Frits Prakke

Archive for the ‘Technisch Weekblad’ Category

Bewondering

In Technisch Weekblad on maandag, maart 3, 2003 at 20:57

Wat gaat er eigenlijk nog goed in de wereld? Ook al gaat dat direct in tegen een aantal van onze diepste intellectuele instincten, soms is het goed daar even bij stil te staan. Wie bewonderen we nog? Dan bedoel ik niet het platte lijstje van FORBES met miljardairs of van QUOTE met de 500 rijkste individuen van Nederland en hoe ze wonen. Het gaat me om een langdurige bijdrage aan de economische, sociale en technische ontwikkeling. In de moderne samenleving spelen grote ondernemingen daarbij een centrale rol. Daarvan weten we vrij goed wie de grootste zijn en wie de meeste winst maken, van jaar tot jaar en van kwartaal tot kwartaal.

Maar voor bewondering is meer nodig dan de beurskoers, de omzet of de winst. De afgelopen jaren hebben ons geleerd dat de financiële waardering van ondernemingen niet alleen conjunctureel sterke schommelingen vertonen, maar soms zelfs ronduit onbetrouwbaar zijn. In Nederland is gebleken dat de titel “Ondernemer van het jaar” wat al te trendgevoelig was en vaak in korte tijd in het tegendeel verkeerde.

Veel interessanter vind ik de lijst van “50 meest bewonderde” ondernemingen in de wereld die FORTUNE deze week publiceerde. Daarin worden de 345 grootste beursgenoteerde ondernemingen in de wereld beoordeeld op negen criteria: kwaliteit van het management; kwaliteit van de producten en diensten; innovatie; lange termijn investeringswaarde; financiële betrouwbaarheid; vermogen om talent aan te trekken en te behouden; verantwoordelijkheid tegenover de gemeenschap en het milieu; verstandig gebruik van middelen; en de kwaliteit van de mondiale strategie.

De beoordelingen op de negen criteria zijn gegeven door 10.000 managers over de gehele wereld, waarvan iets meer dan de helft in de Verenigde Staten. Iedereen wordt gevraagd de andere bedrijven in zijn eigen bedrijfstak cijfers te geven op een schaal van 1 tot 10. Uit de onderzoekspraktijk blijkt dat deze methode betrouwbare en consistente uitslagen oplevert. De gemiddelde manager kent zijn concurrenten goed en is bereid daar een eerlijk oordeel over te geven.

In 2003 is General Electric na vier jaar vervangen als meest bewonderde onderneming door Wal-Mart, het detailhandelconcern uit Arkansas. Sterren binnen de eigen bedrijfstak zijn Procter & Gamble (8.54 gemiddeld) en, dit jaar voor het eerst bovenaan, BASF (chemie), Skanska (constructie), Brittish Petroleum en Texas Instruments. Het diepst gevallen zijn Enron (1.25) en Kmart (1.77). Het aandeel van Europese en Aziatische bedrijven op de lijst van 50 meest bewonderde ondernemingen is dit jaar gestegen. Nokia en Nestle voeren negen Europese ondernemingen aan. Toyota staat boven BMW en Volkswagen, die op hun beurt makkelijk General Motors en Ford verslaan. Koninklijke Shell en Unilever staan op de lijst maar lang niet als hoogste binnen hun bedrijfstak. Onze andere Nederlandse multinationals vallen er helemaal buiten. Nederland Kennisland betekende toch dat we bij de besten wilden horen? Het mooie van bewonderen is dat het je leert je eigen doelen hoog te stellen.

Rekeningrijden redux

In Technisch Weekblad on zondag, februari 2, 2003 at 21:00

De restauratie na de revolutie van Pim Fortuyn nadert zijn voltooiing. Het rekening rijden, in mijn ogen een van de meest emotionele echecs van Paars II – weet u nog – is deze week weer op de politieke agenda geplaatst. Rekeningrijden betekende in ieders auto een van staatswege geplaatst kastje om belasting te heffen. En ter registratie op alle toegangswegen tot de grote steden grote poorten met videocamera’s. In het laatste jaar van de regering Kok II groeide dit uit tot hét symbool van technocratische knechting van de burger.
In de laatste voorstellen, vlak voor het onzalig einde van Paars II, kwam er een idioot toefje van de polderdemocratie op deze taart. Om de lieve vrede te bewaren schrapte het kabinet de extra heffingen tijdens spitsuren in de Randstad. Minister Netelenbos zag daarmee af van de oorspronkelijke doelstellingen om het systeem toch maar te kunnen doorvoeren.

Ondertussen wordt het probleem van verstikkende files rond de grote Nederlandse steden steeds erger. Een artikel in Technisch Weekblad van 17 januari over de registratie, voorspelling en melding van files rond Helsinki door middel van mobieltjes brengt me op een idee. Mobiele telefoons zenden een code uit op het moment dat ze van zendgebied (de cel) wisselen. Dit wordt centraal geregistreerd door de telefoonmaatschappij, onder andere om de kosten van gesprekken in rekening te kunnen brengen. De centrale computer weet welk mobieltje zich waar en op welk moment bevindt. Aldus kunnen files worden voorspeld en via de gsm gemeld. Dat is voor automobilisten een interessante nieuwe dienstverlening.

Mijn voorstel is het Helsinki systeem in Nederland in te voeren en uit te breiden tot een flexibel en klantvriendelijk stelsel van rekeningrijden. Het is een nieuwe manier van belasting heffen, maar ook een nieuwe dienst. De computer registreert met zeer grote nauwkeurigheid en betrouwbaarheid rijden, te hard rijden en parkeren. Betaald parkeren in de stad kan rechtstreeks via het betalen van de maandelijkse rekening van de telefoonmaatschappij, zonder tussenkomst van fraudegevoelige parkeerautomaten. Hetzelfde geldt voor snelheidovertredingen en rijden in de spitsuren rond de steden. Primitieve en kwaadaardige technieken als wielklemmen en flitspalen worden afgeschaft. Nooit meer wegenbelasting op stilstaande auto’s.

Het rijden in de spits kan in dit plan met grote doelgerichtheid en flexibiliteit afgerekend worden via de telefoonrekening. Grote investeringen in nieuwe technologische systemen zijn niet nodig. De koppeling van een aantal bestaande computersystemen is voldoende. De gsm aanbieders kunnen hun zeer grote overcapaciteit beter benutten. De rijkswegenbelasting lift mee op en versterkt het bestaande innovatietraject van steeds betere en goedkopere mobiele telefonie, GPS en mobiele betaalsystemen.
Mijn systeem is vooral buitengewoon flexibel vergeleken met de oude voorstellen van Netelenbos, zowel in de handhaving als in de invoering. De privacy kan beter worden beschermd. Buitenlandse toeristen kunnen bij benzinestations een code krijgen of een gsm apparaat lenen. Telecommunicatie ingenieurs vertellen me dat auto’s die hun gsm uitzetten met simpele apparatuur door iedere agent herkend en beboet kunnen worden. Geleidelijke invoering is mogelijk omdat de investeringen laag zijn. Waarschijnlijk is mijn systeem te eenvoudig om ooit gerealiseerd te worden.

Van subsidies naar prijzen

In Technisch Weekblad on maandag, januari 6, 2003 at 20:58

Een nieuw jaar, en nieuwe verkiezingen zelfs. Ik kijk naar de lijsttrekkersdebatten. Waarom hoor ik zo weinig nieuwe geluiden? De deconfiture van de Nieuwe Politiek dreigt uit te monden in een wederopstanding van de Oude Politiek in zijn meest verstarde vorm. Primitieve belangenbehartiging dreigt op allerlei gebieden te verzanden in de aloude patstellingen. De mislukte Revolutie wordt gevolgd door de Reactie, zoals Napoleon in 1813 werd gevolgd door het Congres van Wenen.

De Nieuwe Politiek betekende ooit het bestrijden van het gevoel van machteloosheid van de burger tegenover de overheid en al haar instanties. Dat kan door het vergroten van zijn zeggenschap. De overheid dient er te zijn voor de burger en wordt daarop afgerekend. De politieke partijen moeten naar de kiezers luisteren en zich niet door deelbelangen laten inpalmen. Daaruit volgen enkele logische consequenties. De Minister van Onderwijs moet er zijn voor de studenten, niet voor de schooldirecteuren. Economische Zaken moet er zijn voor de klanten en niet voor de industriëlen. Landbouw moet er zijn voor consumenten en niet voor de boeren.

Misschien had ik de Nieuwe Politiek wel niet goed begrepen. De lijsttrekkersdebatten lijken alleen maar te gaan over nieuwe smoelen en oude, in patstellingen beknelde abstracties: veiligheid, beperking van migratie, de kosten van de gezondheidszorg en bezuinigingen. Durf en visie verliezen het van angst en cynisme.

Het enige toekomstgerichte idee in de eerste week van de verkiezingscampagne kwam van Thom de Graaf van D66. Hij wil een sterke financiële impuls geven aan de kwaliteit van het onderwijs en aan innovatie in Nederland. Dat is prima. Maar ook daar is het gevaar dat de Oude Politiek zich stort op de hieruit volgende subsidiepotten zonder de bestaande verstarring te verbreken.

Nieuwe Politiek, al of niet met steun van de LPF of een knipoog van boven van Pim Fortuijn, zou moeten betekenen dat studenten zelf kwaliteit kunnen kiezen. Op het brede gebied van onderwijs- en toponderzoek moeten subsidies zoveel mogelijk worden vervangen door concurrentie. Privatisering is niet nodig, maar wel het invoeren op vele gebieden van mechanismen voor het belonen van prestaties. Voorbeelden volop in het buitenland.

Studenten kiezen universiteiten. Universiteiten kiezen studenten. De studietoelage, een subsidie op student zijn, moet worden vervangen door een beurs, een beloning voor een prestatie. Keuzevrijheid vereist grote transparantie. Een goede Masters- of AIO -opleiding neemt geen genoegen met een diploma, maar eist van inkomende studenten een positie in de top 20% van de Bachelorsfase. De goede student kiest een micro-elektronica opleiding alleen als deze in internationale vergelijkingen zeer hoog scoort. De alom gewenste vermindering van de versnippering van technische topopleidingen moet door concurrentie tot stand komen, niet middels aanwijzing door een commissie. Dat zou de Nieuwe Politiek kunnen zijn op het gebied van kennis. Wouter Bos staat sterker als lijsttrekker dan Ad Melkert omdat hij niet is aangewezen, maar in open concurrentie een verkiezing onder de leden van de PvdA heeft gewonnen.

Na decennia van verwaarlozing is meer geld belangrijk, maar de vervanging van subsidies door in concurrentie verworven “prijzen” is nog belangrijker. In alle openbaarheid wedijveren en uitblinken is sinds de middeleeuwen de essentie van universiteiten. Le Roy Ladurie laat dat zien in zijn schitterende biografie van de medici Platter (1499 – 1628). Aan Nederlandse universiteiten wordt dit soort wedijver nu nog stelselmatig vermeden.

President Nixon would be very unhappy

In Technisch Weekblad on zondag, december 8, 2002 at 20:33

Maandagochtend 9 december sprak Lester Thurow, gevierd hoogleraar economie en management van het Massachusetts Institute of Technology, in de Ridderzaal in Den Haag de jaarlijkse Innovation Lecture uit voor een gezelschap van industriëlen en hoge beleidsmakers. Zeg maar, de ridders van het Nederlandse innovatiebeleid. Op aangeven van het Nederlandse Ministerie van Economische Zaken hield hij een inspirerend betoog over het overbruggen van de kloof in innovatie tussen Nederland en Amerika: “bridging the gap”.

Al luisterend moest ik denken aan mijn eerste ontmoeting met Lester Thurow, decennia geleden, tevens mijn eerste academisch conflict. Hij was de jongste hoogleraar aan MIT’s Sloan School, met een gevreesde, scherpe tong, econoom met zijn eigen televisierubriek op Boston’s Channel 2. Thurow stond nog laag op de academische ladder, maar ik stond op de allerlaagste trede. Ik moest, pas afgestudeerd in Nederland, een paper verdedigen om toegang te krijgen tot het PhD programma. Thurow zat in de toelatingscommissie.

Mijn paper ging over exportbevordering. Ik presenteerde het met enige trots, want dit was toevallig in Nederland mijn afstudeeronderwerp geweest. Thurow veegde het met dédain van tafel. Zijn staccato commentaar was: teveel verwijzingen naar niet relevante auteurs, teveel boekenkast, teveel dilemma’s, geen harde keuzes voor beleidsmakers en dus waardeloos. “President Nixon would be very unhappy with this.” Welkom in de USA, dacht ik.

Het conflict was uiteindelijk een zeer waardevolle les in het verschil tussen de wetenschapsopvattingen tussen Europa en de Verenigde Staten, dat, los van bevestigende uitzonderingen, algemeen geldt in vakgebieden zoals management, economie, psychologie, en wellicht ook technologie. In brede lijnen zijn de Europeanen meer geïnteresseerd in uitvoerige probleemanalyses en Amerikanen in uitgewerkte oplossingen. Smalend zeggen de Amerikanen van Europese werkstukken dat ze teveel op input en te weinig op output zijn georiënteerd. Harry Truman deed ooit een verzoek om een econoom met slechts één hand, omdat hij nooit meer wilde horen over enerzijds en anderzijds. De Europese wetenschapper op een internationaal congres wordt wanhopig om na zijn referenties aan Max Weber en Stuart Mills van Amerikaanse toehoorders in de zaal de vraag te krijgen hoe lang deze mensen eigenlijk al dood zijn.

De Amerikaanse manier van wetenschapsbeoefening heeft overigens sterke parallellen in de Amerikaanse manier van management en het beleidsdenken. Filosofisch heet dat de school van het pragmatisme, al dekt dit niet de hele lading. Uiteindelijk heb ik daar grote waardering voor gekregen, zonder mijn eerste liefde ooit op te geven, noch mijn gelijk in dat eerste conflict. Verschillen in kwaliteit tussen individuele wetenschappers zijn vaak belangrijker dan hun herkomst. Als wetenschap vooral een middel moet zijn om het maatschappelijk debat verder te brengen, dan is het vaak beter om scherpe conclusies en acties met elkaar te confronteren dan probleemanalyses uit te wisselen. Van een mislukte actie valt meer te leren dan van gebrek aan actie. Dat laatste wil nog wel eens het gevolg zijn van een teveel aan analyse en twijfel. De Innovation Lecture van Thurow maandag in de Ridderzaal heeft daar zeker niet aan geleden. Dat leidt gemakkelijk tot conflict. Maar juist van conflict kan je leren.

Mystificatie of management van kennis?

In Technisch Weekblad on maandag, november 11, 2002 at 20:31

Over kennis en kennismanagement wordt meer gepraat dan er aan gedaan wordt. In Nederland is serieus onderzoek naar het verbeteren van het management van kennis al helemaal zeldzaam. Zelfs wordt met het gebruik van het woord kennis vaak bewust gestreefd naar mystificatie, om gemakkelijker status of financiele middelen te verwerven. Kennis wordt dan gedefinieerd als: wat kennisinstellingen doen. “Science is what scientists do” en niet ingewijde buitenstaanders moeten zich van een oordeel onthouden. Universiteiten en onderzoekinstituten die zich daarmee willen onttrekken aan een beoordeling van hun output houden dat graag zo. Dat geldt ook voor kennisbedrijven als automatiseerders en consultants. Dat is jammer, want door de mystificatie van kennis worden kansen gemist de kwaliteit van die organisaties te verbeteren.

Alle wetenschap en technologie lobbies in Nederland zijn gevallen over het ontbreken van enige verwijzingen naar het belang van kennis en van de kenniseconomie in in het Strategisch Akkoord van het kabinet Balkenende. Maar veel belangrijker dan een politiek correcte ode aan kennis lijkt me de concrete verbetering van het management van kennis in het steeds groter wordende aantal bedrijven dat daarvan afhankelijk is.

Voor een beter management van kennis is het allereerst van belang in te zien dat kennis niet statisch is. Het gaat niet om een voorraad waar je naar believen uit kunt putten of aan kunt toevoegen. Kennis verschilt afhankelijk van de technologische en strategische positie waarin een bedrijf zich bevindt. Ervaringen met kennismanagement bij Shell kunnen niet zo maar worden toegepast bij een automatiseringsbedrijf of aan een universiteit. Julian Birkinshaw en Tony Sheehan benadrukken in hun onderzoek aan de London Business School voorts dat kennis aan een levenscyclus is onderworpen.

Gedurende vijf jaar hebben zij kennismanagement praktijken onderzocht (MIT Sloan Management Review, herfst 2002) bij grote kennisbedrijven zoals Citibank, McKinsey & Company, KPMG en Pink Elephant. De fasen in de levenscyclus zijn Creatie, Mobilisatie, Diffusie en Commoditisatie. Iedere fase eist een aparte inzet van verschillende organisatorische methoden zoals informele kennissystemen, IT systemen, selectie van personeel en beheer van externe relaties zoals strategisch allianties. De economisch succesvolle organisaties onderscheiden zich door een betere beheersing van de informatiestromen die kenmerkend zijn voor een specifieke fase.

Dit vereist een zodanige specialisatie in de organisatie, dat het niet een van de door Birkinshaw en Sheehan onderzochte ondernemingen lukte in meer dan twee fasen tegelijk succesvol te zijn. Bedrijven in de fase Creatie, zoals een ontwerpbureau, moeten zich toespitsen op de vroegtijdige externe toetsing van ideeen en het uitwisselen van ervaring met vooraanstaande gebruikers. Bedrijven in de fase Commoditisatie zoals automatiseerder Pink Elephant moeten veel investeren in het onderhouden en standaardiseren van de zeer grote interne databanken.

In Nederlandse kennisorganisaties, hoe beroerd ook de resultaten, gebeurt er naar mijn waarneming weinig aan het doelgerichte management van kennis. De mystificatie van het begrip verergert die situatie. Het onderzoekmodel van de London Business School zal misschien niet altijd toepasbaar zijn, maar zal door de focus op output in vele gevallen een aanzet kunnen zijn tot reflectie en actie.

Informatica onderwijs en de business

In Technisch Weekblad on dinsdag, oktober 15, 2002 at 20:29

Wat is de kwaliteit van de Nederlandse informatica ingenieur? Het harde antwoord dat ik ooit in 1994 kreeg van de technisch directeur van een vooraanstaande computerfabriek was: “HBO-informatici zijn theoretisch zeer goed onderlegd, maar minder geschikt voor functies waar het aankomt op de ontwikkeling van nieuwe producten of waarin contact met de klant van belang is. Voor die business functies kiezen wij bijna altijd Amerikaanse of Ierse ingenieurs, in ieder geval geen Nederlandse. Informatici afgestudeerd aan de Nederlandse technische universiteiten komen voor ons helemaal niet in aanmerking. Die zijn door hun studie alleen nog maar geïnteresseerd in theoretische problemen.” Dat antwoord kwam pijnlijk overeen met mijn eigen waarneming tijdens een eerdere visitatie van informatica faculteiten: te geïsoleerd, te weinig interesse voor nieuwe markten en voor sociale vaardigheden.

In september 2002 heeft een visitatiecommissie van universitaire opleidingen informatica onder voorzitterschap van de Duitse informatica hoogleraar Gregor Engels zijn conclusies gepresenteerd. Ik lees daarin dat deze opleidingen, ondanks de hoge studentenaantallen en gebrek aan geld en personeel, redelijk tot goed presteren.

Daarna wordt het interessanter. De commissie stelt vast dat door de inbedding van de meeste informatica opleidingen in traditionele brede bètafaculteiten met wiskunde, scheikunde, biologie en natuurkunde, lijdend aan dalende aantallen studenten, de toegenomen financiële ruimte voor onderzoek ten gevolge van meer studenten informatica niet ten goede is gekomen aan informatica onderzoek, maar is weggevloeid naar traditionele bèta onderzoekprogramma’s. Uitzonderingen zijn de universiteiten waar informatica een relatief autonome positie is gegund, de Universiteit Twente en de Technische Universiteit Eindhoven. Daar worden tevens de hoogste visitatie scores gehaald. Traditie blijkt soms een last.

Ook stelt de commissie Engels dat door de aanzienlijke porties wiskunde de studierendementen laag zijn en dat er beter moet worden ingespeeld op marktontwikkelingen. Jammer genoeg legt Engels niet de link met de erbarmelijke staat van de IT sector in Nederland. Er lijkt weinig veranderd te zijn sinds mijn gesprek met de computerfabrikant in 1994.

Grote Nederlandse automatiseringsbedrijven hadden altijd al de reputatie van weinig innovatieve body shoppers, veredelde uitzendbureaus. Ondanks pogingen een imago van high tech en oplossinggerichtheid te projecteren werden ze in feite rijk van risicoloze arbeidsbemiddeling. Na meegelift te zijn op de ballon van Nieuwe Economie van 1998 – 2000 zijn ze nu door de mand gevallen. Hun beursnoteringen zijn gereduceerd tot procenten van wat ze ooit waren. Ze concurreren slechts nog in het afstoten van medewerkers. Het gebrek aan productinnovatie en ondernemerschap, kortom aan business vaardigheden, dat het kenmerk was van de Nederlandse informatica opleidingen, blijkt nu in de neergaande conjunctuur ook het grote manco te zijn van de gehele IT bedrijfstak.

Is dit een vruchteloos kip en ei probleem? Zijn de informatica opleidingen niet op innovatie en op de markt gericht omdat de IT bedrijfstak daar niet om vraagt? Of leidt de bedrijfstak aan een gebrek aan zelfscheppend vermogen en ondernemerschap omdat deze vaardigheden en attitudes niet aan bod komen in het onderwijs? Deze vraag zou het uitgangspunt kunnen zijn van een volgende visitatiecommissie, maar dan een voor zowel de ondernemingen als de opleidingen in de IT sector.

Een kwart eeuw crisis in het hoger onderwijs

In Technisch Weekblad on maandag, september 16, 2002 at 20:27

De miljoenennota van deze week belooft weinig goeds voor het hoger onderwijs in Nederland. In de plaats van de door de verenigde universiteiten gehoopte impuls van 500 miljoen euro in de “kenniseconomie”, wacht er een nieuwe bezuiniging van 143 miljoen. Met uitzondering van het tweede paarse kabinet duurt dit proces van continue bezuiniging en de daar mee gepaard gaande verpaupering al meer dan een kwart eeuw.

Begin jaren zeventig werd op het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen al gesproken over het failliet van het Nederlandse systeem van hoger onderwijs. Het ooit voor exclusief onderwijs aan een elite ontworpen systeem faalde hopeloos in vergelijking met het buitenland waar het ging om te voldoen aan de steeds hogere eisen van stijgende aantallen studenten en de behoefte aan hoogopgeleiden op de arbeidsmarkt. Ik herinner me als de dag van gisteren een afstudeerplechtigheid in Delft met vijftig trotse nieuwbakken ingenieurs. De gemiddelde studieduur was meer dan twaalf jaar.

Na meer dan een kwart eeuw herstructurering, studieduurverkorting en bezuinigingen, meldt de krant deze week dat meer dan de helft van de afgestudeerden – aan de universiteit van Amsterdam zelfs tweederde – de voorgeschreven studieduur met meer dan 50 % overschrijdt. Nederland loopt internationaal nog steeds achter in het percentage 21-jarigen dat hoger onderwijs volgt. Waarschijnlijk zijn er nergens zoveel nog-niet-afgestudeerde 27-jarige studenten. Opvallend zijn de relatief gunstige prestaties van de kleinere en jongere universiteiten zoals in Maastricht, Tilburg en Eindhoven.

In Nederland wordt steeds het Amerikaanse hoger onderwijs, met name de topuniversiteiten zoals Harvard en Chicago, ten voorbeeld gehouden. Maar de bestuurlijke ingrepen lijken te stammen uit de voormalige Sovjet Unie. De kenmerken zijn grootschaligheid, centralisatie, gelijkschakeling en het aansturen op input in plaats van op output. De toegenomen bemoeienis van het ministerie heeft geleid tot een steeds uitdijende, nieuwe klasse van universitaire bestuurders, apparatsjiks, die nodig zijn om de regelgeving te vertalen. De gevolgen zijn verminderde aandacht voor de hoofdtaken zoals goed onderwijs en goed onderzoek, de perfide werking van wereldvreemde bureaucratische prikkels, en soms zelfs regelrechte fraude.

Het onvermogen van de Nederlandse overheid de unaniem gewenste verbeteringen in het hoger onderwijs door te voeren lijkt op het nationale onvermogen op het gebied van de gezondheidszorg en de WAO. Het gaat steeds om een snel en langdurig groeiend beroep van burgers op diensten die deels publiek, deels privaat zijn. Ook in andere landen zijn dit vaak probleemgebieden die niet zelden tot natte voeten of zelfs een dijkdoorbraak leiden. Maar in Nederland verworden ze tot een moeras, een situatie die iedereen verfoeit, maar waarin we met zijn allen gevangen zitten.

Er is behoefte aan goed doordachte, soms zelfs radicale veranderingsstrategieën die recht doen aan zowel de publieke als de private belangen. Voor het hoger onderwijs betekent dat in ieder geval veel grotere zelfstandigheid, concurrentie, en kleinschaligheid. Vouchers voor studenten, flexibilisering van arbeidscontracten en eigen kapitaal (endowments) kunnen daar een belangrijke rol bij spelen. Een kwart eeuw lang is de boodschap van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen geweest: minder geld en meer regels. De nieuwe regering, die een geheel nieuwe politiek ambieert, zal hopelijk in ieder geval die fout niet weer maken.

Vliegende microrobots als alternatief

In Technisch Weekblad on maandag, juli 29, 2002 at 20:25

Door alle schandalen op de aandelenbeurzen en de voortdurende stroom van berichten deze zomer over de schade die aangericht is door de kale hebzucht heb ik even zin in iets echt helemaal anders. Geld maakt meer kapot dan je lief is, vooral als het heel erg veel geld is. De nieuwe economie heeft door gebrek aan maat het Internet kapot gemaakt, althans voorlopig. Er is toch iets mis als het kenmerk van een geslaagde ondernemer is, dat hij, of zij, net op tijd aandelen of opties heeft verzilverd voordat deze ook op de aandelenbeurs waardeloos bleken te zijn. Nee, nu iets helemaal anders.

Een aantal ontwerpers in de Verenigde Staten heeft zich laten inspireren door de natuur. Een team van informatici, biologen en werktuigbouwkundigen aan de Universiteit van California, Berkeley, probeert door een analyse van de vlucht van insecten en kolibries te komen tot een werkend ontwerp van uiterst kleine, vliegende robots. Een opdracht om jaloers op te zijn.

De gewone huisvlieg is technologisch een wonder. Hij is in staat zijn eigen gewicht te heffen en is wendbaarder dan enig straaljager. De vlieg wordt niet gehinderd door een gescheurde vleugel. Een landing op het plafond levert zoals bekend geen problemen op. Voortbeweging door klapwiekende vleugels is op deze schaal aërodynamisch verre superieur aan voortbeweging door propellers. De simpele fruitvlieg klapt zijn vleugels 200 keer per seconde, waarbij iedere klap uit drie onderscheiden bewegingen bestaat.

De ornithopter van Berkeley, ook wel entomopter genoemd, heeft vleugels van roestvrij staal die onder een microscoop gevormd moeten worden. Het gewicht bedraagt minder dan een tiende van dat van een cent. Berkeley heeft een vijfjarig contract voor $ 2.5 miljoen met DARPA, het Defense Advanced Research Projects Agency van het Pentagon. De militaire toepassingen zijn evident. Gebruik bij milieurampen of bij expedities naar Mars wordt ook voorzien.

DARPA financiert ook concurrerende ontwerpgroepen met ieder een geheel eigen aanpak aan de Universiteit van Toronto en het Georgia Institute of Technology. Slechts de ornithopter van Toronto is tot heden in staat gebleken echt te vliegen, maar deze groep staat nu voor de taak het gewicht te reduceren van een pond tot enkele grammen. Aan het einde van de looptijd van vijf jaar zal moeten blijken welke van de door DARPA gecontracteerde ontwerpgroepen de meest vooruitgang heeft gemaakt en als eerste in aanmerking komt voor vervolgopdrachten.

Is dit Amerikaanse onderzoek naar vliegende microrobots een voorbeeld voor het technologiebeleid in Nederland en Europa? De Europese Commissie heeft in juni 700 miljoen Euro beschikbaar gesteld voor nanotechnologie voor de komende vier jaar. Dit lijkt echter gericht op materialenonderzoek eerder dan op ontwerp. Naar Europees gebruik worden samenwerkingsverbanden tussen universiteiten en bedrijven beloond in plaats van ontwerpprestaties, input in plaats van output.

Misschien zou in Nederland een klein deel van de begroting van 650 miljoen Euro voor de ontwikkeling van de Joint Strike Fighter, treurig voorbeeld van meer-van-het-zelfde, kunnen worden gereserveerd voor werkelijk alternatieve technologische benaderingen zoals ornithopters. Of laten we over de zomer als gezelschapspel andere voorbeelden van alternatieve technologie bedenken die passen bij de Nederlandse schaal. Dat leidt tenminste af van alle droeve berichten van Wall Street en het Damrak.

Een staatssecretaris voor ICT?

In Technisch Weekblad on maandag, juni 17, 2002 at 20:23

Bij de formatiebesprekingen tussen de beoogde nieuwe regeringspartijen is de LPF gekomen met het voorstel voor een staatssecretaris voor ICT beleid. Deze zou moeten ressorteren onder het ministerie van Verkeer en Waterstaat, met de opdracht vooral de regie te voeren over ICT-infrastructuren. De nieuwe staatssecretaris zou zich volgens de LPF vooral met de techniek moeten bemoeien, niet met de toepassingen.

Is dit een voorbeeld van de bestuurlijke vernieuwing waarop iedereen zit te wachten? Op het eerste oog komt het over als het opnieuw onder overheidscontrole brengen van een bedrijfstak waarin door de laatste drie kabinetten juist hard gewerkt is aan deregulering en privatisering. Dat werk is nog onvoltooid.

Het beeld doemt op van een nieuw kabinet waarin de minister van Verkeer vooral een minister van asfalt wordt, met daaronder een staatssecretaris van glasvezelkabels. Wordt dat een taak voor Maurice de Hond, die nog steeds pleit voor een door de overheid gesubsidieerd nationaal glasvezelnet? Inmiddels is door overmoedige investeringen in infrastructuur in de hoogtijdagen van de Nieuwe Economie een reusachtige overcapaciteit aan glasvezelkabels ontstaan. Links en rechts dreigen faillissementen. Zie KPNQwest.

Of betekent het woordje regie dat, evenals onder het vroegere industriebeleid, falende producenten overeind worden gehouden met geld van belastingbetalers en met concurrentiebeperkende regelgeving? Pim Fortuyn, die ik ooit heb leren kennen als een scherpzinnig industrieel econoom, zou dit soort regie zeker verwerpen. In de laatste jaren van Paars II is eindelijk het besef gegroeid dat in het kader van de bestuurlijke vernieuwing ministeries zoals Landbouw, Verkeer en Waterstaat en Economische Zaken niet langer gefixeerd moeten zijn op de belangen van producenten, maar op de belangen van de burgers. Laten we positief zijn en zeggen dat dit allemaal valkuilen zijn waarvoor de nieuwe staatssecretaris voor ICT zich moet hoeden.

Voor een strategische analyse van technologische ontwikkelingen is het vaak nuttig innovatief aanbod en innovatieve vraag te vergelijken. Als we naar ICT kijken valt op dat het aanbod van nieuwe techniek overvloedig, goedkoop en breed is. De vraag blijft daarbij achter. Dat is tevens de verklaring van de huidige economische crisis in de sector. Consumenten, bedrijven en sociale netwerken hebben de grootste moeite nieuwe toepassingen van ICT te ontwikkelen in de pas met het tempo van het aanbod van nieuwe mogelijkheden.

Strategisch betekent dit dat de overheid ter stimulering van ICT niet moet ingrijpen op de techniek maar op toepassingen, vanuit de vraag. Een voorbeeld. Grotere openheid en toegankelijkheid naar het Internet van de ministeries door openstelling van de departementale intranets zullen niet alleen de, onder andere door de LPF gewenste, bestuurlijke vernieuwing bevorderen. Ook de positie van Nederland op de mondiale ranglijst van vooraanstaande ICT landen zal stijgen.

Infodrome, een grootschalig en zeer innovatief verkenningsprogramma van de regering ten aanzien van ICT, dat nu in zijn derde jaar zit, heeft deze en andere toepassingsgerichte aanbevelingen gedaan in een brief aan informateur Piet Hein Donner. Andere voorstellen van Infodrome zijn versterking van het mededingingsbeleid op informatiemarkten, een waakhond voor netwerkveiligheid en meer geld voor experimenten met het gebruik van ICT voor bestuurlijke vernieuwing. De aanbevelingen van Infodrome zijn gebaseerd op gedegen technisch inzicht en visie. Ze vormen een ambitieus takenpakket voor een staatssecretaris voor ICT. Maar deze moet dan wel nog even onderhandelen over zijn politieke opdracht: minder glasvezels en meer bestuurlijke vernieuwing.

Een gewaarschuwde functionaris telt voor nul

In Technisch Weekblad on maandag, mei 20, 2002 at 20:21

Op 5 juli 2001, twee maanden voor de fatale aanvallen van zelfmoordcommando’s op het WTC en het Pentagon, schreef FBI agent Williams in Phoenix in een rapport aan zijn superieuren in Washington en New York, dat een aantal door hem gevolgde islamitische radicalen ingeschreven waren bij een opleiding voor piloten in Arizona. Zij toonden bovendien buitengewone belangstelling voor de veiligheidsmaatregelen op vliegvelden. Hij drong sterk aan op een FBI onderzoek naar alle vliegopleidingen in de Verenigde Staten om de infiltratie van Al Quaeda in de burgerluchtvaart vast te kunnen stellen.

Het rapport van de oplettende medewerker in de provincie werd genegeerd. In september 1999 was de National Intelligence Council in Washington al in het bezit van een rapport waarin werd geconcludeerd dat zelfmoordcommando’s van Al Quaeda’s Martelaarschap Bataljon vliegtuigen vol explosieven zouden kunnen doen neerstorten op het Pentagon en het Witte Huis. Het lijkt onomstotelijk bewezen dat Amerikaanse overheidsfunctionarissen voldoende waren gewaarschuwd voor de “gebeurtenissen van 9/11”.

Het gaat ons hier niet om de deze week in Washington oplaaiende discussie of President Bush of, voor hem, President Clinton grove nalatigheid heeft getoond. Hillary Clinton heeft vanuit haar positie in de Senaat voor alle zekerheid reeds de aanval geopend op Bush. Veel verontrustender is de vraag of grote socio-technische systemen, zoals veiligheidsdiensten, de burgerluchtvaart, de gezondheidszorg en het openbaar vervoer, in het algemeen wel in staat zijn adequaat te reageren op plotselinge uitzonderlijke bedreigingen, uit welke hoek dan ook. Het gaat hier om zeer grote organisaties, met alle technologische hulpmiddelen, in een ambtelijke inbedding. De handelingsonbekwaamheid is niet het gevolg van een gebrek aan informatie, maar van het onvermogen, misschien de onwil, van de verantwoordelijke functionarissen om de noodzakelijke conclusies te trekken. Net als mensen hebben bureaucratieën vaak alleen oog voor wat welgevallig is.

Historisch bestaan er de voorbeelden van handelingsonbekwaamheid in Den Haag begin mei 1940, ondanks waarschuwingen uit Berlijn dat een aanval van Hitler Duitsland aanstaande was, en in Washington DC begin december 1941, ondanks de onderschepte berichten dat de Japanse vloot Pearl Harbor naderde. Beschamend is het te lezen bij de historicus Walter Laquer (1980) hoe in de hoofdsteden van de geallieerden pas drie jaar na de ontvangst van alle nodige informatie de holocaust onderkend werd. Op een andere schaal en nog vers in het geheugen ligt de handelingsonbekwaamheid van Nederlandse overheidsfunctionarissen met betrekking tot overduidelijke informatie over de grote risico’s van vuurwerk opgeslagen in zeecontainers in een woonwijk, en over de onveiligheid van de kerstversiering van café ’t Hemeltje in Volendam. Het probleem is niet het gedogen maar de handelingsonbekwaamheid. De informatie is beschikbaar, maar niemand trekt de juiste conclusie.

New York Times columnist William Safire schrijft dat het rapport van FBI agent Williams over El Quaeda strijders op vliegscholen genegeerd werd omdat de CIA verantwoordelijk was voor de briefing aan de president over veiligheidsrisico’s. Als concurrerende overheidsdienst weigerde de CIA over dit onderwerp te rade te gaan bij de FBI. Op 6 augustus 2001 werd slechts een algemene melding gedaan aan Bush over de mogelijkheid van vliegtuigkapingen door Al Quaeda. Over radicale islamieten op vliegscholen werd niet gerept.