Frits Prakke

Archive for the ‘Technisch Weekblad’ Category

Professor Pim en de opstand van de witte jassen

In Technisch Weekblad on vrijdag, april 19, 2002 at 20:20

Met 17 tot 23 zetels in de komende Tweede Kamer, volgens de laatste voorspellingen, is politiek noviet Pim Fortuyn een interessant fenomeen. Hij heeft zichzelf de leider gemaakt van een opstand van boze blanke mannen. Karakteristiek aan zijn politieke positie is dat vier van de tien hoogste posities op zijn kandidatenlijst worden ingenomen door medisch specialisten. Hij is daarmee de aanvoerder van de strijd van de witte jassen tegen de grijze pakken.

Fortuyn wordt niet moe te verkondigen dat de problemen in de gezondheidszorg spoedig zouden verdwijnen als de echte deskundigen, de specialisten, niet langer zouden worden gefrustreerd in hun heilzame arbeid door de nieuw gecreëerde klasse van managers en adviseurs, dragers van driedelig grijs. Hetzelfde geldt voor andere probleemgebieden. Zijn oplossingen voor veiligheid, minder bureaufuncties bij de politie, en voor het onderwijs, minder adjunct-directeuren en meer leraren, zijn overeenkomstig. De indelingen van politicologen schieten tekort. Fortuyn is geen Haider of Le Pen. Hij is niet een traditionele populist, hij roept ook niet om een ‘sterke man’, maar hij roept om een ‘slimme man’, de oplosser van alle problemen op basis van technische deskundigheid.

De grootste overeenkomst is met het Amerikaanse politieke fenomeen Ross Perot, de computer goeroe die in 1992 zoveel stemmen afsnoepte van de Republikeinen dat de progressievere Clinton president kon worden. Perot pakte kiezers af van alle partijen, maar vooral boze blanke mannen. Zijn lijfspreuk was: “Look under the hood (de motorkap) and if it’s broke, fix it.” De maatschappij wordt vanuit dit politieke standpunt gereduceerd tot een mechanisch systeem. De mannen in witte jassen, in overalls, in blauwe uniformen met pet doen de nodige reparaties. Wellicht op muziek van de Village People?

Wat kunnen al die medische specialisten van Pim Fortuyn bijdragen aan de Nederlandse politiek? Hun politieke bevlogenheid lijkt vooral voort te vloeien uit de frustraties van werkervaring in grote ziekenhuizen. Deze kampen, zoals andere grootgegroeide moderne organisaties als universiteiten, research laboratoria en ambtelijke diensten, met fundamentele bestuurlijke problemen. Hun belangrijkst product is eigenlijk kennis en het probleem is falend kennismanagement bij steeds toenemende eisen. Wezenlijk nieuw in dit type organisaties, en wezenlijk anders dan in welbekende industriële en ambtelijke organisatievormen, is de noodzaak een balans te vinden tussen drie soorten invloeden op het te leveren werk: de invloed van de professionele discipline, van de hiërarchie, en van de markt, ofwel de klant. Vertaald naar ziekenhuizen zijn dit respectievelijk de witte jassen, de grijze pakken en de patiënten. Dominantie van één van de drie invloedsfactoren is een recept voor een ramp.

De analyse van succesvol kennismanagement als het balanceren van de factoren professionele deskundigheid, hiërarchie en markt kan ook worden uitgebreid naar succesvol bestuur van een moderne samenleving. Een politieke positie die zich eenzijdig verbindt met professionele deskundigheid ten koste van begrip voor factoren als bestuur en markt zal soms slim lijken, maar zelden effectief zijn. Gezondheidszorg, veiligheid en onderwijs kunnen niet zonder hoogwaardige technologie, maar het zijn geen mechanische systemen. Voor oplossingen is altijd meer nodig dan slimme mannen in witte jassen.

Duurzaamheid vraagt om gedurfd ontwerpen

In Technisch Weekblad on vrijdag, maart 22, 2002 at 20:17

Het duurzaamheiddebat zit in het slop. Beperkte maar duidelijke milieubescherming is als doelstelling vervangen door het veel bredere maar ook minder duidelijke begrip duurzaamheid. Deze maand heeft het kabinet alle Nederlanders gevraagd via internet deel te nemen aan een nationaal debat over duurzaamheid ter voorbereiding op een VN-top in Johannesburg in september. CNV-voorzitter Doekle Terpstra opende de deze cyberdiscussie met de stelling dat het fout is hoog opgeleide arbeidskrachten van buiten de EU te halen. Hans Bolscher, directeur van de stichting Max Havelaar, stelde daarnaast dat producten duurder moesten worden om de groei van de consumptie af te remmen. Het duurzaamheiddebat is een arena geworden voor de opvoering van deelbelangen. Is het doel de banen van CNV-leden te beschermen tegen ongeorganiseerde IT whizzkids uit Bangalore? Kan Max Havelaar koffie de concurrentie niet meer aan?

Die brede duurzaamheiddiscussie lijdt aan ver-economisering en ver-democratisering. Het eerste betekent subsidies voor wenselijk geachte producten zoals windenergie en heffingen op niet-wenselijke producten zoals kerosine. Dit voert in zijn complexiteit onvermijdelijk tot misstanden, zoals het door Hans Achterhuis gesignaleerde verstrekken van airmiles op groene stroom. De partiele analyses van de economie, zie ook de tolpoorten van minister Netelenbos, leiden vaak tot partiele oplossingen, onvoldoende effectief, onvoldoende geïntegreerd, en daarom oorzaak van veel onbegrip bij de burger.

De ver-democratisering van het duurzaamheiddebat betekent dat het ontwikkelen van nieuwe initiatieven afhankelijk wordt gesteld van de consensus. Alle partijen worden uitgenodigd deel te nemen. Het is dan niet verwonderlijk dat in de toch al verbrede discussie partijen ervoor kiezen eigen belangen voorop te stellen. Dit is positief als daar effectieve convenanten uit voortkomen, maar hoogst negatief als daardoor, zoals meestal, verdere noodzakelijke voortgang wordt geblokkeerd.

Uiteraard mag uiteindelijk de economische analyse nooit ontbreken en mag het democratisch proces niet verwaarloosd worden, maar wat schort aan het duurzaamheiddebat is de invalshoek van ontwerpen. Gedurfde plannen, technologisch innovatief en ambitieus, zijn nodig om de politieke belangstelling voor de verbetering van het milieu nieuw leven in te blazen. Deze plannen zijn nodig op gebieden als transport, de landbouw, meervoudig ruimtegebruik, onderwijs en gezondheid.

Het plan voor de inpoldering van de Zuiderzee was nooit tot stand gekomen als gevolg van democratisch overleg tussen boeren en vissers. Geen enkele vorm van subsidie of heffing, al of niet op basis van een kostenbaten analyse, zou hiertoe hebben geleid. Hetzelfde kan gezegd worden voor de Tennessee Valley Authority in de Verenigde Staten of de Nederlandse AOW. Voorwaarde was in al deze gevallen de bereidheid van politici zich te laten inspireren door een ontwerp en eigen verantwoordelijkheid te nemen. Er werd niet gewacht op de werking van de markt of op het bereiken van een consensus tussen alle betrokken partijen.

Duurzaamheid stelt ons een groot aantal uitdagingen die wachten op een oplossing in de vorm van een innovatief ontwerp. Goede ontwerpen moeten het startpunt zijn van de discussie over duurzaamheid. Dat is ook de beste kans die we hebben om de noodzakelijke discussie nieuw leven in te blazen. Discussies over uitdagende ontwerpen genereren meer draagvlak dan discussies over economische analyse en democratische procedures. Onze regering vraagt ons via internet mee te praten op de site http://www.nsdodebat.nl. Laat dat niet alleen praten maar vooral ook ontwerpen zijn.

Ondernemingsgroei, innovatie en slapeloze nachten

In Technisch Weekblad on vrijdag, februari 22, 2002 at 20:16

Waarom groeit juist dat ene bedrijf snel, terwijl de meeste anderen achterblijven? Na het optrekken van de wolken van de crash van de Interneteconomie is die vraag voor velen opnieuw relevant. Als toch niet alles afhangt van het voorspiegelen van een actieve e-commerce strategie, wil de afstuderende ingenieur weten waar dan wel zijn beste kansen liggen. Gaat hij werken in een expanderend bedrijf met volop kansen voor een mooie carrière, of voor een bedrijf dat slechts inkrimpingen te wachten staat. Ook de aandeelhouder die zijn portefeuille overweegt stelt die vraag. Groeiende ondernemingen bieden de beste kans op koersstijgingen op de langere termijn.

Drie gangbare theorieën verklaren de groei van bedrijven. De traditionele verklaring is dat bedrijven groeien om schaalvoordelen uit te buiten, zowel in de technologie als in de marketing. Die groei gaat door totdat de optimale grootte bereikt is, geen verdere winstgevende investeringen mogelijk zijn, of de bureaucratisering ten gevolge van de omvang van het bedrijf tot verstarring leidt. Een modernere verklaring is de levenscyclustheorie. De groei is afhankelijk van de fase waarin het bedrijf verkeert. De eerste fase van een bedrijf wordt gekenmerkt door ondernemerschap, de tweede fase door volwassenheid en de derde door verval. Tenslotte wordt de groei van een bedrijf ook vaak afhankelijk gesteld van de core competencies, het opgebouwde vermogen om voordelen te behalen op de concurrenten op gebieden zoals productinnovatie, productietechniek of marketing.

Ieder van deze verklaringen lijkt op het eerste gezicht aannemelijk en ze worden dan ook dikwijls aangevoerd door ondernemers bij de onderbouwing van strategische beslissingen zoals reorganisaties, fusies en overnames. Kunnen deze factoren werkelijk de groei bepalen of zijn het modieuze pogingen om beursanalisten naar de mond te praten? Om dit te toetsen heeft Paul Geroski van de London School of Economics empirisch onderzoek gedaan naar de werkelijke patronen van groei van grote aantallen bedrijven. Zijn conclusie is dat de groeipatronen niet in overeenstemming zijn te brengen met één van de drie theorieën, maar slechts gekenmerkt worden door onregelmatigheid en onvoorspelbaarheid. In statistische termen heet dat een “random walk”.

Een patroon dat Paul Geroski wel vindt is dat zeer jonge bedrijven sneller groeien. Maar de omvang van bedrijven tendeert niet naar bepaalde waarden, ook niet binnen dezelfde bedrijfstak. Bovendien correleert de groei van een bedrijf slechts in zeer beperkt mate met de groei van de algehele economie of zelfs van de eigen bedrijfstak. Recessies treffen de groei van slechts een kleine minderheid van de bedrijven.

Het antwoord op toenemende concurrentie is innovatie, maar in plaats van een continue proces treft Geroski een patroon aan van sporadische tussensprints. Innovatie in bedrijven lijkt niet een planmatige, reguliere activiteit, maar een reactie op sporadische crises in de concurrentiepositie. Een van mijn Amerikaanse leermeesters poneerde ooit de stelling dat ondernemers die niet de ervaring hebben gehad van een slapeloze nacht over het niet kunnen uitbetalen van de lonen aan het einde van de maand, niet in staat zijn tot echte innovaties.

Het zou kunnen zijn dat ondernemers ondeugdelijke theorieën verkondigen om strategische beslissingen te verdedigen tegenover de beursanalisten, maar in de praktijk wel degelijk over het inzicht van de praktijkman beschikken om de juiste koers te volgen. Het tegendeel blijkt. KPMG Consultancy maakte deze week in de Financial Times een onderzoek bekend dat het ergste doet vrezen. De meerderheid van de 500 grootste overnames uit de jaren negentig, zo blijkt, heeft de aandeelhouders geen winst opgeleverd. Tweederde van deze overnames wordt op het ogenblik weer teruggedraaid.

We concluderen dat de strategische analyses die ondernemers doorgaans aanbieden op de financiële pagina’s van de kranten om het groeipotentieel van hun bedrijven aan te prijzen ondeugdelijk zijn. Van werkelijk belang is noch schaalgrootte, noch verjonging, noch vermeende core competencies. Van belang is het vermogen tot een Toynbee-achtige, innovatieve reactie op uitdagingen in de markt. Het beleven van slapeloze nachten. Voor de jonge sollicitant of voor de potentiële aandeelhouder is het een niet geringe opgaaf om daar een oordeel over te vormen.

Is 700 miljoen voor de JSF effectief technologiebeleid?

In Technisch Weekblad on vrijdag, januari 25, 2002 at 20:13

Het grootste succes in de geschiedenis van technologiebeleid zijn de contracten die het Amerikaanse ministerie van defensie einde jaren veertig gaf aan opkomende micro-elektronica bedrijven en aan de vliegtuigbouwers voor de ontwikkeling van nieuwe technologieën die toen nog in hun kinderschoenen stonden. Het resultaat was de langdurige dominantie van Amerikaanse bedrijven in de computerindustrie en de vliegtuigindustrie. Commerciële toepassingen lagen toen direct in het verlengde van militaire innovaties.

Vijftig jaar later zijn militaire en civiele technologie geheel uit elkaar gegroeid. Het Star Wars ruimteschild waarin president Bush honderden miljarden dollars wil investeren en de Joint Strike Fighter (JSF), waaraan de Nederlandse belastingbetaler deze week wordt uitgenodigd 700 miljoen Euro mee te betalen, zijn te specialistisch militair om tot commerciële spin-off te leiden.
In de publieke discussie over de Nederlandse bijdrage aan de ontwikkeling van de JSF ontbreekt overigens iedere reflectie op het nut van een nieuwe generatie straaljagers in de nieuwe internationale verhoudingen. Waar zit die vijand die op het punt staat een jager te ontwikkelen die een bedreiging vormt voor de huidige F16’s? De kranten melden slechts dat de Nederlandse luchtmachtgeneraals “allang een groot voorstander” zijn van de JSF. Toys for the boys dus. Dit lijkt me nauwelijks een reden om een aanschaf te doen van de omvang van de Betuwelijn of de nieuwe HSL spoorlijnen, namelijk 6 miljard Euro. Het moderne veiligheidsbeleid vraagt technologisch niet om een nieuwe generatie straaljagers, maar, lijkt me, om onbemande vliegtuigen, detectie, communicatie en identificatiesystemen.

De mythe van het succesvolle Amerikaanse aanschaffingsbeleid in de jaren veertig en vijftig bepaalt ten onrechte vijftig jaar later de politieke discussie over de aanschaf van de JSF. Die discussie gaat over het bevoordelen van de Amerikaanse versus de Franse (de Rafale) of Duitse en Engelse vliegtuigindustrie (de Eurofighter). De Nederlandse organisaties van werkgevers en werknemers kiezen samen met de luchtmachtgeneraals voor verouderde concepten. Voor de goede orde wordt de keuze voor de JSF door politici ook gepresenteerd als versterking van onze kenniseconomie. Dat toont vooral aan hoe flexibel dat modieuze begrip is, nuttig voor iedereen die subsidies zoekt. Als we willen investeren in kennis zou dat toch vooral nieuwe kennis moeten zijn waarvan in de toekomst brede toepassingen verwacht kunnen worden. Dat was het geval met micro-elektronica en straalvliegtuigen in de jaren veertig. Dat geldt nu niet voor de JSF. Dit soort militaire technologie zal niet of nauwelijks leiden tot nieuwe civiele toepassingen.

Van de 700 miljoen euro R&D kosten die Nederland nu dreigt te gaan bijdragen aan de JSF komt ongeveer 450 miljoen van Defensie en 250 miljoen van Economische Zaken. Dat is een relatief zeer grote extra impuls voor het Nederlandse technologiebeleid. De vorm, innovatie stimulering door aanschaffingsbeleid, is uitstekend. Maar de geselecteerde technologie is zowel militair als economisch achterhaald. Het extra geld dreigt slechts tot extra verspilling te leiden. Alternatieve bestedingsmogelijkheden zijn veel aantrekkelijker. Waarom investeren we als klein land niet in goedkope onbemande vliegtuigen zoals de Israëli’s? Nederlandse bedrijven zouden financiering van deze omvang ook goed kunnen gebruiken om zich technologisch een goede positie te verwerven op gebieden als detectie, communicatie en identificatie, allemaal belangrijke gebieden voor de nabije toekomst, zowel militair als civiel.

Het jaar 2002, opnieuw beginnen

In Technisch Weekblad on donderdag, december 20, 2001 at 20:36

Het jaar 2001 heeft hardhandig een eind gemaakt aan drie belangrijke en breed gekoesterde trends. De Internet ballon, het geloof dat in weerwil van aloude economische wetmatigheden, iedere investering in ICT grote winsten zou opleveren, werd in 2001 na jaren van onwaarachtige koerswinsten definitief doorgeprikt. Op 11 september kwam een einde aan het groeiende gevoel van veiligheid en militaire onaantastbaarheid. Dit gevoel, dat zijn oorsprong had in de ontrafeling van het Oostblok in 1989 en gekenmerkt werd door de discussies over het einde van de ideologie, kwam tot een abrupt einde toen een kleine groep fundamentalisten uit het Midden Oosten er in slaagde om een aanslag te plegen op Manhattan en het Pentagon die zelfs Pearl Harbor overtrof.

Ten derde lijkt 2001 ook het einde te zijn van de trend naar globalisering, althans in de vorm van de brede politieke steun voor het afbreken van alle handelsbelemmeringen en voor privatisering. De praktijk blijkt harder dan de leer. Naarmate de WTO handelsverdragen zich uitbreiden worden de belangen van de Franse en Amerikaanse boeren hardnekkiger beschermd. De fusie tussen ‘gelijken’, Chrysler en Daimler-Benz, loopt vast. In de Raad van Bestuur in Stuttgart wordt vanaf midden 2001 gewoon weer Duits gesproken. Swissair ontloopt een welverdiend faillissement door kapitaalinjecties van de Zwitserse farmaceutische industrie (sic!) en de regering. Eerdere privatiseringen van elektriciteitsbedrijven, gezondheidszorg en spoorwegen blijken in bijna alle landen vaker meer dan minder problemen op te leveren.

Het vastlopen van drie belangrijke, langlopende trends, ieder met duidelijke technologische, economische en sociale componenten, maakt van het jaar 2002 een belangrijk keerpunt. Niet de zelfgenoegzaamheid van een fin de siècle, maar de bereidheid opnieuw fundamentele doelstellingen en ambities te formuleren is in 2002 vereist. Dat geldt voor zowel ingenieurs als voor ondernemers en politici.

Het nieuwe jaar belooft veel voor de ontwikkeling van de Internet economie. Schaarser kapitaal zal betekenen dat alleen weldoordachte innovaties een kans krijgen. Het jaar 2001 was slechts de noodzakelijke shakeout, analoog aan ervaringen in de vorige eeuw met spoorwegen en auto’s, waarna de technologische ontwikkeling voort kan gaan. De Nederlandse arbeidsbureaus kunnen getuigen dat een groot aantal ICT-ers beschikbaar is om daar tegen veel lager lonen dan voorheen aan mee te werken. Nu nog de ondernemers die meer willen dan snel rijk worden.

De lessen van 11 september lijken nog niet doorgedrongen tot de Amerikaanse defensie technologen. Juist in 2001 zijn honderden miljarden dollars gereserveerd voor systemen die wat betreft strategisch denken uit de tijd van de Koude Oorlog stammen, het ‘Star Wars’ ruimteschild en de JSF straaljager. Ook Nederland is bereid aan de JSF mee te doen. Het lijkt wel heimwee naar de Korea oorlog. Iedere niet-militair kan zien dat de moderne oorlog in technologische zin wordt gevoerd met Stanley-messen, veiligheidspoorten, computers en onbemande vliegtuigen. Dat zijn ook gebieden waar de Nederlandse industrie een grotere bijdrage kan leveren.

Tenslotte moeten we in 2002 de afstand verminderen tussen de theorie en de praktijk van globalisering, zowel wereldwijd als in de Europese Unie. Een goed begin is de analyse van de Harvard econoom Michael Porter, die onlangs in de Ridderzaal in Den Haag Nederlands beleidsmakers voorhield dat het fundament van concurrentiekracht en welvaart ligt in de ontwikkeling van nationale innovatienetwerken. Dat ligt voor ieder land verschillend. Think globally, act locally. Technologisch betekent dit dat innovatie, bijvoorbeeld op het gebied van voedingsmiddelen of milieu, een eigen Nederlandse richting mag kiezen. Politiek is dat minder simpel dan het gevoerde beleid van globalisering en vulgaire privatisering van de laatste vier regeringsperioden. Maar 2002 is het jaar dat we de veranderde tijden, de nieuwe eeuw, onder ogen moeten zien.

Wat kan Microsoft doen voor de Nederlandse scholen?

In Technisch Weekblad on donderdag, november 22, 2001 at 20:34

Laat het aan de Amerikaanse rechters over om met een creatieve oplossing te komen om maatschappelijk onrecht te bestrijden. Jarenlang heeft het softwareconcern Microsoft misbruik gemaakt van zijn technologische machtspositie om concurrenten te gronde te richten en miljoenen klanten te hoge prijzen te berekenen. Drie jaar heeft de rechtszaak geduurd. Even dreigde de opsplitsing van de onderneming op last van de rechter, zoals lang geleden Rockefeller’s Standard Oil Company in drieën werd gehakt. Maar onder de nieuwe regering Bush wordt machtsmisbruik minder hard aangerekend. Er is nu gekozen voor een schikking die inhoudt dat Microsoft 2.5 miljard dollar moet schenken aan een goed doel. Over de krakkemikkige architectuur en de eindeloze bugs die de Windows programma’s u en mij jarenlang ergernis hebben bezorgd wordt dan kennelijk niet meer gepraat. Microsoft komt er genadig van af.

Het creatieve is nu dat al dat geld geschonken zal voor computeronderwijs in 12000 van de armste scholen in de Verenigde Staten. Zou het ook niet aardig zijn als de Europese vitaminefabrikanten, die deze week werden veroordeeld tot boetes van meer dan een miljard gulden voor monopolistische prijsopdrijving, opdracht zouden krijgen dat bedrag te besteden aan medische zorg voor de allerarmsten in plaats van een storting in de kas van de Europese Commissie? Dit soort rechtspraak levert een interessante integratie op van strafvervolging en slachtofferhulp.

Het moet duidelijk zijn dat Microsoft zich in Nederland niet minder dan op haar thuismarkt Amerika schuldig heeft gemaakt aan machtsmisbruik en het berekenen van te hoge prijzen. Het valt ook niet te ontkennen dat de Nederlandse scholen grote behoefte hebben aan middelen om het computeronderwijs te verbeteren. Het lijkt me dat onze minister van Justitie ten spoedigste een gesprek zal moeten hebben met Bill Gates. Uitgangspunt bij dat gesprek moet zijn dat Nederlandse scholen naar rato van het vonnis in Amerika ondersteuning krijgen van Microsoft bij hun computeronderwijs. Een vlotte rekensom brengt me op f 400.000 ieder voor 800 Nederlandse achterstandscholen.

De echte uitdaging ligt dan in de effectieve besteding van het geld. Laten alle didactici, ICT-deskundigen, schoolhoofden en onderwijzers daar eens over nadenken. De conclusie is waarschijnlijk dat we pas aan het eerste begin staan van een onderwijsrevolutie waarvan niemand nog de consequenties kan voorzien. Ook lijkt het dat computeronderwijs dat type innovatie is dat in hoge mate afhankelijk is van de gebruikers. Een volledig volgens de laatste eisen ingericht computer lokaal betekent niets. Alle onderwijzers zes maanden op cursus sturen is zinloos. Er bestaat nog geen gevestigde best practice die in cursussen kan worden overgedragen.

M.I.T.’s Eric von Hippel (Sloan Management Review, zomer 2001) pleit in een dergelijk geval van door gebruikers gedreven innovatie voor User Communities, gemeenschappen van gebruikers van een nieuwe technologie. Misschien is dat de oplossing. Geef de scholen de middelen om naar eigen behoefte en inzicht te experimenteren en te leren, maar zorg dat ze een gemeenschap vormen waarin intensieve toetsing en uitwisseling van ervaring plaatsvindt.
Dicteer geen computerlokalen en lesmethoden van bovenaf. Dit is wellicht ook een hoognodige discussie en een nuttige conclusie als het gesprek van onze minister van Justitie met Bill Gates mislukt.

CNN en de wet van de Concorde

In Technisch Weekblad on donderdag, oktober 25, 2001 at 20:33

In 1957 reisde ik met de Ms Nieuwe Amsterdam van de terminal van de Holland Amerika Lijn in Rotterdam naar New York. De reis van 8 dagen is een dierbare en rijke jeugdherinnering. Vijf jaar later waren de H.A.L. diensten naar New York vervangen door straalvliegtuigen die er slechts 8 uur over deden en ook nog veel goedkoper waren. De DC9 en later de Boeing 747 waren een revolutionair succes. Hier leek sprake te zijn van een duidelijk technologisch traject: steeds sneller intercontinentaal personenvervoer voor de massa dankzij steeds krachtiger straalmotoren. Nog weer tien jaar later kwam de Concorde die in slechts enkele uren naar New York vloog. Maar dertig jaar later is de Concorde nog steeds niet meer dan een speeltje voor de allerrijksten, een curiositeit op kosten van de Franse en Britse belasting betalers. Technologische trajecten zijn niet eindeloos. De technologische oplossingen in de ene richting schept nieuwe problemen in een andere, in dit geval geluidsoverlast, parkeerproblemen en beveiliging. Noem het de wet van de Concorde.

Een vergelijkbare dynamiek is er op het gebied van de snelle nieuwsgaring. Sinds de uitvinding van de fotografie zien we de beelden van gebeurtenissen rond de wereld steeds sneller en overvloediger bij ons thuis gebracht. Het allernieuwste is de Talking Head, een video satelliet telefoon ter grootte van een vette laptop PC (5 kilo) die het de verslaggever mogelijk maakt vanuit de bergen in en rond Afghanistan via Inmarsat beelden rechtstreeks naar onze huiskamers te brengen. Het apparaat deed zijn intree met de berichtgeving van de arrestatie van Pinochet in Chili op 27 april vorig jaar. Het kost slechts $ 16.000 en wereldwijd worden er nu al ongeveer 200 gebruikt, vooral door CNN en de BBC. De Talking Head past in de ontwikkeling steeds meer nieuws, vanaf de locatie, snel en zonder nadere redactie, in de huiskamer te brengen. Dit geldt voor de verslaggeving over oorlogen, maar ook over het koningshuis of over de ontslagen bij KPN. Snelle, directe en continue beelden vormen het journalistiek ideaal.

De vroege fotografie in de Amerikaanse Burgeroorlog en de vroege film in Eerste Wereldoorlog waren veel directer en beter in staat de gruwelen van oorlogsvoering in beeld te brengen dan daarvoor de olieverf schilderijen van Admiraal Nelson en Napoleon. Toch zou het duren tot de Vietnam oorlog voordat beeldrapportages zodanig waren dat de oorlogsvoering zelf erdoor werd beïnvloed. De algemene opinie is dat de Vietnam oorlog werd bekort door de onmogelijkheid de gruwelen die dagelijks op de TV werden getoond nog langer te verkopen aan de Amerikaanse burgers als een rechtvaardige oorlog. De vraag is nu wat de invloed zal zijn van het laatst product van dit technologische traject, de Talking Head.

De ‘live’ nieuwsrapportages uit Islamabad, Noord-Afghanistan en Kaboel interesseren me steeds minder. Laat de verslaggever niet rapporteren vanaf het regenachtige Binnenhof, de hekken voor Paleis Noordeinde of het Witte Huis, maar – lekker uit de wind en met tijd voor reflectie – vanuit een studio. Zeker over de oorlog in Afghanistan loont het steeds minder om de onrustige Talking Head beelden te bekijken, en steeds meer om één keer per dag een of twee artikelen in een goede krant te lezen. De voortgang van de techniek in de richting van steeds meer directe beelden vanaf locatie is zichzelf voorbijgelopen. Er is nu zoveel beeld beschikbaar dat de knelpunten anders zijn komen te liggen. De wet van de Concorde is ook van toepassing op de snelle nieuwsgaring.

De kanteling van het Ministerie van EZ

In Technisch Weekblad on donderdag, september 27, 2001 at 20:30

De ondernemer in de file op weg naar zijn werk wordt sinds kort dagelijks getrakteerd op een reclamespotje van het Ministerie van Economische Zaken (EZ) met het aanbod een gratis nummer te bellen voor advies over het invoeren van computertechnologie in zijn bedrijf. Want, “Nederland gaat digitaal”. Dit wordt geïllustreerd met een dialoogje tussen managers van een bedrijf over een order uit 1994 die nog op behandeling ligt te wachten. De boodschap lijkt te zijn dat ondernemers onnozel zijn, maar dat dankzij remedial teacher minister Jorritsma alles nog goed kan komen. Mijn gevoel bij dit spotje is dat tussen de in gang gezette, nog onvoltooide heroriëntatie van het ministerie en de wezenloze humor van een reclamebureau iets goed fout is gegaan.

Ooit was EZ onder leiding van Winsemius Sr. en Kohnstamm het ministerie van de succesvolle naoorlogse herindustrialisatie. Maar economische tijden veranderden, zodat vanaf de jaren zeventig het ministerie werd gedwongen in de rol van regisseur van bedrijfstakgewijze herstructurering. Lubbers bedacht daarvoor het mooie eufemisme “selectieve groei”. Bedrijven in nood konden aankloppen voor financiële steun in ruil voor een stukje zelfstandigheid. Die rol van regisseur van het bedrijfsleven is nooit erg succesvol geweest. De meest spectaculaire missers waren de bemoeienis van de overheid met de kolengravers van het RSV concern en met de overname van Fokker door DASA. Overheidsfalen, oordeelden economen. Dit soort steun aan individuele bedrijven is tegenwoordig nagenoeg uitgesloten, niet alleen door nieuwe economische inzichten, maar ook door internationale verdragen. EZ werd steeds meer het ministerie van risicoloze, generieke technologiesubsidies. Niet langer als regisseur, maar als onbegrepen hoofdonderwijzer bleef het ministerie ondernemers er op wijzen dat ze minder besteedden aan R&D dan goed voor ze was.

De economische tijden zijn alweer veranderd. Zodanig zelfs dat in Den Haag, eerst in proefballonnetjes en nu ook in door het kabinet gepubliceerde beleidsverkenningen, gesproken wordt over een algehele heroriëntatie op de rol van de ministeries. Het Financieele Dagblad van 19 september heeft het in een lezenswaardige achtergrondanalyse bij de miljoenennota over de “kanteling van de overheid”. Dit kan de inhoudelijke basis vormen voor een derde paars kabinet. De nieuwe economische tijden zijn er de oorzaak van dat alle aanbiedermarkten veranderen in vragermarkten. De klant met vrije keuze dwingt vanzelf verbetering van kwaliteit af. Dit geldt ook voor sectoren zoals het hoger onderwijs en de gezondheidszorg. Daarom moet ook de overheid zich klantgericht organiseren. Dat is revolutionair. De echte klant van het ministerie van Landbouw is niet de boer maar de voedselconsument. De klant van het ministerie van Onderwijs is niet de universiteit maar de student.

Economische Zaken moet zich in deze visie niet langer opstellen als aanlegsteiger voor bedrijven, maar als voorvechter van de klanten van bedrijven door het bevorderen van concurrentie in alle sectoren van de economie. Voormalig minister Winsemius pleit voor deze nieuwe rol in een recent rapport in het kader van de heroriëntatie van het ministerie. Als zijn adviezen niet worden opgevat als een voortzetting van kale privatisering – zoals te vaak is voorgekomen in de afgelopen periode – maar als een oproep tot actief marktmeesterschap, betekent dit een belangrijke strategische rol voor EZ in de toekomst. De rol van actieve marktmeester is realistischer dan die van regisseur en interessanter dan die van hoofdonderwijzer of remedial teacher. Volgens sommigen is dit zodanig in strijd met gevestigde politieke en bureaucratische tradities, dat het gedoemd is te mislukken. Mij lijkt het dat er geen andere weg is. Maar luisterend naar de radiospotjes van het ministerie bekruipt me soms de twijfel.

De NS draagt een hoge hoed

In Technisch Weekblad on dinsdag, maart 27, 2001 at 20:38

Cees LePair, een zeldzame intellectuele ingenieur en columnist van Technisch Weekblad, nu in ruste, heeft zich ooit de gram van velen op de hals gehaald met zijn observatievermogen. Hij stelde namelijk vast, dat de spoorlijn Amersfoort-Utrecht, die vlak bij zijn huis liep, zoveel minder werd benut dan een gemiddelde provinciale weg, laat staan de A28. Al die kostbare infrastructuur lag daar maar onbenut. De NS stuurde hoogstens eens per tien minuten een trein langs. Voor het overgrote deel van de dag was het spoor een speelplaats voor de mussen. De conclusie van Cees was snel gemaakt: het spoor netjes asfalteren en openstellen voor het autoverkeer, dat nu nog even verderop in alsmaar langere files stond. Nooit heeft een column Technisch Weekblad meer boze brieven opgeleverd.

Het asfalteren van de Nederlandse spoorlijnen zou niet mijn keus zijn, maar de observatie dat hier sprake is van een groteske onderbenutting van de technische mogelijkheden deel ik. De kern is dat de spoorwegen een negentiende eeuwse technologie zijn, gefixeerd op staal, grootschaligheid en onwrikbare dienstroosters. Moderne technologische paradigma’s zoals flexibiliteit, klantgerichtheid en kleinschaligheid zijn bij de Nederlandse Spoorwegen niet te bekennen. Bekend is dat de treinenloop nog steeds bepaald wordt door het feit dat een trein in 1880 een remweg had van 1.5 km. Dit bepaalt nog steeds de afstand tussen seinpalen en dus tussen opeenvolgende treinen. De starheid die hier het gevolg van is laat zich rekenen. De mussen bij het huis van Cees LePair zijn er blij mee, maar iedere moderne logistieke ingenieur zal daar zijn vraagtekens bij zetten.

De fixatie van de spoorwegtechnologie op de negentiende eeuw vertaalt zich in de verhoudingen tussen de directie van de NS en de werknemers. Als de Hoofddirecteur van de NS in maart op het televisienieuws komt uitleggen dat zijn dienstrooster voor juni 2001 onwrikbaar is, kan ik niet helpen een hoge hoed op zijn hoofd te zien. Deze manager is niet van deze eeuw. De starre technologie van de spoorwegen heeft zich vertaald in een starre organisatiecultuur. Strategy follows structure. Het management heeft zich aangepast aan de structuur van de techniek.

We moeten met zijn allen de NS de 21ste eeuw binnen trekken. Maar hoe? Dat zal niet gebeuren door Minister Netelenbos uit China terug te halen om de NS directie te ontslaan. Engeland en de VS hebben aangetoond dat gedachteloze privatisering van de spoorwegen ook niet werkt. Mijn voorstel is om in de geest van Cees LePair, maar dan anders, moderne technische alternatieven aan te dragen voor de benutting van de Nederlandse spoorinfrastructuur, spoorlijnen èn stations. Moderne technologie leidt dan vanzelf tot modern management.

De uitgangspunten zijn duidelijk: klantgerichte logistiek (leren van UPS en Ahold), kleinschaligheid, lichtgewicht rubber en kunststof ipv staal, ICT, flexibiliteit, en milieuvriendelijkheid. TUD hoogleraar Joseph Evers geeft het goede voorbeeld. Hij heeft aangetoond dat logistieke oplossingen, in de vorm van intelligente geleiding van robotvoertuigen en flexibele terminals, de Betuwelijn – symbool van verouderde techniek – overbodig maken. Mijn idee zou zijn lange treinen om het halve uur te vervangen door korte, naar behoefte schakelbare, lichtgewicht wagonettes om de plusminus vijf minuten. Rubberen banden in plaats van staal op staal. Integreer personen en vrachtverkeer. Verban zonodig het economisch marginale zware transport naar de binnenvaart. Vervang op tijd rijden met behulp van tracing en tracking door regelmatig rijden. Gebruik het principe van overcapaciteit. Machinisten en wagonettes wachten op de passagiers, niet andersom.

Het zijn maar enkele spontane ideeën, maar de oplossingsrichting is duidelijk. Laat 100.000 ingenieurs die Technisch Weekblad lezen en die niet van de negentiende eeuw zijn, hier hun eigen oplossingen aan toevoegen. Ik wacht dat met spanning af.

Hoera, het internet feest is voorbij

In Technisch Weekblad on dinsdag, januari 30, 2001 at 20:39

Opgelucht neem ik kennis van het groeiend aantal Internet faillissementen. Prima dat de beurswaarde van honderden van die dotcom bedrijven nu tot tien procent of minder van het hoogste punt is gedaald. Amazon.com, relatief voorbeeld van degelijkheid en goed management in e-commerce, bericht deze week dat 1300 werknemers, 15 % van het totaal, zal worden ontslagen. LetsBuyIt, de Internet hoop van Europa is failliet. De Nederlandse bijdrage aan de hype, Maurice de Hond’s Newconomy, met ruim kapitaal maar zonder eigen technologie, trekt de consequenties en heft zichzelf op. Juist.

Een jaar lang waren dotcom bedrijven zonder winst en zelfs zonder omzet de prima donna’s van de aandelenbeurs. Het was als een rit op de achtbaan waarbij het keerpunt maar steeds uitbleef. Heerlijk dat gevoel van gewichtsloosheid, giebeligheid alom, maar na enig tijd toch verontrustend. Steeds meer geld werd geïnvesteerd in steeds slechtere kansen.

Na de tulpenbollen in onze gouden eeuw en de spoorwegballon honderd jaar geleden was dit nu een echte technologieballon. De omvang van die ballon valt precies te berekenen op 1.7 triljoen dollar, te weten de gezamenlijke daling in waarde sinds maart 2000 van de 280 belangrijkste beursgenoteerde Internetbedrijven. Moeilijk te begrijpen voor de gemiddelde belastingbetaler, maar voor een gezonde economie is teveel geld evenzeer een probleem als te weinig geld. Een ballon van 1.7 triljoen dollar is dan een zeer groot probleem. Iedere verstandige ondernemer weet heel goed wat te doen met een 20 % hoger investeringsbudget. Maar als het budget 2000 % procent hoger is dan het voorgaande jaar, is de kans op een goede investering veel kleiner.

Als burgers van een calvinistisch land mogen we ons misschien ergeren aan het spektakel van in hun geld zwelgende Internet ondernemertjes. Voor de economie, ook voor de nieuwe economie, is het veel schadelijker dat speculatieve beurskoersen leiden tot speculatieve investeringsblunders. Dat is de ontucht van de kapitaalsmarkt. Het probleem wordt verergerd doordat speculerende investeerders tegen elkaar op gaan bieden voor schaarse middelen zoals informatica ingenieurs en etherfrequenties.. Het lijkt me niet overdreven te stellen dat een degelijk en technologisch innovatief bedrijf als Baan in Prevelt kapot is gegaan aan zijn eigen koersstijging. De eerste kwartaalwinst van Baan sinds tijden viel onlangs samen met het doorprikken van de internetballon.

De geschiedenis levert vele voorbeelden van het ontstaan van radicale technologisch innovaties, zoals de spoorwegen, elektriciteit en de auto, gevolgd door een golf van investeringen in nieuwe bedrijven, gevolgd door blunders, en tenslotte faillissementen. Economen noemen dat de onvermijdelijke shakeout. Even heeft het erop geleken dat het verontrustende gevoel van gewichtsloosheid eindeloos zou voortduren. Maar 2001 is het jaar van de Internet shakeout geworden. De mislukkingen zijn de voorwaarde voor het slagen van de volgende generatie Internetondernemers. Inmiddels schrijdt de ontwikkeling van ICT en de introductie in de samenleving gewoon voort. Henry Ford was al meerdere keren failliet gegaan voordat zijn Ford Motor Company eindelijk succes had. Er is dus nog hoop, ook voor Maurice de Hond.