Frits Prakke

Archive for the ‘Technisch Weekblad’ Category

Open innovatie en gatekeepers

In Technisch Weekblad on maandag, oktober 30, 2006 at 23:30

Wetenschappelijke doorbraken en radicale innovaties worden voor het gemak meestal toegeschreven aan een enkele persoon, de eenzame genie. Maar als we de geschiedenis van bijvoorbeeld de ontdekking van DNA of de ontwikkeling van de eerste computerchip bestuderen blijkt al gauw dat de spreekwoordelijke genie allesbehalve eenzaam opereert. Bijna altijd blijkt er sprake te zijn van uiterst intensieve interactie binnen kleine groepen van gelijkgestemden. Innovatie is een groepsproces.

Lee Fleming en Matt Marx van de Harvard Business School onderzochten twee miljoen patentaanvragers en hun coauteurs tussen 1975 en 1999. Steekproefsgewijs werden interviews afgenomen over hun sociale netwerken. De uitkomsten van deze studie bevestigen het beeld van intensieve clustering van kleine groepen onderzoekers. Innovatie vindt plaats in kleine werelden. Essentieel voor het succes van deze groepen is de rol van de gatekeeper. De kleine groep wordt gekenmerkt door het vrijelijk delen van informatie, ideeën en kritiek en door onderling vertrouwen. Maar de groep neigt sterk naar afsluiting van de buitenwereld. De oriëntatie is lokaal. De essentiële rol van de gatekeeper is juist om relaties te leggen naar buiten, bijvoorbeeld naar andere disciplines of naar gebruikers. Zijn oriëntatie is kosmopoliet.

De kunst van innovatiemanagement is niet de identificatie van toekomstige uitvinders, maar de identificatie van gatekeepers. Deze moeten enerzijds de vrijheid krijgen buiten de organisatie te gaan om te participeren in bredere netwerken, anderzijds moeten ze verbonden worden met de strategische doelstellingen van de eigen organisatie. De invulling van deze rol is afhankelijk van de aard van de technologie en de economische verhoudingen.

In de vorige eeuw konden grote ondernemingen zoals IF Farben, Dupont en AT&T grote innovatieve prestaties leveren dankzij hun industriële researchlaboratoria onder leiding van vooraanstaande wetenschappers. De hoogleraren Holst en Casimir verhuisden van Leiden naar Eindhoven om de rol van inspirator, chief gatekeeper, van het Philips Natlab op zich te nemen. Maar die tijd is voorbij. De rol van centrale researchlaboratoria is uitgespeeld. Nu we in een tijdperk van Open Innovatie leven moet de rol van gatekeeper op een geheel andere wijze worden ingevuld.

In de periode 1975-1999 is de mate van intensiteit van clustering van innovatiegroepen gelijk gebleven. Maar het aantal externe relaties van de gemiddelde gatekeeper is door de opkomst van Open Innovatie toegenomen, en daarmee zijn machtspositie tegenover zijn werkgever. Een baan bij een concurrent is gauw gevonden. Amerikanen zeggen, “Technology travels on the hoof”. Daarbij gaat het eigenlijk niet om de technische kennis die wegloopt, maar om de positie in een informatienetwerk. Er zijn bedrijven die daarom hun researchteams in afzondering laten werken, maar isolatie is uiteindelijk funest voor de kritieke rol van de gatekeeper in het innovatieproces. Als innovatie het doel is van een organisatie – of het nu een ingenieursbureau, een faculteit of een ICT bedrijf is – dan is van het grootste belang (potentiële) gatekeepers te identificeren en te binden. Succes betekent dan niet isolatie maar een positieve balans tussen binnenkomende en uitgaande kennis.

Europa langs de zijlijn

In Technisch Weekblad on maandag, oktober 2, 2006 at 23:28

Alle Nobelprijzen voor wetenschappelijke prestaties voor 2006 zijn nog niet vergeven, maar het is een veilige voorspelling dat aan het einde van deze week Europa handenwringend aan de zijlijn zal staan, zich beklagend over de uitkomsten. Bijna alle Nobelprijzen gaan, geloof me, ook dit jaar naar andere continenten, met name Noord Amerika. Soms is er een Nederlander bij die inmiddels al lang in het buitenland werkt.

De Nederlandse regering wil in de eredivisie van wetenschap en technologie gaan voor de hoogste prijzen – een kampioenschap, de beker, of in ieder geval “Europees” . De vraag is hoe we dat doel kunnen bereiken. “Zijn die Amerikanen nou zo slim, of ….?” Het is niet moeilijk die vraag ontkennend te beantwoorden. Het kennisniveau van de beste Nederlandse ingenieurs en onderzoekers doet niet onder voor dat van enig ander land. Wat mij, en vele anderen, natuurlijk wel is opgevallen is dat Amerikanen zeer goed, zeer doelgericht georganiseerd kunnen zijn.

Adviseurs van de Nederlandse regering, bijvoorbeeld de Adviesraad Wetenschap en Technologie, beklemtonen vaak dat onze nationale besteding aan onderzoek, de input, omhoog moet. Europa besteedt 1,8 % van het BNP aan onderzoek. De VS 2,6 %. De Barcelonadoelstelling van 3% van het BNP voor de gehele Europese Unie is een dode letter. Ernstiger is dat de uitgaven van de private sector juist dalen.

Ook wordt gepleit voor bestuurlijke maatregelen aan de kant van de output. Dat betekent volgens de adviseurs prijzen en bonussen voor excellente onderzoekers. Daaruit ontstaat concurrentie in alle geledingen, van aankomende studenten tot hoogleraren, en logischer wijze ook tussen instellingen. Prachtig, maar de honderdjarige traditie in Nederland van het hoger onderwijs als verambtelijkte staatsinstelling zal zich daar tot het uiterste tegen verzetten. Al zeker dertig jaar probeert het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen greep te krijgen op de output van het hoger onderwijs en dit heeft in de beste bureaucratische traditie slechts geleid tot vele extra lagen van management tussen de onderzoekers en de minister. Parkinson berekende ooit dat het aantal ambtenaren op het Britse ministerie voor de Marine over de jaren sterk toenam naarmate de sterkte van de vloot afnam. Ongetwijfeld is in Nederland het aantal ambtenaren verantwoordelijk voor het wetenschappelijk onderwijs over de jaren zeer sterk toegenomen naarmate het aantal Nobelprijzen is afgenomen.

De daling van bestedingen voor onderzoek in de private sector lijkt een rationele keuze. Bezuinigingen hebben de overhand. De opbrengsten zijn te gering. Philips kiest medische technologie als strategische kernactiviteit en verhuist vervolgens het hoofdkantoor en het onderzoekcentrum van deze divisie naar de VS. Als reden wordt gegeven dat het onderzoeksklimaat daar beter is. Dat lijkt erg op de verhalen van vele Europese onderzoekers, met of zonder Nobelprijs, die naar Amerika zijn getrokken. Ze vinden de Amerikaanse politiek verfoeilijk, maar ze zijn zeer positief over het werkklimaat, de afwezigheid van ambtelijke inmenging en over de organisatie van het onderzoek. In de VS is de studie van de organisatie van onderzoek een zelfstandige discipline. Misschien hebben we in Nederland juist op dat gebied wat te leren.

Terreurbestrijding niet innovatief

In Technisch Weekblad on zondag, september 3, 2006 at 23:27

Vijf jaar geleden op 11 september boorden twee gekaapte passagierstoestellen zich in de Twin Towers van het WTC in New York. In shock keek ik toe hoe de twee machtige torens vervolgens in elkaar stortten, eindeloos herhaald op de televisie. 2.973 Onschuldige mensen kwamen om het leven. De volgende dag kon ik niet helpen – déformation professionelle – me steeds opnieuw de vraag te stellen hoe deze gebeurtenissen tot geheel nieuwe technische ontwikkelingen zouden moeten leiden. Als de bestudering van innovatieprocessen ons iets leert, dan is het wel dat nieuwe noden tot nieuwe technische oplossingen leiden. Dat geldt ook voor militaire en veiligheidstechnologie.

Niet langer waren de langeafstandsraketten en tanks van de sovjets onze vijand. Zelfs geen guerrilla leger, maar cellen van fundamentalistische zelfmoordenaars waren de nieuwe bedreiging. Alle antitank kanonnen konden onmiddellijk naar het museum en die miljarden dollars voor de ontwikkeling van de reeds op de tekentafel plotseling hopeloos verouderde JSF konden op een veel betere manier benut worden. Iedereen kon dat op 12 september 2001 zien.

Het aantal Amerikaanse militaire gesneuvelden in de strijd tegen de terreur is volgens CNN deze week, precies vijf jaar later, gekomen op 2.974, één meer dan het aantal oorspronkelijke burgerslachtoffers. Tijd voor een evaluatie. Het is duidelijk dat we er niet in geslaagd zijn de verantwoordelijken voor de aanslag op het WTC ter verantwoording te roepen. Vijf jaar na de Duitse inval in Frankrijk en Nederland waren de Nazi’s verslagen en was Hitler dood. Ben Laden is nu nog steeds bezig met plannen voor zijn volgende terreuraanslag. Grote aantallen nieuwe slachtoffers in Madrid en Londen hebben we niet kunnen voorkomen. In Nederland werd Theo van Gogh op straat vermoord.

Zijn we er tenminste in geslaagd nieuwe technologie ter bestrijding van aanslagen te ontwikkelen? Het lijkt erop dat de reacties van de westerse regeringen weinig doelgericht en in ieder geval niet technisch innovatief zijn geweest. Nederland blijft honderden miljoenen euro’s investeren in de JSF. In een evaluatie meldt het Amerikaanse Department of Homeland Security (DHS), coördinator van het Amerikaanse antiterreur beleid, 25 “key accomplishments” in de afgelopen 3 jaar. De meerderheid betrof organisatorische verbeteringen, zoals het oefenen van rampenplannen met meerdere ambtelijke diensten. Slechts drie keer was er volgens CNN sprake van een technische vernieuwing. Dat betrof één data netwerk voor de uitwisseling van geheime informatie, toepassing van biometrica en verbeterde paspoorten. In totaal werden daarmee uit 44 miljoen buitenlandse bezoekers 950 illegale migranten betrapt, maar geen terroristen. DHS zegt dat er enkele miljarden dollars aan innovatieprojecten, bijvoorbeeld geautomatiseerde patroonherkenning, nog in de pijplijn zitten.

De grootste investeringen zijn gedaan in informatienetwerken. Maar dat geeft weinig hoop als we ons herinneren dat, twee maanden voor de aanslag op het WTC, wanhopige FBI agenten in Arizona per telefoon hun hoofdkantoor waarschuwden voor Arabieren die op verdachte wijze een lokale pilotenopleiding volgden, zonder interesse voor landingsprocedures. Zij kregen geen reactie, informatienetwerk of niet.

Een nieuwe politieke agenda

In Technisch Weekblad on maandag, juli 24, 2006 at 23:26

In Nederland is het usance het echte politieke debat slechts eens per vier jaar te voeren, in de periode tussen de kabinetten. Tussen het aantreden van een nieuwe coalitie en het einde ervan zijn bijna alle belangrijke politieke onderwerpen taboe en wordt er slechts “kleine politiek” bedreven. Met de val van Balkendende II over het optreden van minister Verdonk is nu weer zo’n periode van echte politiek aangebroken.

De ondernemersorganisaties VNO-NCW en MKB Nederland hebben dat goed begrepen. Terwijl de politieke partijen nog bezig zijn programmacommissies samen te stellen hebben de werkgevers alvast een radicaal manifest met 93 adviezen gepresenteerd, Nederland kán beter. Het advies dat eruit springt is de samenvoeging van de ministeries van Sociale Zaken, van Economische Zaken en Landbouw met (delen van) Financiën, van VROM met Verkeer en Waterstaat, en Binnenlandse Zaken met Justitie. Resultaat: 40.000 ambtenaren minder. Het is duidelijk dat de werkgevers er deze keer niet op uit zijn zich in Den Haag populair te maken.

In het algemeen ben ik het eens met de stelling van de grote Amerikaanse econoom J.K. Galbraith, dat zodra een groep ondernemers zich verenigen op een punt van maatschappelijk belang, de burger goed op zijn portemonnee moet gaan letten. Maar in het nu gepresenteerde manifest zitten behartigenswaardige agendapunten. Nu is het nog zo dat ministeries veelal goed georganiseerde achterbannen aan de aanbodskant van de economie vertegenwoordigen: de boeren, de gevestigde vakbonden, de betonlobby, milieuorganisaties, de industrie, de winkeliers of de onderwijzers. Door samenvoeging van ministeries wordt de macht van deze zogeheten IJzeren Ring gebroken. Dan worden de belangen aan de vraagkant van de economie, de consumenten, de burgers, beter behartigd.

Ook zou het goed zijn als de overheid zou leren van de bedrijfsmatige ontwikkelingen in de industrie de laatste twintig jaar, bijvoorbeeld op de punten van het streven naar kleinschaliger organisaties, minder bureaucratie door minder hiërarchische lagen (General Electric), en meer zelfstandige organisatorische eenheden, business units (Asea Brown Boveri), die ex post afgerekend worden op prestaties. Het lijkt me niet overdreven te stellen dat de diverse Nederlandse overheden op deze punten een faliekante tegengestelde ontwikkeling hebben meegemaakt. Voorbeelden te over. In mijn eigen gemeente worden nog steeds scholen in o.a. het basisonderwijs gefuseerd tot weerzinwekkend grote leerfabrieken en is het aantal beleidsambtenaren, ondanks alle bezuinigingsrondes, in zes jaar met 40 % toegenomen. In ziekenhuizen en in het hoger onderwijs naderen we het punt dat managers meer dan de helft van het personeel uitmaken. Al deze ontwikkelingen zijn door de politiek genegeerd, terwijl wel het eveneens uit de private sector afkomstige dogma van de privatisering werd omhelsd. Dat gebeurde op een sjabloneachtige manier die vaak desastreus was.

Als de werkgevers nu hun oude doelstellingen van dogmatische privatisering willen inruilen voor de drastische reorganisatie van het ambtenarenapparaat zoals bepleit in het Manifest, lijkt mij dat een uitstekende agenda voor een nieuwe regering.

Wat is de waarde van een topopleiding en wie betaalt?

In Technisch Weekblad on maandag, juni 12, 2006 at 23:24

Op mijn lagere school mocht de leerling die het hoogste cijfer haalde voor dictee of rekenen als beloning met groene inkt schrijven. Maar na de pauze op het schoolplein had die leerling zelden de meest knikkers in zijn zak. De vraag over het verband tussen onderwijspres¬taties en economisch succes is weer actueel. De Nederlandse regering lijkt het zeker te weten en stuurt op basis van het profijtbeginsel steeds meer aan op steeds hogere eigen bijdragen van studenten voor topopleidingen, MBA’s en HBO Mastersopleidingen. De VVD vindt dat studenten maar leningen moeten sluiten bij banken. De PvdA lanceert een plan om afgestudeerden meer belasting te laten betalen. Onderwijs op basis van het vooruitgangsideaal staat in Nederland op het punt ingeruild te worden voor onderwijs op basis van draagkracht. Hebben die plannenmakers nooit geknikkerd? De relatie tussen topopleidingen en inkomen is niet zo simpel.

In een elegant opgezet longitudinaal onderzoek probeert Adam Richman de vraag te beantwoorden wat de waarde is geweest van de opleiding voor 140 van zijn klasgenoten uit 1996 aan de Harvard Business School. Het collegegeld van deze ultieme topopleiding bedraagt $ 70.000 voor twee jaar. Om de vijf jaar beantwoorden zij de enquêtes van Richman over hun successen en mislukkingen op diverse gebieden. Een focusgroep van tien uit hun midden wordt intensief gevolgd met intensieve interviews en documentaires. Wat een prachtig onderzoek! Op de 10-year Class Reunion in 2006 blijken 5 van 10 zwaar slachtoffer te zijn geweest, vooral financieel, van de Internetcrisis. De andere helft zijn overlevenden. De diversiteit aan positieve ervaringen, inclusief boeken schrijven, liefdadigheid in de derde wereld en sociale projecten is werkelijk indrukwekkend. De bijdrage van de Harvard MBA ligt niet in de opgedane kennis, maar in het zelfvertrouwen en het besef na iedere crisis een nieuwe start te kunnen maken. De waarde van hun opleiding is meer psychologisch dan economisch.
Er zijn in de VS meerdere pogingen geweest de economische waarde van een MBA te bepalen. Aanvangssalarissen van afgestudeerden van topuniversiteiten liggen hoger. Bij een technische vooropleiding is dat effect overigens nog sterker. Beleggingsfondsen met een directeur met een MBA van een top-30 universiteit presteerden volgens onderzoek van Gottesman boven het gemiddelde. Maar ondernemingen met een CEO met een graad van een van de tien topuniversiteiten presteerden financieel niet boven het gemiddelde. Dus als deze MBA’s aan de top al meer verdienen dan hun collega’s is het niet verdiend.

Henry Mintzberg van McGill University in Montreal onderzocht in 2003 de carrières van de 19 academisch best presterende studenten van Harvard uit het jaar 1990. Zij mochten toen met groene inkt schrijven. Maar in 2003 waren tien daarvan volstrekt mislukt en vier waren twijfelgevallen. Slechts vijf van de 19 hadden een succesvolle loopbaan. Met een zak vol knikkers. Voor Mintzberg, zelf een topadviseur van grote ondernemingen, is dit het bewijs dat je in de collegezaal geen managers kan creëren, maar slechts “hubris”. In goed Hollands: praatjesmakers. Voor mij betekent het in ieder geval dat het verband tussen hoger onderwijs en inkomenspotentieel niet sterk genoeg is om in Nederland over te gaan op de financiering van topopleidingen op basis van de draagkracht van de student.

De terreur van de schoolfrikken

In Technisch Weekblad on maandag, mei 15, 2006 at 23:22

Minister Veerman van Landbouw heeft deze week in Flevoland een genenbank geopend, zeg maar een reservaat, van oer-Nederlandse bomen en struiken. Denk aan de bitterwilg, de kruisbes en de heggeroos. Hij wil deze bewaren voor de toekomst. Exoten vanaf de tijd der Batavieren komen-er-niet-in. Deze daad zou slechts lachwekkend zijn als die niet tekenend was in zijn xenofobische inslag voor het beleid van deze regering.

Op allerlei terreinen worden regels bedacht om niet-Nederlandse invloeden te weren. En regels zijn regels. We worden bang gemaakt voor damesondergoed uit China, voor energie uit Rusland en voor loodgieters uit Polen. Buitenlandse studenten, software ingenieurs en wetenschappers moeten aan steeds meer regels voldoen om toegelaten te worden. We zien het allemaal om ons heen aan universiteiten en in hi-tech bedrijven. De Surinaamse psycholoog uitgenodigd voor een internationaal onderzoeksproject in Utrecht wordt zo lang aan het lijntje gehouden voor zijn werkvisum, dat hij tenslotte maar als toerist komt. De van geboorte Zuid-Afrikaanse wiskundige die na zes jaar het universitaire rekencentrum vaarwel heeft gezegd om zijn eigen software bedrijf te beginnen, durft plotseling Nederland niet meer uit omdat dan terugkeer naar zijn bedrijf en gezin door de nieuwe immigratieregels onzeker is. Op de televisie zien we dat de vwo-leerlinge Taida Pasic uit Kosovo, die zorgvuldiger en fraaier haar Nederlandse zinnen formuleert dan de meeste politici, twee weken voor het eindexamen als een crimineel het land wordt uitgestuurd. Ze heeft zich niet aan de regels gehouden. Nederland wordt zo van een driestromenland tot een armoedig reservaat.

Het toppunt van de door de nieuwe Nederlandse xenofobie ontstane regelzucht is het inburgeringexamen en de daaraan verbonden cursussen. Dat is de terreur van de schoolfrikken. Voormalig CDA-politicus Marnix van Rij, tegenwoordig van adviesbureau Ernst & Young, heeft onlangs het gebruik van dit examen gehekeld vanuit het oogpunt van de kenniseconomie en de noodzaak het beste buitenlandse talent aan te trekken. Nederland raakt zo achterop.

Twee afgestudeerde kinderen, beiden met moeite een 6-, daagden mij uit op Internet het examen te doen. Graag. Ben ik niet 100 % ingeburgerd? Bovendien ben ik altijd al erg goed in toetsen geweest. Onlangs haalde ik nog een 10 op een Marie Claire toets-je-relatie quiz. Ik weet precies het soort antwoorden dat in zo’n situatie gewenst wordt. Al gauw werd me duidelijk dat de vragenlijst niet door deskundigen was opgesteld en op krampachtige manier probeerde politiek correct te zijn. Ik schaamde me om de neerbuigende toon. Waarschijnlijk gemaakt door een commissie van ambtenaren met een opleiding rechten of bestuurskunde. Mijn cijfer was tenslotte 7,4. Dus op zijn minst was een kwart van de vragen fout.

Taida Pasic, Salomon Kalou, en na deze week Hirsi Ali, gaan allen verloren voor Nederland. En door het restrictieve toelatingsbeleid nog vele anderen waarvan we de namen nooit zullen weten. Maar als we er niet in slagen het beste talent uit het buitenland aan te trekken wordt het nooit wat met de Nederlandse kenniseconomie. Er blijft slechts een zielig reservaat over.

Nedcar en het einde van het Fordisme

In Technisch Weekblad on maandag, april 17, 2006 at 23:20

Even dacht ik dat ik keek naar een aflevering van het programma “Terug naar de jaren zeventig”. De televisie toonde beelden van onze premier, vakbondsleider Jean Wouters en de president-directeur Masuko van autofabrikant Mitsubishi, die in gezamenlijk overleg de werkgelegenheid bij NedCar in Born zouden zeker stellen. Maar op de achtergrond ontbrak de muziek van de Monkeys en Abba, evenals de economische realiteit voor een dergelijke gezamenlijke actie. Ooit maakten Big Government, Big Labor en Big Business samen de dienst uit, maar dat is al lang niet meer. Dat was de tijd van het Fordisme. Anno 2006 is de muziek misschien niet beter, maar wel anders.

Begin jaren tachtig verklaarde een Nederlandse minister van Economische Zaken dat het beeld van de tewaterlating van een schip hem in vervoering bracht. “Als een mooie vrouw”. Maar toen hij dat gevoel omzette in subsidies voor het voortbestaan van de werven van Rijn Schelde Verolme resulteerde dat in tientallen miljoenen verlies voor de Nederlandse schatkist en een onvermijdelijk faillissement. Zonder dit soort subsidies is onze scheepsbouw tegenwoordig weer een florerende bedrijfstak. De Fokker 50 en Fokker 100 waren jarenlang de troetelkinderen van het Nederlandse Wetenschap- en Technologiebeleid. Tien jaar na het voor de schatkist kostbare faillissement van Fokker Aircraft is de werkgelegenheid in de vliegtuigbouwsector groter dan ooit.

Zelf raak ik in vervoering bij het kijken naar beelden van de productielijn bij NedCar. Dat is als een technologische symfonie. De productie van meer dan één merk automobiel op dezelfde lopende band bij NedCar is een technologische innovatie van wereldformaat. De ingenieurs in Born hebben een topprestatie geleverd door in de concurrentieslag overeind te blijven. Maar ik weet wel beter dan dit onder druk van de politiek en vakbonden te gaan subsidiëren.
Net als de Monkeys en Abba heeft het Fordisme ook na de jaren zeventig nog wel pogingen tot een comeback gedaan. Onder president Reagan heeft de Amerikaanse regering in 1981 Chrysler van de ondergang gered met een steunoperatie samen met de banken van $ 5 miljard en een importheffing van 25 procent op pick-ups, het meest winstgevende marktsegment. Japan werd bovendien gedwongen om zogenaamde vrijwillige exportbeperkingen door te voeren.

Maar de economische en politieke realiteit is definitief veranderd. Vorig jaar bedroegen de verliezen van General Motors meer dan $ 10 miljard. GM verwacht voor 2008 ongeveer 30.000 banen te schrappen en 12 fabrieken te sluiten. De situatie bij Ford Motor Company is niet veel beter. Het aandeel van de auto-industrie in de private werkgelegenheid is meer regionaal gespreid en in 25 jaar gedaald van 1.4 tot minder dan 1 procent. Een op de vijf werknemers in de bedrijfstak werkt nu voor florerende buitenlandse autofabrikanten. De grote bedrijven zijn verzwakt, de grote vakbonden zijn uitgehold en de overheid ontbreekt het aan de wil èn de instrumenten om in te grijpen. De Republikeinen in de regering prediken een kleine overheid.
Het Fordisme is dood. Balkenende, Masuko en Wouters zullen NedCar niet redden. Maar ik heb goed vertrouwen in de ingenieurs in Born.

Management na de Nieuwe Economie

In Technisch Weekblad on maandag, maart 20, 2006 at 23:17

Het Nederlandse bedrijfsleven herstelt slechts aarzelend van de economische malaise na de uitbundige jaren van de Nieuwe Economie, 1998 – 2002. Waren we toen op vele indicatoren het beste jongetje van de klas in de EU, nu horen we bij de achterblijvers. En daarin ligt misschien wel gelijk de verklaring.

De Nieuwe Economie was een periode van extreme fluctuaties in zowel technologie als in kapitaalmarkten. Op zeer grote schaal verschenen nieuwe producten, nieuwe bedrijven en zelfs geheel nieuwe markten. Er was sprake van “fast history” op het gebied van innovatie. De kapitaalmarkt werd grilliger naarmate deze door steeds meer bedrijven als leidraad werd gezien. “Shareholder value” verving in vele gerenommeerde ondernemingen continuïteit als ultieme doelstelling. Ik ken een gerenommeerd, degelijk Nederlands bedrijf dat er in 2000 toe overging bij de hoofdingang in grote neoncijfers de courante koers van het eigen aandeel te tonen. Dat heeft maar kort geduurd.

Overal werden divisies of bedrijfsonderdelen die te weinig bijdroegen aan de winst op de korte termijn, en daarom niet in de gunst van de aandelenbeurs lagen, weggesaneerd. Zo ontstond een casino-economie met extreme winnaars en extreme verliezers. In een aantal gevallen leidde dit tot crimineel gedrag van managers. Maar schadelijker was uiteindelijk dat door de grilligheid van de financiële uitkomsten de managers het zicht verloren op de factoren die op de langere termijn de waardescheppende kwaliteit van de onderneming bepalen.

De economie verkeert nu in een meer stabiele fase, maar de druk van de internationale concurrentie is niet minder. De taak van managers is een adequaat antwoord te vinden op de nieuwe uitdagingen. Nu we niet meer in een casino leven lijkt me dat de eerste prioriteit moet liggen in het ontwikkelen van de kwaliteit van de bedrijfsorganisatie. Dat betekent management van mensen, gericht op het vermogen van de onderneming op langere termijn waarde te scheppen.

Jack Welch, oud-CEO van General Electric, staat bekend als neutronen-Jack, omdat er in zijn dagen als saneerder na zijn bezoek aan een financieel ondermaats presterende fabriek, als door een neutronenbom, alle werknemers waren verdwenen. Tegelijk voerde hij een zodanig bonusbeleid in, dat er bij GE meer managers miljonair waren dan in enig andere onderneming. Nu de Nieuwe Economie voorbij is pleit deze Jack Welch voor people management, het motiveren van mensen niet met geld, maar met professionele erkenning, met het gezamenlijk vieren van successen, met evenwicht tussen de persoonlijke uitdaging en prestatie, en met het uitdragen van een duidelijke visie. Kortom, menselijke relaties in plaats van dollars. Het zijn principes van goed management die de goedkeuring zouden krijgen van de onlangs overleden Peter Drucker, management goeroe van het eerste uur en verklaard tegenstander van de praktijken onder de Nieuwe Economie. De ogen van het management moeten minder gericht zijn op de aandelenkoersen en hun bonussen, en meer op de kwaliteit van hun organisatie. Dat is ook de omslag die het Nederlandse bedrijfsleven moet maken om na de Nieuwe Economie weer tot de top in Europa te behoren.

Deskundigen, onkundigen

In Technisch Weekblad on maandag, februari 20, 2006 at 23:16

Is onze afhankelijkheid van kennis en deskundigheid ooit groter geweest dan nu? Overal zien we onzekerheid over de dag van morgen. De beschikbaarheid van olie, technologische doorbraken, de stand van de dollar en de stand van de Rijn, de Nederlandse export, de kansen van onze jongens in Urguzstan, de uitslag van de eerstvolgende verkiezingen, etc.. Steeds worden deskundigen geraadpleegd. Deskundigen zijn de orakels van de moderne tijd. Het lijkt wel of de gemiddelde minister niet meer zijn bed uitkomt alvorens een adviescommissie van deskundigen te raadplegen. De televisiekijker wordt iedere avond overspoeld door de uitspraken van uitverkoren deskundigen, het gilde van de Dr Clavans, die zich laten verleiden tot boude uitspraken over de toekomst. Maar hoe deskundig zijn zij? Is daar ooit echt onderzoek naar gedaan?

Philip E. Tetlock, professor aan de universiteit van California in Berkley, heeft over een periode van zeven jaar meer dan tachtigduizend kwantificeerbare voorspellingen van deskundigen onder de statistische loep genomen en komt tot een aantal opmerkelijke conclusies. In het onderzoek scoren de deskundigen hoger in het detail en de stelligheid van hun voorspellingen dan niet-deskundigen. Maar niet in de juistheid daarvan. Deskundigen blinken uit in het noemen van factoren die de toekomst beïnvloeden, maar scoren niet hoger op de uitkomsten. Computermodellen die gebruik maken van complexe algoritmen zijn volgens Tetlock in staat 47 % van de variabiliteit in toekomstige gebeurtenissen te voorspellen en simpele extrapolaties van tijdreeksen altijd nog 25 % tot 30 %. Daar staat tegenover een score van 20 % voor de beste deskundigen.

Een Amerikaanse collega zei ooit tegen mij: voorspellen is duivels moeilijk, vooral over de toekomst. Meerdere malen heb ik mijzelf gewaagd aan deelname aan toekomstverkenningen, bijvoorbeeld om tot een lijst van voor Nederland kansrijke technologische gebieden te komen. Perspectief is van belang. In 1994 nog publiceerden we een rapport met een lijst van 30 belangrijkste innovatiegebieden, waarin jammerlijk de mogelijkheid van de ontwikkeling van een Internet niet voorkwam. Vijf jaar later was Internet de grote drijfveer achter innovatie op tal van gebieden, ook in Nederland. Daar wordt een mens bescheiden van. De fundamentele onzekerheid over de technologische toekomst, ongeacht de immer aanwezige deskundigen die beweren het beter te weten, is het belangrijkste argument tegen een innovatiebeleid van “picking the winners”. En vóór bescheidenheid van deskundigen.

Maar kunnen we dan niet betere deskundigen selecteren, of we nu secretaris-generaal op een ministerie zijn of televisieproducent? Nee, Tetlock concludeerde uit zijn studie dat het geen verschil maakte of de deskundige een gemiddelde of een hoge academische graad had, doctorandus of hoogleraar aan een gerenommeerde universiteit. Ook het aantal jaren ervaring speelde geen rol. Wie vreest dat deskundigen met toegang tot kennis achter slot en grendel – bijvoorbeeld in geheime databanken van de regering, van multinationals, of van geheime genootschappen – meer weten, kan gerust zijn. Zij scoren niet hoger. Het enige verschil vindt Tetlock bij deskundigen die beroemd zijn. Hun scores zijn significant lager dan die van de gemiddelde deskundigen, en dus lager dan niet-deskundigen. Als het over de toekomst gaat, wacht u voor deskundigen ……. en columnisten.

Technologie van het genoeg

In Technisch Weekblad on maandag, januari 23, 2006 at 23:14

Minister Zalm van Financiën is 2006 opgewekt begonnen door te zeggen dat er in Nederland eigenlijk geen armoede meer is. Onmiddellijk, en met reden, kreeg hij het weldenkende deel der natie over zich heen. Dat was politiek zeer onverstandig van de VVD minister. Maar analytisch, buiten het politieke domein, is het wel eens vruchtbaar te denken in dit soort kontrariteiten. Problemen worden doorgaans geformuleerd in termen van tekorten, maar soms is er sprake van een teveel. De economie is de wetenschap van de schaarste, maar Professor Goudszwaard van de Vrije Universiteit heeft jarenlang “de economie van het genoeg” gepredikt. Dat zet tot nadenken. Bestaat er ook zoiets als de technologie van het genoeg?

In eerste instantie heeft de ingenieur geleerd altijd naar meer te streven, “to push the envelope”. Het Olympische citius, altius, fortius, sneller, hoger en sterker, is ook het credo van de ingenieur. Maar technische verbeteringen leiden niet altijd tot betere resultaten. De verhoging en regulering van de rivierdijken blijkt na decennia van inspanningen de kans op overstromingen in de Nederlandse polders juist verhoogd te hebben. Leg dat maar eens uit aan de oude garde van Rijkswaterstaat. In het wegtransport trekt de aanleg van vierbaanswegen steeds meer verkeer aan, zodat de files alleen maar langer worden. Vervoersdeskundigen rekenen voor ons uit, dat het aantal uren onderweg tussen huis en werk per persoon per dag al minstens honderd jaar constant is. Hoe sneller de weg naar huis, hoe verder wij van ons werk gaan wonen. Totale verbetering: nul.

De enige kans op verbetering van het personenverkeer per trein is langere files op de weg. Tolheffing in euro’s zal nooit opwegen tegen het uurtarief van de automobilist. Overal in Europa schept de lage prijs van het moderne wegtransport economische en sociale problemen. Transport is eerder te goedkoop dan te duur. Ethici maken van onze massale vliegvakanties naar Turkije en Thailand een moreel probleem van overconsumptie, maar de oorzaak is de ver ontwikkelde technologie die dit mogelijk maakt.

Wie durft contrair te denken zal concluderen dat olie en gas eveneens veel te goedkoop zijn. Daardoor krijgen duurzame alternatieve energiebronnen zoals biomassa, windkracht en zonnecellen geen kans. Besparingstechnologie is kansloos tegenover de lage kosten van energiewinning. Die technologie is veel te ver ontwikkeld. Ons probleem is niet dat de prijs van olie binnenkort naar $ 100 per vat gaat. Het probleem is dat die prijs maar niet boven de $ 200 wil uitkomen. Duurzame energie zou dan vanzelf komen.

De snelste technische ontwikkelingen zijn op het gebied van de informatietechnologie. Gaat dat te hard? Mijn ervaring is in ieder geval dat het vermogen van mensen zoals ikzelf, en van organisaties die ik bestudeer, om informatie te verwerken vèr achterloopt bij het aanbod. Google Scholar geeft mij in 0.34 seconde waarvoor ik vroeger een hele middag in de bibliotheek nodig had. IT is in Nederlandse bedrijven al jarenlang hèt grote probleem.
Ik vlieg in 2 uur naar Nice in plaats van de lange luie autorit van vroeger. Maar is dat niet allemaal meer dan genoeg?