraket wapens. Vorig jaar al heeft de Missile Defence Agency $ 14 gekregen voor onderzoek naar antiraket en antisatelliet systemen vanuit bewapende platforms. Dat blijken nu niet alleen satellieten te zijn, maar ook het station op de maan. Daarmee zou een einde komen aan vijftig jaar taboe op militarisering van de ruimte.

Het marsinitiatief van Bush moet dus gezien worden in het licht van een radicale ombuiging van bestaand Amerikaans beleid, onder andere de nog onder Clinton in 1996 vastgelegde regel dat “onderzoek en gebruik van de ruimte van en voor alle naties moest zijn, voor vreedzame doeleinden en ten bate van de gehele mensheid”. Het internationalisme van Clinton wordt ingeruild voor een tot de tanden gewapend unilateralisme. Het huidige internationale ruimtestation ISS, een unieke bijdrage aan vrede en veiligheid, wordt ingeruild voor een militaire vesting op de maan.