Frits Prakke

Archive for 2008|Yearly archive page

Een beroepseed voor bankiers en ingenieurs

In Technisch Weekblad on maandag, december 1, 2008 at 18:54

Het aangrijpende verhaal van Henk Tolsma in Technisch Weekblad vorige week over de schuldbewuste ingenieur Walter G., die door een rechtbank in Duitsland is veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf, heeft mij aan het denken gezet. Hij had de dragend spanten van een ijshal bij de bouw in 1973 niet goed berekend. Bij een zware sneeuwstorm in 2006 kwam het dak naar beneden waardoor 15 mensen omkwamen. De evenzeer betrokken en inmiddels eveneens bejaarde architect en inspecteur gingen vrijuit.

Is dat recht? Heeft dat zin? Daar moet toch meer aan te doen zijn dan na meer dan dertig jaar een enkele bejaarde als zondebok aan te wijzen. In onze hoogspecialistische techno-samenleving komen fatale fouten in de beroepsuitoefening steeds vaker voor. Jaarlijks overlijden in Nederland enige duizenden patiënten door vermijdbare medische fouten. Chirurgen gebruiken OK’s ondanks evidente besmettingsgevaren. Want de bezettingsgraad is heilig. Ingenieurs in Den Haag en Amsterdam kunnen geen diepe tunnels bouwen zonder dramatische lekkages. Goedkoop wint van goed. Grootschalige onderwijsvernieuwingen hebben de status van het beroep uitgehold. Leraren voelen zich geknecht en gaan zich ernaar gedragen. Bankiers, vroeger een beroep met status, gaan jarenlang door met het verkopen van financiële producten die honderden miljoenen euro’s verlies opleveren. Als het mis gaat moeten ze toegeven dat eigenlijk niemand het meer begreep.

De beroepen worden vermalen tussen twee elkaar beconcurrerende regulerende mechanismen, enerzijds de wet en regelgeving van de overheid en anderzijds de vrije markt. We vergeten dat een derde regulerend mechanisme mogelijk en wenselijk is, namelijk dat van het beroep. Kern van een dergelijk mechanisme is de verantwoordingsverhouding. Aan wie wordt voor een geleverde prestatie verantwoording afgelegd? De systeemingenieur zou zeggen: aan wie wordt er teruggekoppeld? Dat kan aan de ambtenaren en rechtbanken van de staat op basis van wet en regelgeving. (Zoals de arme Walter G..) Dat kan aan managers in de markt op basis van winstmaximalisering. Maar dat kan ook aan de eigen beroepsgroep op basis van daarin vastgelegde protocollen en waarden.

De beroepen zullen hun rol als derde regulerend mechanisme moeten bevechten. Daarvoor moet een daadwerkelijke kwaliteitscontrole tot stand gebracht worden die bovendien voldoet aan de hoogste eisen van transparantie en democratische controle. Met uitzondering van de transparantie kunnen de accountants en medische specialisten voorlopig als voorbeeld dienen. Maar ingenieurs, leraren en zelfs bankiers hebben langs deze weg ook veel te winnen, voor zichzelf en voor de samenleving.
De middelen die een beroepsgroep heeft om de taak van regulerend mechanisme in de praktijk waar te maken zijn bijvoorbeeld het leerlingenstelsel, de beroepsopleiding, certificering, de beroepseed, nascholing, visitaties, benoemingscommissies en tuchtcolleges. Globalisering en Internet maken de hiervoor vereiste informatiestromen mogelijk. Voor wie dit allemaal teveel lijkt op de middeleeuwse gilden, bedenk dat de grote Kathedralen ooit werden gebouwd door meester-metselaars, zonder noemenswaardige aanwijzingen van de staat, de markt, of zelfs van bouwtekeningen.

Kuifje in Innovatieland

In Technisch Weekblad on zondag, november 16, 2008 at 18:03

Een vaste waarde van de Nederlandse poldercultuur is dat belangrijke politieke besluitvorming achter dichte deuren plaatsvindt. En dat blijft zo. Daarom is er bij ons geen parlementaire discussie toegestaan over Irak. Wij kennen jammer genoeg ook geen traditie van politieke autobiografieën, zoals in de meeste volwassen democratieën. Daarom is het boek van Frans Nauta, Innoveren in het Centrum van de Macht, toe te juichen. Het is een openhartig verslag van zijn ervaring van 2003 tot 2005 als secretaris van het nationale Innovatie Platform (IP) onder het voorzitterschap van premier Balkenende.

Het boek leest als Kuifje in Innovatieland, spannend en brutaal. Het is niet politiek correct. Het is leerzaam. Maar het is on-Nederlands. Het is dan ook niet verwonderlijk dat op de dag na het verschijnen van het boek CDA-minister Maria van der Hoeven in de Tweede Kamer de kritiek van Nauta op het IP louter toeschrijft aan zijn “gekwetste gevoelens”. Tegenover een sceptische oppositie verdedigt ze het bestaansrecht van het inmiddels vijf jaar oude en versleten instituut.

Het Innovatie Platform is bij lange na niet het eerste nationale plan om technologische en economische vernieuwing te stimuleren. Zo adviseerde een commissie van deskundigen reeds in 1928 tot de oprichting (in 1934) van TNO. In 1980 presenteerde de regering de Innovatienota aan de Tweede Kamer, resultaat van twee jaar onderzoek en intensief overleg tussen de ministeries van Economische Zaken en Onderwijs en Wetenschappen. Ik mocht daarvoor als deskundige in zes verschillende landen interviews doen met industriëlen. Zo konden we in zes landen de innovatiesystemen vergelijken. Nooit vergeet ik de Akzo researchdirecteur die mij beleefd te woord stond, maar eigenlijk niet wilde vertellen wat de regering moest doen om innovatie te bevorderen. Ik voorspel je, zei hij, dat die andere vijf regeringen jouw rapport goed zullen lezen en hun eigen bedrijven effectief gaan helpen. Maar de Nederlandse regering zal nooit tot daden komen. Het eindresultaat zal slechts zijn dat Akzo in vijf landen sterkere concurrenten krijgt.

Het lijkt wel zeker dat Frans Nauta of zijn projectteam nooit zes landen heeft bezocht om daar te leren van hun nationale systemen van innovatie. Hij komt in 2003 naar Den Haag met cijfers over de dalende Nederlandse bestedingen aan technologisch onderzoek, aangevuld met de ervaring van een week in Finland, zijn grote voorbeeld. Hij is verbaasd als dit weinig indruk maakt op de tientallen deskundigen op de betrokken ministeries en bij de universiteiten. Als een eigenwijze, naïeve Kuifje trekt hij ten strijde tegen deze IJzeren Ring, die, ieder voor zich, allereerst belang heeft bij de eigen departementale begroting. Het is wel kostelijk om te lezen.

Nauta zou, ook zonder technisch-economische achtergrond, als politicoloog geschoold moeten zijn als ‘change agent’. Hij zou moeten weten dat het in de polder beter is je niet op te stellen als een brutale Kuifje, maar als de uiterst voorkomende en slimme Tom Poes.

Een brede maatschappelijke discussie energie

In Technisch Weekblad on woensdag, oktober 15, 2008 at 18:51

De winter nadert en de prijs van olie heeft deze week de recordhoogte van $ 85 per barrel bereikt. Er heerst algemeen alarm over de dreigende overstromingen ten gevolge van ons toenemende gebruik van die dure olie. Iedereen verwacht daadkracht van de regering, en de minister van Milieu presenteert de nota Schoon en Zuinig, die bol staat van de ambitieuze doelstellingen zoals het met dertig procent terugdringen van broeikasgassen in 2020. Bovendien is de bestuurlijke aanpak van de minister hoopgevend: niet betuttelend met eenzijdige regelgeving, maar met stapels plannen voor overleg met de belangrijkste partners in de energiehuishouding. Stevige gesprekken over daadwerkelijk energiebesparende acties met partijen zoals de energieproducenten, gemeentes, de transportsector en woningbouwcorporaties.

Maar het resulterende nationale energiedebat lijkt wel een veldslag. Met louter verliezers. De Nederlandse koopman en de Nederlandse dominee schoppen om het hardst tegen de voorgenomen maatregelen van de regering. De koopman klaagt zodra het eigen bedrijf te weinig voordeel in het vooruitzicht wordt gesteld, of nog erger, belastingen worden verhoogd. De luchtvaart sector speelt de vermoorde onschuld omdat iets meer dan 0,3 % belasting op vliegreizen zal gaan gelden, terwijl op autoreizen sinds jaar en dag meer dan 50 % wordt betaald. Links en rechts worden belastingen, nieuwe concurrentie, regelgeving en verminderde overheidssubsidies aangemerkt als een gebrek aan daadkracht van de regering. Bouwers van windmolens, van CO2 opslaginstallaties en van kerncentrales voeren PR campagnes voor meer subsidies op hun product. Biodiesel is de zoveelste canard. De Nederlandse dominee belast het debat door energiebesparing als een morele kwestie te presenteren. Daarbij kan ons aller schuldigheid alleen worden afgekocht door boetedoening en het afwijzen van alle vernieuwing, al helemaal als deze in de eigen achtertuin dreigt plaats te vinden.

Zo dreigt het energiedebat te verzanden in een patstelling. Vanuit het parlement is geen vernieuwende impuls te verwachten omdat de winnaars van de laatste verkiezingen over van alles een standpunt hebben, maar niet over energiebesparing. Het is veelzeggend dat de impuls voor het huidige debat niet afkomstig is van een binnenlandse politieke ontwikkeling of een calamiteit, maar van een film over gletsjers geproduceerd door een voormalige Amerikaanse vice-president. Het Nederlandse debat wordt sinds jaren gevoerd door de zelfde partijen, die zich hullen in technocratische analyses. Iedere partij verhult zijn eigen belang achter gelieerde wetenschappelijke instituten en adviseurs. De consensus beperkt zich tot erkenning van de ernst van het probleem en zelfs van de wenselijkheid van de ambitieuze doelstellingen van Schoon en Zuinig. Maar zodra het aankomt op concrete maatregelen verzandt de discussie. Iedereen komt met zijn eigen oplossing, maar de toetsing in een openbaar debat onder leiding van neutrale, ongebonden deskundigen ontbreekt. Het is tijd voor een nieuwe Brede Maatschappelijke Discussie over energiebesparing.

De status van arbeid

In Technisch Weekblad on maandag, oktober 6, 2008 at 17:57

Temidden van het macro-economisch rumoer rond de Miljoenennota in september hebben Premier Jan Peter Balkenende en FNV-voorzitter Agnes Jongerius ieder op hun eigen wijze geprobeerd aandacht te vragen voor de status van arbeid. Balkenende pleitte voor een nieuwe arbeidsethos en Jongerius voor de menselijk maat in arbeidsorganisaties. Van beide valt de poging de politieke discussie te verleggen van het procentuele geneuzel over begrotingsposten naar een onderwerp als arbeid, dat dicht bij het leven van alledag staat, zeer te waarderen. Een loonstrookje komt eens per maand, maar met arbeid hebben we dagelijks te maken. Het feit dat zowel Balkenende als Jongerius in hun oproep volstrekt genegeerd zijn is begrijpelijk, maar teleurstellend. Want ik geloof dat er sprake is van een over de jaren gegroeide crisis in de organisatie van arbeid in bedrijven en beroepen.

De beurscrash van oktober zal het onderwerp arbeid nog verder naar de achtergrond duwen. Dat is jammer want het gaat hier om een systeemcrisis, die het gevolg is van een langdurige scheefgroei in ons sociaaleconomische systeem ten koste van de zeggenschap van arbeid. Historisch zijn alle systeemcrises het resultaat van een te ver doorgezette, eenzijdige ontwikkeling; of het nu de tulpencrisis is uit onze gouden eeuw, de Zuidzee Bubble van 1721, de Wallstreet crash in 1929, of de Internetcrisis in 2001. Anno 2008 is het financiële systeem – kredietverlening, beursspeculatie, financiële beloningen, maar ook, zoals Jongerius zegt, rationalisatie, financiële controle en bureaucratische prestatienormen – als een waterhoofd gegroeid. Economische groei bleek slechts financiële groei. In Amerika heet het dat Main Street is achtergebleven bij Wall Street.

De ontwikkeling van arbeid in organisaties en in beroepen is achtergebleven bij de geldgroei. De kwaliteit komt in de knel. Neem de beroepen. Ingenieurs in Den Haag en Amsterdam kunnen geen diepe tunnels bouwen zonder dramatische lekkages. De slimste uitvinders mikken niet langer op het superieure product, maar op het cashen met een voordelige IPO op de aandelenbeurs, omdat er nu eenmaal een overvloed aan venture capital is. In de gezondheidszorg zijn de kosten en de wachtlijsten onbeheersbaar, Chirurgen gebruiken OK’s ondanks evidente besmettingsgevaren. Want de bezettingsgraad is heilig. Bankiers, vroeger een beroep met status, gaan jarenlang door met het verkopen van financiële producten die honderden miljoenen euro’s verlies opleveren. Als het mis gaat moeten ze toegeven dat eigenlijk niemand het meer begreep. Grootschalige onderwijsvernieuwingen resulteren in een fiasco en worden teruggedraaid.

Beroepen die vroeger in hoog aanzien stonden klagen steeds luider over verlies aan status. Oudere professionals klagen over de gebrekkige opleiding van hun beoogde opvolgers. Na jarenlange discussie over marktfalen versus overheidsfalen, kan nu zondermeer gesproken worden over het falen van beroepen. De oproepen van Balkenende en Jongerius zijn misschien slechts bedoeld voor gebruik in eigen kring, maar ik zou ze willen opvatten als een brede uitnodiging voor een radicale herwaardering van de status van arbeid in Nederlandse organisaties en beroepen.

Tweemaal Uitzonderlijk (Ben Verwaayen, CEO en dansleraar)

In Technisch Weekblad on maandag, september 8, 2008 at 20:21

De reusachtige Frans-Amerikaanse IT-onderneming Alcatel-Lucent gebruikte de traditionele vakantiemaand augustus om zijn management top te vervangen. Na verliezen van € 6 miljard en een afscheid van 16,500 werknemers in twee jaar werden Russo en Tchuruk de deur gewezen. De nieuwe CEO werd de Nederlander Ben Verwaayen, voorheen directeur van de KPN en auteur van het verkiezingsprogramma van de VVD. Onder Verwaayen’s leiding transformeerde British Telecom de laatste zeven jaar van een noodleidend, ouderwets telefoniebedrijf in een vooraanstaande leverancier van IT-diensten en werd breedband over Groot-Brittannië uitgerold. Hij werd Sir Ben.

Alcatel’s keuze voor deze nieuwe CEO is om twee redenen uitzonderlijk. Allereerst omdat het zelden voorkomt dat een Nederlandse topmanager wordt gevraagd een grote buitenlandse onderneming te leiden. Nederlandse voetballers, architecten, concertmeesters en zelfs sommige bèta hoogleraren kunnen zich in het buitenland financieel fors verbeteren. Maar ondanks alle globalisering is er – ondanks de beweringen van salarisadviesbureaus zoals de Hay Group in Zeist – nauwelijks een internationale markt voor Nederlandse topmanagers. Is dat omdat managers in Nederland toch al overbetaald worden? Een internationale markt voor Nederlandse topmanagers in de private sector bestaat niet. Het gemiddelde beloningsniveau is eerder te hoog dan te laag. Het bewijs is de uitzonderingspositie van Verwaayen.

In de semi-publieke sector, zoals managers in de gezondheidszorg, het hoger onderwijs en openbaar vervoer, bestaat deze markt al helemaal niet. Een uitzonderlijke hoogleraar neurologie of econometrie heeft kans op een topcarrière in de VS, maar niet zijn baas in het College van Bestuur van de universiteit. Minister Plasterk heeft gelijk. De lobby voor het verdubbelen van de Balkende-norm voor deze categorie is op drijfzand gebaseerd.

De keuze van Verwaayen en zijn strategie voor Alcatel-Lucent is ook om een geheel andere reden uitzonderlijk. Zeldzaam zijn de kansen om met een gedurfde strategie een groot gerenommeerd kennisbedrijf als dit van de ondergang te redden. De grootste concurrenten zijn jong en flexibel zoals Nokia en het Chinese Huawei Technologies, met een zeer veel lager kostenniveau. De CDMA netwerktechnologie van Lucent verliest internationaal steeds meer terrein op GSM. Na jarenlang grote verliezen en kostenbesparing op verouderde producties wil Verwaayen nu inzetten op innovatie en het unieke kennispotentieel van het bedrijf. De uitdaging is te vergelijken met de situatie van IBM, dat in de jaren negentig door Louis Gerstner in een korte periode werd veranderd van een bijna failliete traditionele computerfabrikant in een gezonde IT-dienstenaanbieder. Hij leerde de reus op lemen voeten om te dansen en dat is nu de taak van Verwaayen bij Alcatel. Bij uitzondering gaat dat goed. Bij succes zal de tijd dat er uit het buitenland nauwelijks vraag is naar topmanagers uit Nederland misschien wel voorbij zijn.

Internet ruikt naar niks

In Technisch Weekblad on maandag, juli 28, 2008 at 18:52

Mijn vroegste vakantieherinneringen zijn nauw verbonden met de geur van de Hollandse zomer. De geur van pas gemaaid gras, dampend na een kortstondige regenbui. En daarnaast de geur van een voor de eerste keer opengeslagen nieuw vakantieboek. De eerste dag van mijn vakantie betekende altijd een bezoek aan de boekwinkel. Achter in de tuin van mijn oma mocht ik zo lang lezen als ik wilde, of tot de volgende regenbui. Sindsdien is eerst een generatie opgegroeid met een walkman in de vakantie en nu een generatie met Internet. Pedagogen maken zich grote zorgen over de afnemende taalvaardigheid van de jonge Internetters die geen boeken meer lezen. Uitgevers en ouders voelen zich de verliezers in een generatiestrijd. Ikzelf mis vooral de geur van het nieuwe boek. Mijn PC ruikt naar niks. Daar hebben die slimmeriken in Silicon Valley met hun obsessie voor functionaliteit nooit iets op gevonden.

Empirisch onderzoek toont aan dat de huidige generatie van 10 tot 18 jarigen gemiddeld wel twee uur per dag achter de PC zit. Het percentage 17-jarigen dat nooit een boek leest voor zijn plezier wordt nu (in Amerikaans onderzoek) gemeten op ongeveer 20 %. Dat is twee keer zo hoog als in 1984. Volgens een aantal vergelijkende toetsen is internationaal de leesvaardigheid van de jeugd in de laatste tien jaar zelfs gedaald. Traditionalisten brengen het verruilen van leesboeken voor Internet in verband met een veel kortere concentratiespanne en een gebrek aan cognitieve structuur bij de jeugd. Ik kan nauwelijks een vakgebied noemen – medicijnen, techniek, wiskunde, onderwijs, of rechten – waarvan de ervaren beoefenaars niet regelmatig klagen over het gebrek aan parate kennis en culturele bagage van hun opvolgers. Maar is dit niet te verwachten bij een zo ingrijpende mediarevolutie? Als boekenlezer weet ik dat in de vijftiende eeuw de kloosters in Nederland aanvankelijk weigerden om in hun bibliotheken naast de handschriften ook de als “prullen” bestempelde gedrukte boeken op te nemen. De geur van de handschriften was de monniken zeker meer vertrouwd.

Tegenover de traditionalisten, die zich beklagen over de teloorgang van boeken, staan evenzoveel pleitbezorgers van Internet als vernieuwend didactisch instrument. Voorstanders melden successen met bijzondere groepen zoals kinderen uit kansarme milieus en dyslectische leerlingen. Autistische kinderen kunnen soms beter communiceren in een chatroom dan in een leslokaal. Via gaming en simulatie kunnen zeer effectief bijzondere vaardigheden worden geoefend. Begaafde leerlingen kunnen via Internet 24 uur per dag een hoeveelheid bronnen en gezichtspunten aanboren die geen enkele middelbare school of zelfs universiteit kan bieden. Een voorbeeld is Big Think, een website waarop colleges kunnen worden opgeroepen van de wereldtop aan economen, filosofen, rechters, natuurkundigen en psychologen. Het Internet zal ons een onderwijsrevolutie brengen zoals eerder de boekdrukkunst. Nu de geur nog.

Nucleaire diplomatie door technologie

In Technisch Weekblad on donderdag, juni 12, 2008 at 19:01

In de schaduw van de al vijf jaar voortdurende oorlog in Irak schuilt de dreiging van een Amerikaans-Israelische luchtaanval op de illegale nucleaire installaties in Iran. De ayatollahs willen de ooit in Nederland ontwikkelde centrifuge technologie gebruiken om uranium te verrijken voor een eigen kernenergie programma. Militair gebruik wordt ontkend maar internationale controle wordt ontdoken. Bij herhaling lezen wij in kranten dat hooggeplaatste bronnen in Washington en Tel Aviv een bombardement op Teheran ‘niet uitsluiten’. Dat is angstwekkende taal. Alle ingrediënten voor een internationaal onheilsscenario zijn aanwezig.

De Boston Globe van 10 juni meldt dat, om een dergelijke tragedie af te wenden, sinds kort in het Amerikaanse Congress de belangstelling groeit voor een alternatief plan, waaraan al een aantal jaren wordt gewerkt door fysici en politicologen van het Massachusetts Institute of Technology. Het plan behelst de bouw, in Iran, van installaties voor de verrijking van uranium, welke vervolgens onder verantwoordelijkheid van een internationaal consortium zullen opereren. John Thompson, voormalig Brits ambassadeur, en Geoffrey Forden, fysicus en voormalig wapeninspecteur, hebben aan MIT technische systemen ontwikkeld die gewaarborgd kunnen worden, in het bijzonder om te voorkomen dat de Iraanse ingenieurs het proces van de verrijking van uranium voor militaire doeleinden kunnen overnemen of kopiëren. Tussen haakjes: zou een Nederlandse universiteit bereid en in staat zijn op vergelijkbare wijze zelfstandig integrale beleidsalternatieven te ontwikkelen in kwesties van nationaal belang?

De strategische kern van het alternatieve plan van MIT is de keuze internationale conflicten niet te beheersen door de eigen wil op te leggen, maar door een platform voor overleg en samenwerking te scheppen, in dit concrete geval een internationaal consortium voor de verrijking van uranium. Deze strategische keuze vereist inzicht in de drijfveren van de vijand. Wil de regering van Iran ons vernietigen, of speelt, bijvoorbeeld, vooral de angst vernederd te worden? In dat laatste geval kan ieder begin van samenwerking, zoals in een consortium, en erkenning (in straattaal: RESPECT) leiden tot het op termijn verminderen van het conflict.

In 2005 waren de neoconservatieven in de regering Bush te druk met hun lijst van boevenstaten om enig vertrouwen te hebben in de bedoelingen van Iran. Het plan van MIT werd snel verworpen. Iran verwierp van haar kant een aanbod van Rusland om verrijkt uranium te leveren. Afhankelijkheid van productie in het buitenland was ongewenst.

Iran beschikte in 2005 over slechts 164 werkende centrifuges. Nu is het aantal 3.500. De internationale boycot en sancties hebben gefaald. Iran heeft niet definitief nee gezegd tegen een internationaal consortium. Vooraanstaande senatoren zoals Feinstein (Dem.) en Hagel (Rep.) zijn positief. De presidentskandidaten in de verkiezingen in november, McCain en Obama, zijn geen van beide belast met de neoconservatieve bagage van G.W. Bush. Valt het onheilsscenario af te wenden? De technologie is er klaar voor.

De informatisering van alles

In Technisch Weekblad on maandag, april 14, 2008 at 20:55

Enkele generaties terug verhuisde onze stamvader, zoals van zovele families, uit een klein dorp naar de stad. De stad bood meer kansen en minder sociale controle, al werd dat laatste nooit genoemd. De grootschalige industrialisatie heeft wonderen gedaan voor onze privacy.

Twintig jaar geleden zat ik in een duur hotel in een vergadering van een Think Tank te praten over de toekomst van de informatietechnologie. Zou de robot industriële arbeid vervangen? Zou de opmars van de faxmachine invloed hebben op de groothandel en de makelaardij? Kon de Nederlandse metaalindustrie overleven? Volgens enkele ingenieurs vormden sensoren en opslag van data de grote bottlenecks. De economen in de zaal beweerden stellig dat de toen heersende milde recessie door het wanbeleid van President Bush in de Verenigde Staten spoedig om zou slaan in een wereldwijde crisis.

Plotseling stond een Engelsman in een duur pak op, een automatiserings¬consultant die als technologie goeroe bekend stond en door het ministerie voor veel geld was overgevlogen om aan de Think Tank deel te nemen. Een veel te duur pak, vonden we. Hij verklaarde dat we veel te pessimistisch en te kortzichtig waren en dat de computer binnen twintig jaar tot de informatisering van alles (sic) zou leiden. Alle handelingen van mensen en de effecten daarvan zouden tegen steeds dalende kosten continue geregistreerd worden, in grote computers opgeslagen en zoekbaar zijn. De productiviteit en de kwaliteit van arbeid zouden toenemen. De informatisering van alles zou bovendien zowel de veiligheid op straat als het milieu te goede komen. De zaal van toekomstdes¬kundigen barste los met vragen over hoe dat allemaal technisch mogelijk zou zijn en met irritatie over het gebrek aan concrete antwoorden van de goeroe. Er was in 1989 nog geen sprake van Internet en Google, of van de mobiele telefoon met camera in de broekzak van ieder scholier. De Think Tank oordeelde bull shit.

Ik denk nog wel eens terug aan die dag in 1989 als ik in de krant lees dat de politie in New York ieder telefoontje aan een call girl heeft geregistreerd van gouverneur Spitzer – ex-strijder tegen de prostitutie en inmiddels ex-gouverneur. De politie in Amsterdam heeft evenzeer iedere pizzabestelling van Willem Holleeder sinds 2002 op de harde schijf staan. Met extra anchovis. Als ik een regenjack van het merk Patagonia koop kan ik op de website lezen dat het ontwerp is gemaakt in Ventura, een gehucht in California en de stof komt uit Matsuyama in Japan Het naaiatelier stond in Vietnam, en het distributiecentrum in Reno, Nevada. Totale uitstoot van kooldioxide, de carbon footprint, voor dit jack: 6 kg. Mijn dochter belt mij fietsend over het Rokin. Eng, maar ik weet dat ze ongetwijfeld in het zicht van politiecamera’s is.
Wij denken erover weer terug te verhuizen naar het oude familiedorp.

Fusie Microsoft en Yahoo mislukt door allochtech

In Technisch Weekblad on maandag, maart 17, 2008 at 20:54

Ingenieurs laten zich graag voorstaan op hun neutraliteit, en vaak is daar ook reden voor. Maar net als mensen brengen technologieën een afkomst en een geschiedenis met zich mee waar ze moeilijk van te scheiden zijn. Technology travels on the hoof, zeggen ze in Texas. Daarom heeft iedere afzonderlijke technologie impliciet zijn eigen cognitieve en zelfs emotionele kwaliteiten. Deze worden ontwikkeld in het onderwijs, door specialisatie in kennisinstellingen, en in bedrijfsculturen. Ontwikkeld en bevroren, zonder dat we ons daarvan bewust zijn. Allochtech veroorzaakt in de industrie evenzeer integratieproblemen als allochtoon in de samenleving.

Microsoft staat op het punt Internet pionier Yahoo over te nemen. Financieel is dat voor het rijke Microsoft geen probleem. Yahoo is niet langer de lieveling van de aandelenbeurs en dus goed betaalbaar. Cultureel zijn er verschillen. Yahoo is van een jongere generatie. Op de campus van het bedrijf in Silicon Valley worden rock concerten gegeven. De jonge miljonairs leven zich uit in studentikoze Ultimate Frisbee toernooien. Maar tenslotte zijn de twee bedrijven beide uitgegroeide bureaucratieën met een vergelijkbare meritocratische inslag. Echter, de grootste bedreiging voor het slagen van een fusie is allochtech.

Voor een succesvolle fusie tussen Microsoft en Yahoo moeten twee zeer complexe en geheel verschillende software systemen worden geïntegreerd. De data centers van Microsoft – essentieel in de concurrentieslag met Google – draaien op proprietary software, die incompatibel is met de open source programmas en applicaties van Yahoo. Het probleem ligt niet alleen in de techniek, maar ook in de bedrijfsfilosofie. Microsoft is altijd een principieel tegenstander van open source software geweest, terwijl Yahoo zijn snelle groei juist daar aan te danken heeft gehad. Microsoft heeft altijd hard gewerkt om met bedrijfstakorganisaties en partners collectief protocollen en standaarden te ontwikkelen – al of niet om die vervolgens in eigen belang uit te buiten. Yahoo heeft zich daar altijd aan onttrokken om flexibeler te kunnen optreden. Door de verschillen in de geschiedenis van de twee bedrijven, inclusief de cognitieve en emotionele bagage, lijkt integratie nagenoeg uitgesloten. Het naast elkaar laten bestaan van de softwaresystemen betekent volgens deskundigen het afzien van minsten 1$ miljard aan kostenbesparing op de korte termijn en een veel groter verlies aan synergie in de toekomst. Dat zijn de kosten van allochtech.

Allochtech is ook vaak de oorzaak van het mislukken van technologische samenwerking in Europa. Het Duits-Nederlandse project Dasa-Fokker werd een fiasco. De Duits-Franse samenwerking om met Quaero een concurrent voor Google te ontwikkelen is in 2007 na twee jaar vastgelopen op een verschil in visie. De Fransen ingenieurs kozen voor een ambitieus ontwerp. De Duitse kozen voor degelijkheid. Beide landen gaan nu alleen verder. Een gezamenlijke ontwikkeling van Vitale, identificatiekaarten in de gezondheidszorg, is gestrand op de verschillen tussen Frans centralisme en Duits federalisme. Allochtech valt slechts te overwinnen als ingenieurs zich bewust zijn dat ze niet zo neutraal kunnen zijn als ze zouden willen.

Export van hoger onderwijs

In Technisch Weekblad on zondag, februari 17, 2008 at 18:59

Wie in een klein land als Nederland gelooft in de kwaliteit van zijn eigen product moet exporteren. De NV Philips is niet groot geworden door de Nederlandse markt voor gloeilampen te beheersen. Na 1910 groeide het bedrijf vooral door export. De Nederlandse universiteiten, inclusief de door Minister Plasterk nieuw gedoopte Universities of Applied Sciences (voorheen HBO), willen tot de beste ter wereld te behoren. Die ambitie is een axioma van onze kenniseconomie geworden. Er wordt geschermd met een incidentele plaats ergens op een internationale top-50 lijst en leidende posities op wetenschappelijke gebieden als sterrenkunde. Leiden, Wageningen en Amsterdam zijn ook in het buitenland gerenommeerde oude universiteits¬steden. Nederland zou goed moeten kunnen concurreren op de nieuw ontstane wereldmarkt voor hoger onderwijs. Maar de durf ontbreekt om door vestigingen in het buitenland, zoals andere landen dat doen, de kwaliteit van het eigen onderwijs daadwerkelijk te laten meten met de besten van de wereld. Wij kiezen ervoor wereldberoemd te zijn in onze eigen provincie.

Terwijl onze regering probeert lokaal een kenniseconomie gestalte te geven, zijn onafhankelijke Britse, Australische en Amerikaanse universiteiten druk bezig volledige universitaire dependances op te zetten in China, de Verenigde Arabische Emiraten, India, Zuid Afrika en Singapore. Hoger onderwijs is snel aan het globaliseren. Abu Dhabi schonk (sic!) onlangs $ 50 miljoen aan New York University als startkapitaal voor een nieuwe universitaire opleiding. In Education City in Doha, de hoofdstad van Qatar, kunnen lokale studenten studeren aan de Weill Medical College van Cornell, aan de faculteit Internationale Betrekkingen van Georgetown U., ICT en Bedrijfskunde van Carnegie Mellon, Technische Wetenschappen van Texas A&M en Journalistiek van Northwestern University. Georgia Institute of Technology heeft volwaardige dependances in Frankrijk, Italië, Zuid Afrika en China.
Waar blijven de Nederlandse universiteiten? De globalisering van het Hoger Onderwijs is een aantrekkelijk complement van de vaak omstreden globalisering op gebieden als de kapitaalmarkten, industriële producten (outsourcing), mensenrechten en terrorismebestrijding. Bedenk dat we eeuwen vóór de Europese Unie een actief netwerk hadden van Europese universiteitssteden zoals Montpellier, Bologna, Heidelberg, Cambridge en Leiden.

Het opzetten van een universitaire dependance in een ver land zonder kwaliteitsverlies is geen sinecure. De toetredingseisen voor studenten, zoals minimale SAT scores, mogen niet verlaten worden. Kwaliteitsbepalende hoogleraren aarzelen bij het vooruitzicht van een langdurig verblijf aan de Perzische Golf. Politici vragen zich af of we een hele generatie Dr Kahn’s moeten opleiden die alleen onze nucleaire technologie willen stelen? Die angst is nu al een ernstige belemmering voor Iraanse studenten werktuigbouw in Nederland. Daarentegen zijn er ook veel publieke doelen die gediend kunnen worden, zoals diplomatieke betrekkingen, handel en kennisontwikkeling. Maar de belangrijkste reden mee te doen aan deze vorm van globalisering is de noodzaak voor het hoger onderwijs te bewijzen hun licht niet alleen binnen de provincie te kunnen laten schijnen. Gelijk de gloeilampenfabriek in 1910.