Frits Prakke

Archive for the ‘Technisch Weekblad’ Category

Een college over career development ter waarde van $ 1 miljoen

In Technisch Weekblad on dinsdag, oktober 6, 1998 at 20:15

Op andere gebieden dan het seksueel gedrag van hun president, drugsbeleid en communisme kunnen we vaak nog iets leren van de Amerikanen. Zo kan de kwaliteit van het onderwijs aan de belangrijke universiteiten in de Verenigde Staten nog steeds ten voorbeeld gesteld worden aan Nederlandse universiteiten en hogescholen. Ook communiceren ze beter. Terwijl hier te lande alle energie van Colleges van Bestuur wordt gestoken in de ambtelijke communicaties met het Ministerie van OCW, onderhouden Amerikaanse universiteiten intensieve contacten met hun afgestudeerden. Zo werd ik dit jaar, lang na mijn afscheid van het Massachusetts Institute of Technology, persoonlijk per e-mail uitgenodigd via een Internet webcast op 5 juni ‘live’ aanwezig te zijn bij de toespraak van “United States President William J. Clinton” tot de studenten van het jaar 1998 (http://web.mit.edu/commencement/1998/video.html). Van mijn Nederlandse universiteit krijg ik zelden bericht. Van M.I.T. krijg ik al twintig jaar minstens eens per maand post. Daar zitten uitnodigingen bij voor reünies of bijvoorbeeld een reeks seminars voor Europese afgestudeerden in Portugal, inclusief ontvangst door de President op het paleis en een tour met partners door de Algarve. Een nieuwe decaan richt zich met zijn plannen voor vernieuwing van de faculteit tot de afgestudeerden. Bij die post zit regelmatig een eigen glossy tijdschrift over ontwikkelingen in onderzoek en onderwijs, of een eenvoudige bedelbrief, bijvoorbeeld voor de bouw van een nieuwe vleugel aan de bibliotheek. Amerikaanse universiteiten zijn financieel afhankelijk van giften en legaten, wat de overheid door de fiscale aftrekbaarheid ongeveer evenveel kost per student als bij ons de bekostiging via de begroting van OCW. Maar dit terzijde.

Van toepassing op het thema ‘career development’ is het artikel in een mij toegezonden M.I.T. Journal over het “million dollar” college in 1920 van Professor E.H. Schell aan afstuderende ingenieurs. Schell geeft daarin gedragsregels voor een carrière die, ‘mits nauwgezet gevolgd, een miljoen aan extra inkomen kunnen betekenen’. De regels zijn:
• Wees recht door zee
• Werk hard
• Draai niet om de feiten heen
• Houd je aan prioriteiten
• Maak en behoud vrienden
• Bewaak je gezondheid
• Ga verstandig met geld om
• Ken je capaciteiten
• Gebruik je talenten
• Wees niet te ongeduldig
• Ontwikkel een brede belangstelling
• Omgeef je met persoonlijke prikkels
• Ontdek problemen
• Kies je eigen uitdaging
• Maak van succes een gewoonte

Er is in Nederland veel kritiek – zie het interview met Cees Blokhuizen in TW van 23 september – dat de hogere technische opleidingen mank gaan aan een ‘sommencultuur’, dat het aandeel technische vakken in deze eeuw is gestegen van 62 % naar 98 % van het totale onderwijsprogramma, en dat het in Nederland opgeleid ingenieurs ontbreekt aan overzicht en aan elementaire sociale vaardigheden. Career development wordt vaak ervaren als een onbegrijpelijke stortvloed van bedrijfscursussen over het hoofd van de jonge ingenieur. Tegen die achtergrond lijkt me de eenvoudige wijsheid van professor Schell uit 1920 niet overbodig. Hij legt duidelijk de eerste verantwoordelijkheid voor een loopbaan waar die hoort, bij de individu in zijn werksituatie. Toch kan zijn programma van eisen, waarin niet sommen, niet kennis, niet de arbeidsmarkt, maar de mens als Homo Faber centraal staat, ook hogere onderwijsinstellingen dienen bij de evaluatie van hun onderwijs.

Technologiebeleid moet toekomstbeleid worden

In Technisch Weekblad on woensdag, september 16, 1998 at 20:03

Premier Kok verdedigt het regeringsprogramma van Paars 2 onder de noemer ‘Weerbaar en Stabiel’. Dat lijkt me een gemiste kans. Blijven de Nederlanders voor eeuwig een volk van renteniers? Als renteniers zijn we de voorbije vier jaar voor onze zuinigheid beloond door de economische opleving over de grens. En als renteniers is onze eerste reactie op zwaar weer in verre landen extra zekerheden in de vorm van nog meer reservepotjes aan te leggen. In een calvinistisch land als Nederland ben je pas van gewicht als je anderen van lichtzinnigheid beticht, dus vallen zich gewichtig voelende commentatoren over elkaar heen in pogingen de toekomst zwart te schilderen. Weerbaar en stabiel: verschans je achter nog hogere dijken en verroer je niet. Ook het Ministerie van Economische Zaken, verantwoordelijk voor het technologiebeleid in Nederland en nu onder beheer van de voormalige minister van hoge dijken, Jorritsma, ontkomt niet aan deze behoudende instelling. Juist technologiebeleid zou de politieke vertaling moeten leveren van toekomstgerichtheid, zoals bijvoorbeeld in Duitsland het Ministerie van Onderzoek en Technologie zich afficheert als Toekomstministerie.

Vroeger was Economische Zaken, als sponsor van traditionele en veelal hopeloos verouderde bedrijven, het ministerie van het verleden. Onder de ministers De Korte en Andriessen werd gekozen voor de rol van loket voor alle wensen van ondernemingen, het ministerie van het piepende heden. Wijers ontwikkelde een meer op innovatie gericht beleid door het stimuleren van startende ‘ondernemers’ – in de praktijk het tegenovergestelde van ‘ondernemingen’ – en door steun aan informatietechnologie en econologie. Toekomstgerichte activiteiten werden in generieke zin gesteund. Op het gebied van wetenschappelijk-technologisch onderzoek werden topinstituten aangewezen door ambtelijke commissies van deskundigen. Maar het ministerie van Economische Zaken nam nooit zelf de verantwoordelijkheid voor de keuze. Mijn hoop is dat Economische Zaken zich ooit – liefst nog onder Paars 2 – daadwerkelijk ontwikkelt tot een toekomstministerie door met eigen initiatieven voor specifieke technische ontwikkelingen te proberen de grenzen van het mogelijke op te schuiven. Juist als de externe economische ontwikkelingen onvoldoende zijn moeten we niet kiezen voor rol van rentenier achter hoge dijken, maar voor die van de verschaffer van risico kapitaal voor toekomstige technologische ontwikkelingen.

Succes en falen van kennisorganisaties

In Technisch Weekblad on vrijdag, mei 29, 1998 at 20:18

Ieder jaar vertoont de lijst van grootste ingenieursbureaus van Nederland in Technisch Weekblad overzichtelijk een beeld van stijgers en dalers, winnaars en verliezers. Succes en falen valt ook duidelijk waar te nemen in het komen en gaan van organisatie-adviesbureaus en automatiseringsbedrijven, uit rapportages van visitatiecommissies over faculteiten van onze universiteiten en uit evaluaties van instellingen als TNO of het ECN. Maar weten we waarom sommige van deze kennisorganisaties beter presteren dan anderen? Belangrijker: weten de verantwoordelijke managers en bestuurders dat? De moderne bedrijfskunde, als wetenschap en als praktijk van adviesbureaus, stamt af van de studie van militaire organisaties in de vorige eeuw en van administratieve en industriële organisaties van voor de oorlog. Recente loten zijn het management van marketing- en dienstenorganisties. Er bestaat een overvloed aan serieuze management opleidingen voor logistieke, financiele, en service organisaties. Ook zijn gespecialiseerde adviesbureaus actief op deze gebieden. In de praktijk is daar de afgelopen jaren in belangrijke mate van geprofiteerd. Maar het management van kennis¬organisaties, bedrijven die hun inkomen verwerven door de verkoop van kennis in de vorm van adviezen, specialistisch onderwijs, rapporten, ontwerpen en dergelijke, is een verwaarloosd gebied.

Er is alle reden het management van kennisorganisaties te ontwikkelen als een aparte discipline. Kennisorganisaties onderscheiden zich door de bijzondere eigenschappen van hun produkten, productiemiddelen en markten. Zo is de kwaliteit van het produkt in bijzondere mate afhankelijk van vernieuwing en van exclusiviteit. De reproduceerbaarheid is beperkt. Vragen zijn vaak belangrijker dan antwoorden. De houdbaarheid is niet veel beter dan die van zuivelprodukten. De faculteit die de doctorandusbul automatisch aan al haar betalende studenten verstrekt is gedoemd. In een kennisorganisatie is het mogelijk dat het belangrijkste produktiemiddel, een deskundige waarin vaak jarenlang is geïnvesteerd, de deur uitloopt, of besluit een jaar lang om de wereld te gaan zeilen. Levering van advies aan klant A sluit vaak levering aan klant B uit. De markt voor kennisprodukten groeit sterk. Maar door toenemende concurrentie worden fouten sneller afgestraft.

De succesvolle kennisorganisatie is niet primair marktgericht, zoals een producent van consumentengoederen, of primair hiërarchisch gericht, zoals een bureaucratische bestuurlijke organisatie, of primair expertise gericht, zoals een traditionele professionele organisatie. De succesvolle kennisorganisatie kenmerkt zich door de ontwikkeling en effectieve integratie van alledrie elementen: marktgerichtheid, hiërarchie en expertise. Optimalisatie in één enkele richting leidt tot ongelukken. In de praktijk zien we dat maar al te vaak gebeuren als de directeur alleen oog heeft voor zijn eigen vakgebied, terwijl de eisen van de cliënten veranderen. Ook komt het nogal eens voor dat in een crisis een interim manager wordt aangesteld die grote schade aanricht door zich eenzijdig te richten op de invoering van bureaucratische procedures of door de oplossing van alle problemen te zien in meer acquisitie. Een ingenieur werkzaam bij een gerenommeerd maar slecht geleid adviesbureau vertrouwde me onlangs toe dat daar het principe van ‘mushroom management’ werd gehanteerd. “Management keeps us in the dark and just piles on loads of shit.”

Als een kennisorganisatie in de problemen raakt staan twee obstakels in de weg van een effectieve oplossing. De eerste is een gebrek aan bedrijfskundig inzicht bij het management. Dit zijn meestal vakspecialisten die wat het management betreft leunen op hun eigen beroepsprestige en een beperkt aantal onbegrepen regels overgedragen uit het verleden. Soms wordt een manager van buiten aangetrokken die te weinig oog heeft voor de specifieke eisen van een kennisorganisatie. Het zou beter zijn als meer gebruik gemaakt werd van externe adviseurs met specialistische ervaring in kennisorganisaties. Maar het tweede obstakel is dat kennisorganisaties, zelf gewend anderen te adviseren, zeer terughoudend zo niet vijandig staan tegenover het vragen van advies van derden. Dat is het probleem van de arts die de ziektes van zijn eigen kinderen over het hoofd ziet. Omdat het vak van adviseur van kennisorganisaties in Nederland ook nog in de kinderschoenen staat kan het nog even duren voordat hier verbetering in komt.

Investeren in beton of kennis

In Technisch Weekblad on maandag, maart 16, 1998 at 20:14

Eens per vier jaar wordt er in Nederland echt geregeerd. Althans voor zover regeren te maken heeft met vooruitzien. Eens per vier jaar is er de kabinetsformatie. Dan is het mogelijk negatieve routines te doorbreken, patstellingen te slechten, plannen te maken die echt uitgevoerd gaan worden, het voor de toekomst noodzakelijk bouw- en breekwerk te verrichten. In slechte tijden wordt de pijn van bezuinigingen verdeeld, in goede tijden zoals nu zijn beperkte nieuwe investeringen mogelijk. Tussen de kabinetsformaties in liggen vierjarige regeerperiodes, waarin dus niet geregeerd wordt. Daarin worden de in de formatie overeengekomen plannen uitgewerkt. Maar de creatieve impuls neemt geleidelijk af. Risico’s worden gemeden, ministeriële machtsposities worden gehandhaafd, de pijp raakt leeg. In deze laatste fase zien we een sterke toename van dienstreizen naar verre landen. Staatsrechtelijk moeten na vier jaar verkiezingen gehouden worden omdat dan een nieuw mandaat vereist is, maar in feite is dit nodig omdat de vermoeide regeringsploeg niets meer te regeren heeft. Links en rechts worden door politici nog wel radicale plannen gelanceerd, zoals een hervorming van het belastingstelsel, een magneettrein van Amsterdam naar Groningen, of een luchthaven in de Noordzee, maar in het vierde jaar van de regeringsperiode zijn dit zonder uitzondering luchtballonnen. Ik bedoel dit niet als kritiek, maar als de constatering van een natuurverschijnsel, het bioritme van de politiek. Het echte regeren moet wachten op de volgende kabinetsformatie.

Met in het vooruitzicht de Tweede Kamer verkiezingen op 6 mei, gevolgd door de kabinetsformatie, breekt dus nu een interessante tijd aan. Er gaat weer geregeerd worden! Door de gunstige ontwikkelingen in de staatsfinanciën is er ruimte voor belangrijke nieuwe uitgaven in de komende vier jaar. Dankzij extra inkomsten uit aardgas is zelfs een aparte spaarpot geschapen ter financiering van investeringen in de Nederlandse infrastructuur. Investeringen in de infrastructuur zijn al die uitgaven die geacht worden de economie zodanig te versterken, tot zodanige productiviteitsverhoging te leiden, dat het geïnvesteerde bedrag hierdoor in de toekomst terugverdiend zal worden.

Wat zijn nu goede voorbeelden van kansrijke investeringen in de infrastructuur voor de komende vier jaar? Het lijdt geen twijfel dat momenteel diverse lobby’s, al of niet gesecondeerd door politici en beleidsambtenaren van de betrokken ministeries, zich over deze vraag buigen. De belangrijkste aanspraken worden gemaakt door de verenigde grote bouwbedrijven in Nederland. De transportinfrastructuur moet na jaren van verwaarlozing een impuls krijgen in de vorm van meer snelwegen, bruggen, tunnels, spoorlijnen, transferia, kustuitbreiding, etc.. Véél meer. Alle middelen worden in de strijd geworpen, van rapporten van deskundigen tot alarmerende interviews met voorzitters over het dichtslibben van de slagaders van de economie. We zien symposia en een nationale manifestatie over de bouw geproduceerd door Endemol BV. Toch zijn er ook andere vormen van infrastructuur, bijvoorbeeld telecommunicatie, grote steden, recreatie, onderwijs en onderzoek. Geen tekort aan hoogleraren die verkondigen dat er structureel meer geld uitgetrokken moet worden voor wat hoogleraren doen, namelijk hoger onderwijs en top research. Dit is de kennislobby, die mijn sympathie heeft, maar de ondertoon verraadt tegelijk mijn zorg. Ik ben bang dat de strijd om de extra uitgaven voor verbetering van de Nederlandse infrastructuur gestreden gaat worden door partijen die slechts hun eigen activiteit op het oog hebben. Meer van het zelfde dus. Het eigen economisch belang daarbij stoort mij minder dan het gebrek aan vernieuwing. Output moet belangrijker zijn dan input. Er moet niet geïnvesteerd worden in bestaande organisaties maar in kennis om nieuwe oplossingen te verwezenlijken. Leerprocessen zijn belangrijker voor onze toekomstige welvaart dan beton. Dat lijkt me een essentieel uitgangspunt bij de keuze van grootschalige vernieuwende infrastructurele projecten zoals deze in Nederland slechts eens in de vier jaar plaatsvindt.

Philips naar Amsterdam

In Technisch Weekblad on dinsdag, november 11, 1997 at 18:35

De kogel is door de kerk. Philips heeft besloten het hoofdkantoor te verhuizen van Eindhoven naar Amsterdam. Vooral de reacties op dit besluit zijn fascinerend. Niet alleen Frits Philips senior en de burgemeester van Eindhoven zijn teleurgesteld. Ook de media overstelpen ons met nostalgische afkeuring. En woordvoerders van progressief Nederland zoals de vakbonden en de fractievoorzitter van de Partij van de Arbeid in de Tweede Kamer Jacques Wallage verklaren zich ronduit tegen. Een diep gewortelde behoudzucht lijkt te wensen dat de gloeilampenfabriek in het Zuiden des lands ter wille van onze jeugdherinneringen niet mag veranderen, desnoods totdat het licht definitief uitgaat. Zelf ben ik geboren in Eindhoven aan de Bosdijk, recht tegenover het huidige hoofdkantoor van Philips, en heb ik wellicht nog enig recht op nostalgische sentimenten. Maar alles wat ik sindsdien heb geleerd over economie en management zegt me dat het vertrek van het top management van Philips uit Eindhoven de enige kans biedt op de verdere ontwikkeling van de onderneming als mededinger op de huidige wereldmarkten, en dus de enige kans op overleven.

Philips is altijd een merkwaardig tweeslachtige onderneming geweest. Dat is al zo sinds aan de wieg van het bedrijf de ingenieur Gerard Philips zijn commerciële broer Anton uitdaagde meer te verkopen dan hij in zijn fabriek kon maken. Anton daagde op zijn beurt Gerard uit om meer te produceren dan hij kon verkopen. Het gevolg was decennia lang een duale managementstructuur waarin de technische directeuren en de verkoopdirecteuren elkaar in evenwicht hielden en allebei de schrik waren voor de concurrenten. Techniek en commercie waren altijd van zeer hoog gehalte. Het evenwicht tussen deze twee is essentieel. Een populaire opvatting, vooral bij techneuten, wil dat de falende marketing van Philips verantwoordelijk was voor het écheque van topproducten uit de eigen research zoals de V2000, computers, en CD-I. Maar de oorzaak lag eerder bij technologische hoogmoed en ‘technology push’ in een mate die broer Gerard nooit zou hebben toegelaten. De laatste jaren is de Research & Development by Philips scherp gereduceerd en sterker geïntegreerd met het commerciële beleid, zodat het evenwicht weer is hersteld.

Tweeslachtig was ook de positie van Philips als gesloten provinciale familiebedrijf dat niettemin eerder en met meer succes dan de concurrenten een internationaliseringstrategie doorvoerde. Begin jaren negentig leverde dit het merkwaardige beeld op van een onderneming met zulke lage winstcijfers en zulke sterke beschermingsconstructies voor het zittend management, dat de beurswaarde lager was dan het bezit aan onroerend goed. (Voor een gemiddelde op de beursgenoteerde onderneming is deze verhouding 4 : 1.) Maar tegelijk was Philips op het gebied van de consumentenelektronica de enige overgebleven belangrijke niet-Aziatische concurrent. Dekker, Timmer en Boonstra zijn al meer dan tien jaar bezig de geslotenheid te bestrijden.

Wat zal het effekt van de verhuizing van het hoofdkantoor uit Eindhoven zijn op de achtergebleven, verweesde fabrieken? Ik herinner mij een Amerikaans bedrijfskundig onderzoek uit de jaren zeventig waarin de correlatie werd berekend tussen de produktiviteit (en andere prestatie-variabelen) van de fabrieken van General Motors en hun afstand tot het hoofdkantoor bij Detroit. Het wonderbaarlijke resultaat was dat de fabrieken beter presteerden naarmate ze verder aflagen van het hoofdkantoor. Nabijheid en de daaruit resulterend veelvuldige inmenging van top management in de dagelijkse gang van zaken werkt dus negatief. Hoe vaak horen we niet ingenieurs klagen dat ze hun werk beter zouden kunnen doen als de mensen van het hoofdkantoor maar uit de weg bleven? Dit wordt door empirisch onderzoek bevestigd! Bedrijven als Asea Brown Boveri en General Electric zijn voorbeelden van succesvol management van industriële conglomeraten door beperking van de operationele inmenging van het hoofdkantoor. Het vertrek van het hoofdkantoor van Philips uit Eindhoven kan dus de redding betekenen voor de fabrieken. De opening van het hoofdkantoor naar de internationale commerciële en financiële netwerken van Amsterdam kunnen de redding betekenen van het concern.

Brief uit Sofia

In Technisch Weekblad on zaterdag, september 6, 1997 at 17:48

Door mijn werk ben ik in de gelegenheid intensief kennis te maken met het grootse maatschappelijke experiment in Europa in de laatste 50 jaar: hoe kan een Sovjeteconomie met succes getransformeerd worden in een markteconomie? Bijna acht jaar na aanvang van dit experiment zijn de testresultaten teleurstellend en verwarrend. Mijn standplaats is Bulgarije, maar in een tiental Oost-Europese landen, van Estland tot Tsjechië zouden mijn waarnemingen niet veel anders zijn.

Ik ben hier om les te geven, maar zelf heb ik zelden in korte tijd zoveel geleerd over de afhankelijkheden tussen technologie, markt en overheid. De postsovjet overheid is te zwak om de voorwaarden voor een werkbare vrije markt te scheppen. De markt geeft daarom de verkeerde signalen over prijzen en kansen aan de technologie. Deze is daarom verlamd. Technologie bestaat in deze landen uit blauwdrukken in plaats van uit innovatie zoals in het Westen. Op zijn beurt genereert de technologie daardoor geen verhoging van de productiviteit waaruit verbetering van de inkomsten en belastingen kunnen worden betaald. Daardoor is de overheid tamelijk machteloos, waardoor ……enz.

Op het eerste oog lijkt het hier een paradijs voor werkgevers. Buiten mijn hotel wordt er ook op zaterdag en zondag gebouwd, blijkbaar zonder enige restricties zoals verplichte veiligheidshelmen. Na een samenloop van feestdagen, zoals rond het orthodoxe Pasen halen alle werknemers de verloren arbeidstijd in door op drie zaterdagen te werken. Het jaarloon van een gekwalificeerde ingenieur bedraagt volgens mijn cijfers niet veel meer dan 2 % van dat in Nederland. Het algemene opleidingsniveau is zeer degelijk. Reeds in de vorige eeuw lag het alfabetiseringspercentage – dankzij de strijd voor emancipatie tegen de Turkse overheersers – tegen de 100 %. Dankzij de voorliefde van de Marxisten voor technologie was de keuze ‘voor exact’ van de beste studenten van het land bijna unaniem, met als gevolg een zeer groot aanbod van ingenieurs. Het verschil met Nederlandse ingenieurs is dat altijd in opdracht van de Staat gewerkt werd, nooit voor een vrije markt met kieskeurige klanten. Stel je voor dat Rijkswaterstaat verantwoordelijk was voor planning en uitvoering van ALLE Nederlandse industriële productie. In Bulgarije is altijd sprake geweest van technische specificaties en nooit van behoeftespecificaties.

Het waterleidingbedrijf van Sofia is een typisch voorbeeld van deze manier van denken. Het ontwerp, inclusief de systeemtechniek, kan wedijveren met de systemen van de meest geavanceerde Europese steden. Maar de leidingen worden onvoldoende onderhouden en componenten zoals pompen zijn van een onbetrouwbare kwaliteit. Er was immers maar één leverancier om uit te kiezen en aansprakelijkheid bestond niet. Daarom lekt nu meer dan de helft van het water weg en is het in warm weer bacteriologisch onbetrouwbaar.

Op een fundamenteel niveau lijden alle technologische systemen in Bulgarije aan een gebrek aan feedback, terugkoppeling, zoals deze in het Westen door grotere openheid, maar vooral door marktprikkels wordt verzorgd. Dit blijkt uit de milieurampen bij de productie van lood en koper, en uit de gebrekkige veiligheid van kolenmijnen zoals die van Bobov Dol, waar vorige week 7 arbeiders om het leven kwamen door een explosie.

Ook aan het soort terugkoppeling dat in het Westen voor een steeds verbeterende kwaliteit en precisie in de techniek heeft geleid heeft het ontbroken. Terwijl bij ons tolerantie-eisen op steeds meer gebieden van millimeter naar micron gingen en van micron naar nano werd Oost-Europa steeds meer gekenmerkt door ‘de techniek van ongeveer’.

Achteruitgang door gebrek aan terugkoppeling blijkt op een gebied als micro-electronica. Vóór 1989 waren de Bulgaarse exporten naar andere sovjet landen zeer hoog. Maar omdat slechts van bestaande blauwdrukken werd geproduceerd – imitatie van westerse producten – en bij gebrek aan ontevreden klanten de kwaliteitszorg ver onder de normen van de internationale markt lag, bestaat deze bedrijfstak nu nog voornamelijk uit lege gebouwen en werkloze ingenieurs. Het zeer grote aantal Bulgaarse software specialisten die nu in Duitsland en de VS werken versterkt de indruk dat het probleem niet ligt in het niveau van de technische opleidingen in Bulgarije.

Soms lijkt het alsof er geen uitweg bestaat uit de vicieuze cirkel van een zwakke overheid, zwakke markten en zwakke technologie. Toch voel ik mij een optimist temidden van alle pessimisten over -en vooral in – Oost-Europa. Maar wij moeten niet alleen vrije markt ideologen en IMF-bankiers sturen, al hebben deze soms hun nut. Enig geduld is nodig, plus veel meer uitwisseling op verschillende gebieden. De les van Taiwan en Finland is dat achtergebleven landen in geografische uithoeken, maar met een goede scholingstraditie, door radicale openstelling niet in acht jaar, maar wel binnen anderhalve generaties tot de economische wereldtop kunnen behoren.

Standort Nederland

In Technisch Weekblad on woensdag, oktober 16, 1996 at 18:09

Begin oktober werd aan de Erasmus universiteit in Rotterdam een conferentie georganiseerd over ‘Standort Nederland’. Uitgangspunt was een kritische waardering van de aantrekkelijkheid van Nederland als vestigingsplaats voor bedrijven. Dat zijn niet alleen buitenlandse bedrijven die voor de keuze staan al of niet in Nederland te gaan produceren, maar ook reeds hier gevestigde dochtermaatschappijen van buitenlandse multinationals die, zoals minister Wijers aanvoerde, gemiddeld eens per drie jaar een afweging maken over een mogelijk vertrek naar elders. Tenslotte zijn er de Nederlandse bedrijven die, gezien de ontwikkeling van markten en de verleidelijke arbeidskosten in met name Oost-Europa en Oost-Azie, moeten kiezen al of niet te investeren in hun produktie in Nederland. Voorbeeld: de verplaatsing van de Akzo vezelproduktie in Ede naar Polen. ‘Standort’ als invalshoek dwingt ertoe Nederland te zien als een produkt dat wort aangeboden op de wereldmarkt, met zijn eigen unique selling points, een eigen marktaandeel en verbeteringsmogelijkheden. Dit nodigt uit tot een bredere discussie dan die over industriebeleid, die te snel verengt tot het beschermen van bestaande industriële bedrijven, of over technologiebeleid, die te snel middel tot doel verheft. Wat niet wegneemt dat binnen de optiek van Standort Nederland de kwaliteit van onze industriële bedrijven en technologische infrastructuur een belangrijke rol spelen.

Een reeks zeer verschillende factoren werd door de verschillende inleiders op de conferentie ingebracht als bepalend voor de keuze van bedrijven voor Nederland als vestigingsplaats. Voorbeelden: allereerst, marktkenmerken zoals de aanwezigheid van grote en vooraanstaande afnemers en concurrenten (sic!), vervolgens de transport- en communicatie-infrastructuur, vestigingskosten zoals de prijs in guldens maar vooral in tijd die gepaard gaat met het voldoen aan milieuregelgeving verminderd met diverse subsidies en belastingvoordelen, beschikbare kennisnetwerken, en de arbeidsproduktiviteit. De kwaliteit van de onderwijs- en onderzoekinstellingen zijn met deze laatste twee factoren nauw verbonden. Ook zachtere factoren worden door de ondernemers belangrijk genoemd, zoals industriële cultuur en openheid van de samenleving, sociale organisatie, politieke en bestuurlijke stabiliteit en kwaliteit. Duidelijk is dat de internationale markt van vestigingsplaatsen, waarop Nederland moet proberen zijn marktaandeel te behouden, niet zo sterk wordt beheerst door de prijs van arbeid als soms wordt gesuggereerd. Ondanks de internationalisatie van de economie blijft er tamelijk veel ruimte om met eigen nationale en zelfs lokale initiatieven een gunstige positie op te bouwen.

Op dergelijke conferenties zijn altijd mensen aanwezig die dergelijke probleemanalyses prompt vertalen in een roep om meer subsidies voor de eigen organisatie. “We kunnen hier niets aan doen tenzij we meer geld krijgen van (bijvoorbeeld) de minister van Economische Zaken.” Deze afhankelijkheid van de tiet van moedertje staat lijkt me belemmerend voor ieder initiatief en anno 1996 volstrekt uit de tijd. Belangrijker is het een kritische analyse te maken van de doelstellingen en kwaliteit van de eigen organisatie. De Nederlandse rijkdom aan intermediaire en collectieve instellingen hoeft niet te worden opgeofferd aan het Angelsaksische marktdenken, ook niet onder een paars kabinet, maar moet zich wel zelfstandig aanpassen aan nieuwe economische ontwikkelingen.

Aan het slot van de conferentie mocht ik een korte forumdiscussie leiden over wat nu het allerbelangrijkste knelpunt was bij de verbetering van Standort Nederland. Enigszins tot mijn verbazing kwam men hierbij tamelijk eensgezind uit op de kwaliteit (niet de kwantiteit) van de Nederlandse kennisinfrastructuur, met name de technische opleidingen: LBO, MBO, HBO en universiteiten. Niet alleen slagen deze er onvoldoende in met een aantrekkelijk programma studenten aan te trekken, ook dreigt er een tekort aan bepaalde voor de industrie en diensten noodzakelijke specialisaties. Voldoende uitdaging, dunkt me, niet alleen aan deze onderwijsinstellingen maar ook aan de daarmee verbonden transferorganisaties en bedrijven, om met, maar waarschijnlijker zonder extra overheidsgeld, hierin verbetering aan te brengen.

De Ingenieur van de Toekomst

In Technisch Weekblad on donderdag, juli 18, 1996 at 18:07

In een land dat reeds zijn huis van de toekomst heeft, waar het kantoor van de toekomst dagelijks te bezichtigen valt en waar volop wordt gediscussieerd over de stad, de school, het leger en wat niet meer van de toekomst, kon het niet uitblijven. Eind juni werd op een conferentie in Rotterdam het thema behandeld van ‘de ingenieur van de toekomst’. Aan mij het verzoek om bij wijze van aftrap te spreken over de eisen die in de toekomst aan de Nederlandse ingenieur gesteld zullen worden. Bij dit soort gelegenheden ontdek je hoe ijdel je eigenlijk bent. In plaats van naar waarheid onwetendheid over dit onderwerp te bekennen – de toekomst valt immers niet te kennen – heb ik toegezegd. Nu over enkele weken weer duizenden studenten aan Technische Universiteiten en Hogescholen na een welverdiende zomerpauze hun studie hervatten met het doel daadwerkelijk zelf die ingenieur van de toekomst te worden is het een goed moment bij dit onderwerp stil staan.

De beste manier om in de toekomst te kijken is te komen tot een goed begrip van de belangrijkste trends in het heden. Voor de ingenieurs van de toekomst zijn dit de economische en technologische trends die invloed hebben op hun werkgevers. Deze trends doen zich het eerst voor in aan de internationale concurrentie blootgestelde sectoren zoals de machinebouw en transport, maar diffusie vindt plaats naar binnenlandse sectoren en tenslotte ook naar de overheid. Ik noem er vier. De eerste trend is de toenemende dominantie van de vraagzijde in het economisch verkeer. De klant is koning en in toenemende mate ook de cliënt, de patiënt en zelfs de burger. Een belangrijke uiting hiervan is de zegetocht van kwaliteitszorg systemen door alle typen van bedrijven. De eerste kindercreche met een ISO 9000 certificaat komt eraan. Specialisatie is vereist om aan de hoge eisen te voldoen. Omdat de vraag steeds verandert is flexibiliteit een vereiste geworden voor overleving.

De tweede trend is de vermenigvuldiging van markten. Steeds meer halffabrikaten en diensten worden toegeleverd in plaats van zelf geproduceerd. Alleen de eigen specialisatie, de ‘core competence’ geldt. Ook gespecialiseerde technische kennis wordt een marktgoed. De ingenieur van de toekomst werkt niet meer voor een baas maar voor een klant.

De derde trend is de toenemende invloed van informatie- en communicatietechnologie (ICT) op markten, organisaties en arbeid. De diffusie van ICT betekent veel nieuwe arbeidsmarktkansen, zeker voor ingenieurs, die de rol van vroedvrouw kunnen spelen. Maar de door ICT in gang gezette ‘business re-engineering’ vermindert de traditionele baantjes voor ingenieurs in stafposities en in het middelmanagement.

De vierde trend is technische en economische schaalverkleining. Gemeten naar o.a. het relatieve aandeel in de werkgelegenheid, plant-grootte, systeem-grootte (bijvoorbeeld de vervanging van mainframe computers door PC-netwerken), decentralisatie naar business units en de kansen voor startende hi-tech bedrijven, is de trend naar schaalvergroting die vanaf het begin van de industriële revolutie dominant was, vanaf de jaren tachtig omgebogen in het tegendeel. Dit betekent dat resultaat-verantwoordelijkheid, en zelfs ondernemerschap, bij steeds kleinere eenheden, en dus bij veel meer toekomstige ingenieurs zal komen te liggen.

Uit bovengenoemde eisen aan bedrijven vloeien belangrijke nieuwe eisen voort aan de ingenieur van de toekomst. Allereerst: specialisatie. Niet kennis per se, maar het vermogen zich te specialiseren is belangrijk. Dat is meer een ervaring dan een tas vol boeken. Een andere eis is flexibiliteit. Meerdere, kortere technische carrieres over een levensloop. Het werken in kleinere, op de markt gerichte eenheden zal vervolgens hoge eisen stellen aan multidisciplinaire samenwerking, communicatievermogen, en tenslotte, zeker voor top-ingenieurs, persoonlijk ondernemerschap. De hoogste beloning wordt steeds meer afhankelijk van de bereidheid en het vermogen risico’s te nemen.

Uit gesprekken met managers van technologie-georienteerde bedrijven klinkt dikwijls een scherpe kritiek op ‘de Nederlands ingenieur’ juist op de bovengenoemde punten. Ontdaan van het modieuze sausje, blijft er toch voldoende kritiek over om tot een fundamentele bezinning te komen van het ‘produkt’ van de Nederlandse ingenieursopleidingen. Met name de persoonlijkheidsvorming en ondernemerschap schieten tekort. Er is meer nodig dan extra lesuren ‘sociale vaardigheden’ of ‘communicatie” in de marge. De dikwijls gedeelde strategische analyse van onderwijs managers, wordt – een aantal interessante experimenten daargelaten – slechts moeizaam omgezet in daden. Omdat ook onderwijsinstellingen in toenemende mate blootgesteld worden aan marktprocessen en concurrentie, zullen resultaten op dit gebied voorwaarden voor overleven worden.