Frits Prakke

Archive for the ‘Technisch Weekblad’ Category

Nerveuze juffershondjes

In Technisch Weekblad on maandag, december 12, 2005 at 19:54

Sinds het einde van de Koude Oorlog gaan we als samenleving anders om met risico’s. Sinds we niet langer iedere dag – afhankelijk van de bezonnenheid van leiders zoals Chroesjtjov, Mao of Nixon – het risico lopen met honderden miljoenen mensen tegelijk tot as te verbranden, is de angst om onze collectieve veiligheid alleen maar toegenomen. De commotie lijkt toe te nemen naarmate de omvang van de bedreiging afneemt. Steeds weer laait de publieke discussie op over bedreigingen van die veiligheid. Neerstortende vrachtvliegtuigen en vuurwerkrampen leiden tot nationale trauma’s in Nederland. Japan laat zich paralyseren door een aanval met gifgas op de metro. In de VS wordt iedere brief met poedersuiker aangezien voor een poging tot massamoord met anthrax. Iedere hooligan die een e-mail kan versturen legt moeiteloos het Nederlandse treinverkeer rond het Amsterdams CS enkele uren stil uit angst voor een verstopte bom.
Het gaat niet alleen om directe levensbedreiging. We zijn ook bang voor de gevolgen van de datumwisseling op 1 januari 2000 voor onze computers. Weet u nog het Y2K probleem? Een jaar lang stonden de kwaliteitsbladen vol met duistere voorspellingen van deskundigen. Het land zou tot stilstand komen. Na 2 januari 2000 is er nooit meer van gehoord. Momenteel is de energiecrisis, $ 150 voor een vat olie, weer in de mode. Alleen speculanten en bouwers van kernenergiecentrales hebben daar baat bij.

De negatieve gevolgen van onze collectieve angsten overtreffen inmiddels verre de reële bedreigingen. Pechtold mag niet zeggen dat de regering onnodig inspeelt op onze angsten. Maar ik wel. We zijn een samenleving van nerveuze juffershondjes geworden. Mijn excuses aan zowel de jonge vrouwen en de trouwe viervoeters.
Afstandelijk bekeken liggen de werkelijke bedreigingen van ons leven en welzijn elders. Maar slachtoffers van het verkeer en van jeugdkanker zijn statistieken en tellen niet mee. De publieke angst heeft kennelijk aparte oorzaken. Een grote rol wordt gespeeld door de media. Die moeten steeds meer 24/7 luisteraars vasthouden. En angst is een probaat middel. Niemand draait de knop om als er verteld wordt hoe we aan ons einde komen. De politicus doet mee en is gedwongen iedere bedreiging serieus te nemen, wil hij of zij niet als een lichtgewicht te kijk worden gezet. Dat was vroeger wel eens anders. Ten derde is er altijd wel een deskundige te vinden die op TV de bedreiging wil bevestigen, als is het alleen maar omdat zijn bedrijf of instituut daar een economisch belang bij heeft. “Vindt de vereniging van Nederlandse installatiebureaus dat alle hotels en campings in ons land extra gecontroleerd moeten worden op de in Spanje mogelijk dodelijke Legionnella bacterie?”

De echte grote rampen sinds de Koude Oorlog zijn uniek en wezenlijk onvoorspelbaar geweest, bijvoorbeeld Bhopal, de aanval op het WTC, asbest, de orkaan Katrina en, precies een jaar geleden deze week, de tsunami in de Indische Oceaan. De samenleving reageert daarop door naar vermogen de slachtoffers te helpen en op praktische wijze herhaling te voorkomen. Waar angst de overhand heeft gekregen stijgen de negatieve gevolgen op spectaculaire wijze uit boven de oorspronkelijke ramp.

We naderen de Kerst. Juist in de meest donkere tijden moeten we ons niet laten leiden door angst, maar door het licht. Is dat niet de boodschap van Kerstmis?

Het Europees Instituut voor Technologie

In Technisch Weekblad on maandag, november 14, 2005 at 19:52

Weinig Nederlanders komen zo vaak in Brussel voor een bezoek aan de kantoren van de Europese Commissie als ik. Maar zelden kom ik daar Europa tegen. De idee Europa ontbreekt, zelfs in het centrum van de Europese Unie. Symbolisch voor dit gebrek is het gigantische centrale kantorencomplex Schuman, vernoemd naar een van de oorspronkelijke, bevlogen Europese visionairs. Maar door problemen met asbest jarenlang een leegstaand karkas. Waarom zou ik, of wie dan ook, in een referendum moeten stemmen vóór Europa? Het meest zichtbare effect zijn de geldverslindende subsidies voor de productie van Nederlandse suikerbieten. Het falende landbouwbeleid is het asbest in het huis van Europa.

Om niet in een neerwaartse spiraal te komen heeft Europa een radicale impuls nodig. Het gekibbel over procenten door minister Zalm is op de korte termijn prettig voor de Nederlandse schatkist, maar zal Europa niet redden. In de marge van het landbouwbeleid heeft de Europese Commissie jarenlang een beleid voor wetenschap en technologie gevoerd. ESPRIT in de jaren tachtig was het eerste gezamenlijke programma voor computertechnologie en daarna waren er steeds Kaderprogramma’s voor de ondersteuning en samenwerking van innovatieve bedrijven en kennisinstellingen. De beste voorstellen voor onderzoek werden door de EC gefinancierd, mits er sprake was van deelname uit verschillende landen.

De Lissabon-strategie dicteert dat Europa meer geld zal uitgeven aan kennis en innovatie, om daarmee de concurrentie aan te gaan met Amerika en het Verre Oosten. Dat levert een subsidiepot op voor kennisinstellingen vergelijkbaar met die voor verbouwers van olijven en suikerbieten. Maar doordat steeds meer lidstaten uit zijn op een sterkere rol van de eigen ministeries en op een juste retour uit de fondsen van de Kaderprogramma’s, dreigt het positieve effect op Europese samenwerking steeds minder te worden. Nationalisme roert zijn lelijke kop. Het Lissabon beleid draagt daardoor steeds minder bij aan een zichtbaar Europa. Dus niet aan een Europa waarover ik in een referendum “ja” zou willen stemmen.

Een nieuw idee van de Europese Commissie is de stichting, met grote voortvarendheid, van een Europees Technologisch Instituut, naar voorbeeld van het Amerikaanse M.I.T.. Dat betekent, lijkt me, niet alleen technische faculteiten maar ook toponderzoek en onderwijs op gebieden als economie, neurologie en politicologie. Vergelijkbaar met M.I.T. moet het bestuur onafhankelijk zijn. De doelstelling op het hoogste niveau bij te dragen aan innovatie in Europa lijkt me voldoende. Het E.I.T moet bijdragen aan de overeengekomen Lissabon-strategie. Maar bespaar het ons dat de DG’s van de EC of de Raad van Ministers zich gaan bemoeien met het onderzoekprogramma of het beurzenbeleid. De bureaucratie van de staatsuniversiteiten in de lidstaten moet worden vermeden.

Het E.I.T. moet de beste hoogleraren en studenten uit heel Europa aantrekken. Op vergelijkbare manier zijn ooit lang geleden de huidige grote Europese universiteiten tot stand gekomen, parallel aan de spoorwegen en de dienstplicht, en anno 2005 evenzeer verstard en provinciaal. Die nationale universiteiten vormden indertijd de uitdrukking en bevestiging van de negentiende-eeuwse Europese staten. Het E.I.T. kan uitdrukking en bevestiging gaan geven aan het Europa van de toekomst. Zo kan Europa mijn stem verdienen.

Herrschaftsfreie diskurs/ Het vrije discours lijkt een verloren zaak

In Technisch Weekblad on zaterdag, oktober 15, 2005 at 19:51

Waar en hoeveel moet de Nederlandse staat investeren in alternatieve energiebronnen? Hoe hoog moeten de dijken? Moet Nederland de Europese grondwet aanvaarden? Op welke nieuwe technologiegebieden moeten we inzetten? Is de Nederlandse en Europese wetgeving over zeggenschap in grote ondernemingen, overnames en faillissementen, teveel veramerikaanst? Dat zijn brede maatschappelijke vraagstukken met tevens een hoog technisch gehalte waar we tientallen jaren over debatteren. De deskundigen spreken elkaar publiekelijk tegen. Je wacht op een duidelijk antwoord. En dan breken de dijken.
Deze week had ik verschillende keren de luxe in lange, onbelemmerde discussies te geraken met oude bekenden over vraagstukken waarin zij zich al tientallen jaren hadden verdiept, en die onlangs weer in de schijnwerpers van de actualiteit zijn komen te staan. Het ging over corporate governance, met name de toenemende fixatie op aandeelhouderswaarde die onder druk van de ideologie van de Amerikaanse kapitaalmarkt ook in de Europese regelgeving terrein wint en tot extreme nadruk op de korte termijn leidt. Het ging over de energievoorziening, die in toenemende mate wordt geleid door een privatiseringsideologie. Maar plotseling wordt er wel besloten honderden miljoenen euro’s belastinggeld extra in de kerncentrale Borssele te steken. Dat zijn onderwerpen waarover vroeger veel meer publieke ophef was. Misschien zitten we nu op het goede spoor en zijn dit onvermijdelijk ontwikkelingen. Soit! Maar mijn deskundige gesprekspartners bevestigen ook mijn somber vermoeden dat het in Nederland in toenemende mate ontbreekt aan een vrije publieke discussie over dit soort brede maatschappelijke vraagstukken.

De ingenieurs en economen, die zouden kunnen bijdragen aan de kwaliteit van de publieke discussie, zijn steeds vaker in dienst van ministeries, ondernemingen of belangengroeperingen. Ze werken voor adviesbureaus. Ze zijn hoogleraar, met primaire verantwoordelijkheid voor de faculteitsbegroting voor contractresearch en de tweede geldstroom. Wiens brood men eet ……., etcetera. Onafhankelijke adviesorganen uit de jaren zeventig, zoals de Adviesraad voor Wetenschap en Technologie en de Wetenschappelijk Raad voor het Regeringsbeleid, zijn over de jaren steeds sterker onder druk komen te staan om beleidsrelevante adviezen te produceren. Lees: met hoge ambtenaren geaccordeerde adviezen. Het Centraal Planbureau duldt geen publieke tegenspraak.
Het ontbreekt in Nederland steeds meer aan platforms voor een vrije, kritische discussie. We hebben een Innovatieplatform nagenoeg geheel samengesteld uit belanghebbenden. De Europese Commissie heeft Technologieplatforms. Daarin zitten ondernemingen die hopen van de Europese subsidiepotten te kunnen meeprofiteren.
Het debacle van een brede discussie over de Europese grondwet, inmiddels afgelast, toont aan dat onze overheid niet eens het verschil begrijpt tussen een echt openbaar debat en public relations. Ik aarzel te beginnen over de ouderwetse liberale principes van een “Herrschafstfreie Diskurs”. Is dat een verloren zaak? Mij lijkt dat de allereerste taak van een moderne, democratische overheid.

Boze ingenieurs en innovatie

In Technisch Weekblad on maandag, september 19, 2005 at 19:49

Ajax zat deze zomer met twee niet-presterende toptalenten. Wesley Sneijder werd op de bank gezet en Rafaël van der Vaart werd verkocht aan de Hamburger SV. Dat leverde twee zeer boze voetballers op. Maar Sneijder scoort nu weer als vanouds en van der Vaart speelt de sterren van de hemel in Duitsland. Gaat dat ook zo met innovatie? De geschiedenis van de Amerikaanse computerindustrie lijkt daar een positief antwoord op te geven. In de jaren tachtig ontstond er een grote crisis bij IBM, de almachtige producent van grote computersystemen en jarenlang de meest winstgevende onderneming ter wereld. IBM kon ieder jaar kiezen uit de meest talentvolle ingenieurs die van de universiteit kwamen, zo ongeveer als de jeugdopleiding van Ajax kan kiezen uit de beste pupillen.

Maar door de komst van de PC en nieuwe netwerktechnologieën kwam IBM te staan voor miljarden aan verliezen. Gekozen werd voor een zeer radicale sanering. Tienduizenden boze ingenieurs en managers kwamen op straat te staan, maar vonden vervogens in grote aantallen een warm onthaal bij jonge bedrijven met een business model dat was toegesneden op de nieuwste technische mogelijkheden, zoals Sun Microsystems, Microsoft en Cisco Systems. Als niet gelijktijdig met hun groei IBM grote aantallen ingenieurs en managers van hoog niveau had ontslagen, was de spectaculaire ontwikkeling van de IT industrie in de Verenigde Staten in de jaren negentig niet mogelijk geweest. Deze mobilisatie van talent op grote schaal was naar mijn mening belangrijker dan de aanwezigheid van topkennis. Daarin liepen Japan en Europa, ook het Nederlandse Philips, niet achter. In Nederland worden boze ingenieurs eerst op een zijspoor gezet en vervolgens in de VUT.

Anno 2005 is Microsoft de almachtige IT onderneming. Al jarenlang kan Microsoft kiezen uit de meest talentvolle ingenieurs die van de universiteiten afkomen. Maar de vergelijking met IBM in 1985 dringt zich op. De ontwikkeling van informatietechnologie gaat in een richting waarin de onderneming geen monopolie heeft. De winstgevendheid staat onder druk. Meer dan 120 managers verdienen een miljoen dollar per jaar, maar op de arbeidsvoorwaarden van de jonge generatie wordt beknibbeld. Aandelenopties leveren de laatste jaren niets op. Business Week meldt dat in de doucheruimtes van het bedrijf het beleid van altijd gratis handdoeken is geschrapt.
Er zijn 2.000 blogs van werknemers van Microsoft, waaronder een groot aantal kritisch en boos. De boosheid richt zich op een teveel aan bureaucratie en een gebrek aan kansen om zich als ingenieur rechtstreeks bezig te houden met innovatie. Alle energie gaat in de verdediging van bestaande monopolieposities van Microsoft. Dat betekent defensieve in plaats van meer uitdagende baanbrekende innovatie. Concurrenten die de nieuwe golf in informatietechologie vertegenwoordigen liggen op de loer. Google heeft naast de hoofdvestiging van Microsoft een nieuw laboratorium gebouwd. Meer dan 100 ingenieurs zijn reeds overgelopen. Studenten van de best universiteiten verkiezen dit jaar Google. IT in de VS wordt in tegenstelling tot Nederland gedreven door concurrentie op de arbeidsmarkt en door boze ingenieurs. Moet Philips leren van Ajax?

De Chief Scientist als manager van kennis

In Technisch Weekblad on maandag, augustus 15, 2005 at 19:48

Na de kwade ervaring met een strategie gedreven door aandeelhouderswaarde lijkt Shell terug te keren op haar schreden en te kiezen voor technologie en innovatie. Niet langer is het dollargekke Enron het grote voorbeeld voor Shell. Het bedrijf gaat zich nu richten op technologie en innovatie onder leiding van slimme en betrouwbare ingenieurs, gepersonifieerd door bestuursvoorzitter Jeroen van der Veer. Hoe stroever zijn Engels, hoe betrouwbaarder.

Om deze strategische overstap van de Nieuwe Economie naar de Kenniseconomie te maken lanceert van der Veer vijf initiatieven. Dat is leerzaam voor al diegenen die in Nederland worstelen met het glibberige begrip Kenniseconomie. Allereerst is Shell bereid meer te spenderen aan onderzoek en ontwikkeling, mits de technologen met kwalitatief goede ideeën komen. Dus niet zondermeer extra geld. Onconventionele oliereserves zoals de oliezanden in Canada en de diepwaterbronnen in de Golf van Mexico zijn de mogelijke mammoetprojecten van de toekomst. Een ‘Future Energy Forum’ gaat nadenken over alternatieve energievormen waarin het bedrijf kan investeren. Een functionaris voor een integraal CO2-beleid wordt aangesteld. Van der Veer zelf zal ieder jaar rapporteren aan de Raad van Bestuur over de voortgang op het gebied van innovatie.

Een mooi voorbeeld van kennismanagement vind ik de aanstelling van een tiental chief scientists. Op een kernterrein zoals geologie, productietechnologie of vloeibaar maken van aardgas wordt iemand aangesteld die voor Shell als rolmodel geldt en die een ambassadeursfunctie in de sector kan vervullen, maar zonder budgettaire verantwoordelijkheid. Kennismanagement in ondernemingen bestaat altijd uit het vinden van een evenwicht tussen technology push en demand pull. Deze laatste factor is in de grote Nederlandse ondernemingen sinds 1995 zodanig gaan overheersen dat nu de tijd is gekomen weer extra aandacht te gaan besteden aan technology push als bron van innovatie. De zeggenschap van business units over R&D-budgetten is zo groot geworden dat een integrerende wetenschappelijke visie ontbreekt en kansen op radicale innovatie gemist worden. De aanstelling van chief scientists kan een goed tegenwicht bieden tegen de verregaande industrialisatie van het wetenschappelijk bedrijf, tegen al teveel korte termijn denken en tegen extreme specialisatie. Ook biedt deze functie een uitweg voor de talentvolle onderzoeker die op zijn vakgebied carrière wil maken zonder manager te worden.

De figuur van de chief scientist is ook buiten de industrie toepasbaar. Deze vorm van erkenning van kennis kan een belangrijke bijdrage leveren aan de management van kennis. In Engeland zien we de functie vaak in ministeries, rapporterend aan het hoogste politieke niveau. De VS kennen de Surgeon General als hoogste publieke wetenschappelijke adviseur op het gebied van de volksgezondheid. In Nederland hebben we, enigszins te vergelijken, een aantal Universiteitshoogleraren en in het HBO sinds kort Lectoren. Gewone hoogleraren worden, naast de zware onderwijsbelasting, te vaak gevangen tussen de rollen van super-specialist en fondsenwerver. In vele publieke kennisinstellingen kan het kennismanagement profiteren van de ervaring van Shell met chief scientists.

Geldprijzen voor Innovatie

In Technisch Weekblad on maandag, maart 28, 2005 at 19:42

Het verlies van minister Thom de Graaf belooft winst voor innovatie. De coalitie heeft afgesproken nu 750 miljoen extra uit te trekken voor onderwijs en de stimulering van innovatie. Daarmee kan de jarenlange verpaupering van het hoger onderwijs worden bestreden. Dat lijkt me zonder meer uitvoerbaar. Veel moeilijker is de stimulering van innovatie. De kern van innovatie is namelijk ondernemerschap, met alle risico’s van dien.
Iedere overheidsstimulering in Nederland bestaat echter sinds jaar en dag uit subsidies op inspanningsverplichtingen, op input. Zonder risico’s. We weten inmiddels dat subsidies de dood in de pot betekenen voor ondernemerschap. Hoe meer subsidies hoe minder innovatie. Ronduit zorgelijk is het dat het VNO-NCW en MKB Nederland onmiddellijk in persberichten hun deel van deze extra subsidiepot hebben opgeëist. Wat dan wel te doen met die 250 miljoen voor innovatie?

NASA, de Amerikaanse organisatie voor lucht- en ruimtevaart, presenteert juist deze week het 85 miljoen dollar Centennial Challenges Program, een voorbeeld van innovatiestimulering waar we in Nederland veel van kunnen leren. De New York Times vat de kern van dit programma treffend samen met de kop GELDPRIJZEN VOOR TECHNOLOGISCHE INNOVATIE. De achterliggende filosofie bestaat uit de combinatie van een globale strategie met lokale aktie.

De eerste twee projecten heten Tether Challenge en Power Beam Challenge. Een prijs wordt, bijvoorbeeld, uitgeloofd voor de ontwikkeling van een lichtgewicht kabel voor ruimtevaarttoepassingen. Eind 2005 mogen de kandidaten hun vinding demonstreren op een trekbank. De winnaar ontvangt $ 50.000. In het tweede jaar herhaalt NASA de wedstrijd, nu op basis van aangescherpte functionele specificaties. In verschillende categorieën worden dan prijzen van $ 100.000, $ 40.000 en $ 10.000 gegeven voor de eerste, tweede en derde plaats. Iedereen mag kandidaat zijn: uitvinders, faculteiten, instituten, kleine en grote ondernemingen.
NASA zegt geïnspireerd te zijn door het succes vorig jaar van de Ansari X prijs van $ 10 miljoen voor de eerste private bemande ruimtevaart en door eerdere projecten van de afdeling DARPA van het Pentagon. In de geschiedenis van technische innovatie hebben dit soort geldprijzen vaker een belangrijke rol gespeeld, bijvoorbeeld de $ 25.000 Orteig prijs voor de eerste non-stop vlucht tussen New York en Parijs, die in 1927 gewonnen werd door Charles Lindbergh. NASA wordt momenteel overspoeld met bruikbare suggesties voor competities. Voor Nederland is dit zeker ook mogelijk.

Het fundamentele probleem van subsidies bij het stimuleren van innovatie is dat de oriëntatie is op input in plaats van op output. In de bestaande stimuleringsprogramma’s voor wetenschap en technologie, zowel de Nederlandse als die van de Europese Unie, betekent dit dat oordelen moeten worden geveld op basis van de kwaliteit van proposals. Niet zelden ligt het voorgespiegelde resultaat drie of vier jaar in de toekomst. Voor wetenschappelijk onderzoek is dit wellicht een goede benadering. Maar in mijn ervaring worden jury’s voor technologische projecten geconfronteerd met onmogelijke informatieproblemen. A fortiori geld dit voor de aanwijzing van topinstituten. Zowel de technologische vernieuwing als het toekomstige nut moeten worden getaxeerd. Al te vaak geeft dan input, zoals de reputatie of geschiktheid van de indiener van het proposal, op dubieuze wijze de doorslag. Het offer van minister De Graaf verdient beter.

De fabel van Saurabh Singh

In Technisch Weekblad on maandag, februari 28, 2005 at 19:41

Voor wie een samenleving wil kennen is de populariteit van een fabel – een halve waarheid, een leugen, een grove leugen – vaak van meer waarde dan degelijk sociaal-wetenschappelijk onderzoek. Deze week haalde Saurabh Singh, een zeventienjarige scholier uit het Indiase Uttar Pradesh, de wereldpers met de bescheiden leugen dat hij de winnaar was geworden van een internationaal vergelijkend examen van de NASA. Aan iedereen die wilde luisteren, en dat waren er velen in zijn provincie, die tot de armoedigste gebieden op deze aarde kan worden gerekend, vertelde hij dat hij naar Londen was geweest om van 4 tot 8 januari aan de Oxford Universiteit met vele andere kandidaten het NASA wetenschappelijk examen af te leggen. Hij vertelde dat hij in een hotel had gelogeerd, maar de plaatselijke kranten maakten daar Buckingham Palace van. Het leugentje werd al gauw een fabel van groot formaat. De regering van Uttar Pradesh kende hem uit dankbaarheid voor de roem die hij de provincie had gebracht een geldprijs toe van 10.000 Euro. Honderd leden van de Senaat schonken hem ieder een dagsalaris. De kranten konden niet genoeg krijgen van zijn verhalen over de vlucht met Indian Airlines naar Londen, de dagelijkse taxirit naar Oxford University en het mooie certificaat -“You are the member of NASA” (sic ) – ondertekend door de Chief van de NASA. Mark Twain zou trots zijn op deze jonge Indiër.

Iedere westerling die Uttar Pradesh bezoekt ziet vooral de armoede. Daarachter zit een onpeilbaar diep gevoel van vernedering, van technologische achterlijkheid, van onderwaardering van de eigen talenten. De fabel van Saurabh leert ons dat de ambitie om daar verandering in te brengen bijna onbegrensd is. Daar liggen ook de krachten die vanuit het westen gestimuleerd zouden moeten worden om in de toekomst de leefomstandigheden in Uttar Pradesh, en talloze andere ontwikkelingsgebieden, te verbeteren. Maar wat we in werkelijkheid doen in het kader van ontwikkelingsbeleid of vluchtelingenbeleid is het steeds weer mensen in de rol van bedelaar drukken.
Het is niet zonder gevaar de held van een fabel te zijn. In Nederland hebben we deze week gezien hoe Jan Campert, 60 jaar na zijn dood in kamp Neuengamme, zelfs door mensen die hun geschiedenis zouden moeten kennen, ‘verrader van het verzet’ is genoemd omdat hij in de zwart-wit wereld van fabels niet geheel leek te voldoen aan de eisen gesteld aan een ‘held van het verzet’. Die fabel was ook maar het product van een vernederd volk dat een onbegrensde behoefte had aan een held. Daar had Jan Campert niet om gevraagd. Hij had liever gewoon de oorlog overleefd.
De fabel van Saurabh Singh werd doorgeprikt terwijl hij zat te wachten op een audiëntie bij de President van India. Het NASA wetenschapsexamen bleek helemaal niet te bestaan. Indian Airlines vliegt helemaal niet op Londen. En hij had ook niet geslapen in Buckingham Palace. Saurabh werd teruggestuurd naar zijn dorp en hij moet zich melden bij de politie. Ik kan alleen maar hopen dat ze mild voor hem zullen zijn. En dat wij van zijn fabel willen leren. 510 w.

Een laptop in de schooltas voor € 80

In Technisch Weekblad on maandag, januari 31, 2005 at 19:36

Dit jaar was er op het Wereld Economisch Forum in Davos voor het eerst sinds 1998 geen apart plenair debat over de mondiale kansen en bedreigingen van de ICT revolutie. De Nieuwe Economie lijkt definitief verleden tijd. In de schijnwerpers stonden deze keer Sharon Stone en Bono van U2 en Afrika, niet John Chambers van Cisco en John Gage van Sun Microsystems met hun redes over de opheffing van digitale ongelijkheid en ambitieuze onderwijsinitiatieven.

Maar in de wandelgangen liep Nicholas Negroponte, oprichter van het MIT Medialab, ieder gewillig oor te bestoken met de noodzaak van zijn nieuwste en meest radicale uitvinding: een laptop computer met aanzienlijk minder functionaliteit dan die waar u en ik nu dagelijks gebruik van maken. Alleen de prijs is echt technologisch revolutionair: € 80. Negroponte slaagt hierin door het duurste onderdeel van een laptop, het beeldscherm, te vervangen door een uitschuifbare tent-constructie, te gebruiken op de manier van de bestaande techniek voor projectie TV. De lichtbron is een L.E.D. Het apparaat loopt op gratis Linux software en kan beschikbaar zijn voor levering in 2006.

De kwaliteit van het ontwerp ligt in de bijzondere combinatie van bestaande en robuuste technieken die de laatste jaren een scherpe prijsdaling hebben ondergaan. Maar voor het succes van een innovatie moeten ook ondernemers bereid zijn te investeren in de productie en de marketing. Het is begrijpelijk dat de grote computer fabrikanten huiverig zijn een PC aan te gaan bieden tegen een tiende of minder van de prijs van hun bestaande modellen. Ik weet dat de Nederlandse Vereniging voor de Staathuishoudkunde op zijn jaarvergadering in december de mogelijkheid van marktfalen – evenals de Nieuwe Economie – als theoretisch niet van belang heeft verklaard, maar dat lijkt me in dit geval toch een reële mogelijkheid.
Negroponte heeft begrip voor het eigen belang van de oligopolistische computerfabrikanten. Zijn strategie is dan ook de nieuwe € 80 laptop te gaan verkopen op een geheel onaangeroerde markt, de ministeries van onderwijs van ontwikkelingslanden voor gebruik op scholen. “Alleen al China telt 220 miljoen leerlingen ”, zegt hij met een glinster in zijn ogen. Hij heeft ervaring met de verstrekking van laptops aan kinderen op het platteland van Cambodja. Deze hebben een verbazingwekkend vermogen om zonder tussenkomst van volwassenen onmiddellijk aan de gang te gaan met de nieuwe apparaten. “Hun eerste woordje Engels is ‘Google’.” De digitale ongelijkheid waar vele conferentie over volgepraat zijn en waar velen voor vrezen blijkt zelfs in de allerarmste landen bijzonder snel te overbruggen.

Negroponte heeft de steun van chipfabrikant Advanced Micro Devices, zelf fabrikant van de PIC, een PC zonder monitor voor $ 185. En hij is bezig een coalitie met onder andere Motorola, Samsung, Google en de Wereldbank samen te stellen. Doel: binnen enkele jaren laptops in de handen van 800 miljoen kinderen in ontwikkelingslanden. Zonder de Nieuwe Economie zouden dit soort doelstellingen niet eens denkbaar zijn geweest.

De aangekondigde dood van de Nieuwe Economie lijkt me voorlopig in hoge mate overdreven.

De beperkingen van het informatica onderwijs

In Technisch Weekblad on maandag, november 22, 2004 at 20:07

Als er ergens sprake is van geschiedenis in een stroomversnelling dan is het wel in de informatica. Tien jaar geleden heb ik met een commissie van deskundigen een visitatierapport geschreven over de kwaliteit van het informatica onderwijs aan 34 HBO faculteiten. In het eindrapport van meer dan 400 bladzijden kwam het woord Internet nog niet voor. Naast de waardering voor het talent en de gedrevenheid die we bij vele, niet alle, faculteiten aantroffen, was het algemene oordeel van de visitatiecommissie kritisch.

Informatica onderwijs bestond uit talrijke kleine eilandjes. Er was in zeer geringe mate sprake van interne integratie, uitstijgend boven een enge focus op een enkele specifieke en tijdelijke technische toepassingen. Vervolgens was er een gebrek aan externe integratie, oriëntatie op ontwikkelingen in de markt en klantgerichtheid. Kenmerkend was het oordeel van een computerfabrikant, dat afgestudeerde Nederlandse informatici categorisch ongeschikt waren voor functies waarbij innovatie of commercie een rol speelde. Daarvoor koos hij Ieren of Amerikanen. De visitatiecommissie oordeelde dat gebrek aan externe integratie in die tijd in hoge mate de weerspiegeling was van het gebrek aan innovatie en ondernemerschap van de werkgevers, de grote Nederlandse automatiseringsbedrijven. Deze profileerden zich vooral als uitzendbureaus van automatiseerders, als bodyshoppers.
Bij een recente nieuwe kennismaking met het HBO informatica onderwijs is mij gebleken dat het onderwijslandschap drastisch is veranderd. De apparatuur van 1993 is inmiddels verhuisd naar een museum. Het onderwijsprogramma is onherkenbaar en in ieder geval minder gefragmenteerd. Informatie, communicatie en ontwerp worden veel beter geïntegreerd.

Hoe hebben de werkgevers zich inmiddels ontwikkeld? De berichten over innovatie en ondernemerschap van de grote Nederlandse automatiseringbedrijven lijken na tien jaar nog even somber. De krant bericht dat het verliesgevende Getronics het inkrimpende Pink Roccade gaat overnemen. Aandelen worden geruild en topfuncties worden verdeeld. Maar ieder bericht over versterking van de marktpositie ontbreekt.

Andere berichten zijn evenmin inspirerend voor de student informatica. Onderzoekbureau Forrester (persbericht 11/10/04) oordeelt dat negen van de tien Europese telecommunicatie bedrijven ondanks mooie praatjes weinig aan innovatie doen. De uitzonderingen zijn in ieder geval niet Nederlands. Automatiseerder Cap Gemini gaat, in afwachting van een verbetering van de conjunctuur, de toenemende verliezen bestrijden met de verkoop van de noord-amerikaanse divisie, ter grootte van 10.000 medewerkers.

Dat het ook anders kan bewijst het qua oorsprong vergelijkbare Accenture in de VS. Deze automatiseerder heeft gekozen voor een in deze bedrijfstak nieuwe strategie waarbij risico’s van grote IT projecten gedeeld worden met opdrachtgevers via prestatiecontracten. Dit heeft geresulteerd in een groei in het aantal werknemers met 20.000 naar 103.000 in de twaalf maanden tot 31 augustus 2004. Over het komende jaar wordt een gelijke groei verwacht. En een winst van $ 1,35 miljard.

Inmiddels blijft in Nederland Getronics wachten op een verbetering van de conjunctuur. Als belangrijkste gevolg van de fusie met Pink Roccade wordt genoemd het schrappen van 1.150 banen. Over innovatie of verbetering van de dienstverlening wordt niet gesproken. De beperkingen van het Nederlandse informatica onderwijs zijn uiteindelijk de beperkingen van de informatica bedrijfstak.

Banenverlies aan China en Japan?

In Technisch Weekblad on maandag, november 1, 2004 at 20:06

Hoe kunnen we de Europese economie uit het slop halen en meer banen creëren? Woensdag heeft oud-premier Wim Kok daarover een advies, “Facing the challenge”, uitgebracht aan de EU regeringsleiders. Een tweezijdig schrikbeeld waart door Europa. Aan één kant is dat het beeld van een arbeidsreservoir van twee miljard ontketende Chinezen die bereid zijn te werken voor één euro per dag. Het resultaat is een stormachtige groei van de export van industriële producten niet belemmerd door enige regelgeving op het gebied van milieu of arbeid. Aan de andere kant is dat het beeld van hoogopgeleide radiologen in Bombay die via een breedband verbinding MRI’s bestuderen van patiënten in Europese en Amerikaanse ziekenhuizen. Westerse bedrijven reageren op deze concurrentie met outsourcing en offshoring, in goed Nederlands, uitstoot van arbeid. Hooggeschoolde arbeid wordt niet minder bedreigd dan laaggeschoolde.

De laatste keer dat we ons in het westen in deze mate zorgen hebben gemaakt over massale werkloosheid was midden jaren tachtig. De werkloosheidcijfers lagen toen veel hoger dan nu en het pessimisme onder economen en politici over de mogelijkheden om deze te kunnen bestrijden was veel groter. De boosdoeners waren toen de groeiende export uit Japan en de automatisering. Diepe indruk maakte een schrikaanjagend filmpje op televisie met beelden van robots die, getoonzet op muziek van Richard Wagner, volautomatisch lange rijen van geraamtes van Toyota’s voorzagen van puntlassen. Als econoom maakte ik midden jaren tachtig tabellen over de grote voorsprong van Japan op het westen in aantallen industriële robots. Deze vonden gretig aftrek. Collega’s knikten instemmend. Maar toen ik schreef dat de productiviteit per uur van de Japanse arbeider structureel veel lager was dan van de Nederlandse, werd dat genegeerd. De kracht – en het gevaar – van de communis opinio moet niet onderschat worden.
Het pessimisme van de discussie over technologie en arbeid vertaalde zich in voorstellen van Premier Den Uyl een zware belasting te gaan heffen op automatisering. Zijn leerling Wim Kok vocht midden jaren tachtig als FNV voorzitter voor ruime VUT- en WAO-regelingen om de constant geachte voorraad banen rechtvaardiger te verdelen.

Uiteindelijk bleek de angst voor Japanse economische suprematie ongegrond. De handelseconomen, zoals Paul Krugman, die hadden gesteld dat de opkomst van een nieuwe economie zoals Japan meer voordelen dan nadelen biedt voor de gevestigde orde, kregen gelijk. De noodzakelijke aanpassingen in ondernemerschap en arbeidsmarkt leidden tot een langdurige periode van economische groei, met positieve effecten voor de werkgelegenheid en voor op innovatie gebaseerde productiviteit.
Ons aanpassingsvermogen heeft ons gered. Dat geldt niet het minst voor Wim Kok. Hij adviseert nu de EU niet defensief te reageren op China en India, en op technologische ontwikkelingen. Hij komt in “Facing the challenge” met aanbevelingen méér te investeren in automatisering (ICT) en innovatie. De Europese vrije markt moet worden voltooid, administratieve lasten moeten worden verlicht. De landen van de EU moeten milieuvernieuwing stimuleren. Ook moeten Europeanen langer leren en langer werken dankzij betere werkomstandigheden.