Frits Prakke

Post Tagged ‘innovatie’

Zoveel innovatie, zoveel misverstanden

InTechnisch Weekblad opmaandag, februari 14, 2011 op9:59

Een cultuurhistoricus zal mij misschien corrigeren, maar het lijkt me dat onze tijd uniek is in het omarmen van innovatie als leidend beginsel. Dat is tegelijk verheugend en ietwat beangstigend. In vroegere eeuwen stonden in de samenleving begrippen centraal zoals geloof, eer, beschaving, vrijheid, nijverheid, en gelijkheid. Filosofen spreken van de Zeitgeist. In het taalgebruik van Nrc.next is het de ‘trending topic’, maar dan langduriger. Als leidend beginsel zijn deze begrippen nu minder vanzelfsprekend geworden. Maar innovatie wordt in ons nieuwe millennium algemeen – van studeerkamer tot werkvloer tot politieke arena – als oplossing voor problemen en als doelstelling aanvaard. Innovatie is ‘hot’. Innovatie betekent voor bedrijven overleven. Nederland heeft zelfs een minister van Innovatie.

Als zo velen zich verenigen rond innovatie als leidend beginsel, is het van belang kritisch om te gaan met het begrip. Als Jan en alleman de banier van innovatie kapen om er persoonlijke of groepsbelangen achter te verbergen, dan treedt snel slijtage op. Onlangs is dat verschijnsel opgetreden ten aanzien van het begrip duurzaamheid. Iedereen die iets te verkopen had noemde het duurzaam, met het gevolg dat het begrip zijn geloofwaardigheid (Nrc.next : zijn ‘street cred’) heeft verloren. Echte duurzaamheid is daardoor jaren achterop geraakt.

Het lijkt mij daarom nuttig te kijken naar een drietal misverstanden rond het begrip innovatie. De eerste daarvan is dat innovatie meestal grootschalig is en vooral ontstaat in grote R&D-intensieve ondernemingen. Feit is dat grote ondernemingen een beperkt, en bovendien in de laatste decennia een afnemend aandeel hebben in de totale inspanningen op het gebied van innovatie. Eric von Hippel, naamgever van ‘user-led innovation’, heeft zelfs berekend dat gewone huishoudens en kleine bedrijven meer investeren in innovatieve activiteiten dan alle multinationals samen. Uit historisch onderzoek blijkt ook dat het overgrote deel van radicale innovaties het product zijn van kleine bedrijven.

De tweede misvatting is dat innovaties het product zijn van een enkelvoudige geniale ingeving, het eureka moment. Steven Johnson, schrijver van het boek “Where good ideas come from”, vat zijn bezwaar tegen dit populaire argument mooi als volgt samen: het startpunt van innovaties ligt meestal niet onder een microscoop, maar aan de vergadertafel. Het succes van de individuele ingeving is in hoge mate afhankelijk van de aansluiting van de innovator op een technisch-economisch netwerk, het innovatiesysteem.

Het derde misverstand is dat innovatie nieuwe wetenschappelijke kennis vereist. Onderzoek toont aan dat bijna alle baanbrekende technologische innovaties van de twintigste eeuw terug te voeren zijn op wetenschappelijke doorbraken van tientallen jaren eerder. De wetenschap is van groot belang, en ik zal altijd pleiten voor meer en beter fundamenteel onderzoek. Maar verwacht daar op de korte termijn geen innovaties van. Innovatie is vooral afhankelijk van wat zo mooi heet “the adjacent possible”.

Innovatieteams

InTechnisch Weekblad opzondag, januari 16, 2011 op22:07

Het populaire beeld van de eenzame uitvinder is misleidend. De meest succesvolle uitvindingen zijn het resultaat van teamwerk. Hetzelfde geldt voor wetenschappelijke ontdekkingen, grote IT projecten, startende ondernemingen en een breed scala van vernieuwingsprojecten op allerlei gebieden. Nobelprijzen worden nog zelden aan één persoon toegekend. (Terzijde: zelfs vernieuwings¬bewegingen in de politiek, bij uitstek de arena van persoonlijk leiderschap, zijn doorgaans geen lang leven beschoren als deze gedragen worden door slechts een enkel individu.) Onderzoek van sociaalpsychologen bevestigt in brede lijnen de superioriteit van groepen boven individuen op het gebied van creativiteit en innovatie.

Deze constateringen roepen vervolgens wel de vraag op wat de manieren zijn om een innovatieteam beter te laten functioneren. Het is immers evident dat er ook aanzienlijke kosten en risico’s zijn verbonden aan het werken in een groep. En wie met enige ervaring in teams – laat ik voor mezelf spreken – kan zich, naast positieve ervaringen, niet ook teleurstellingen en zelfs rampen herinneren? De maatschappelijke kosten van mislukte innovatieprojecten zijn immens.

Het begint allemaal bij de samenstelling van een team. Paul Maritz, tegenwoordig CEO van software bedrijf VMware en ooit als jonge ingenieur gestart bij Microsoft, heeft daar onlangs in een interview een aantal behartenswaardige opmerkingen over gemaakt. Een succesvol team, zegt hij, heeft tenminste vier verschillende persoonlijkheden nodig die je zelden of nooit in één mens verenigd ziet. Allereerst moet er de Strateeg zijn, een visionair die de lange termijn doelstellingen in het zicht houdt. Vervolgens moet er een Klassieke Manager zijn, die de taken verdeelt en zorgt dat iedereen zijn eigen taak en targets kent. De derde essentiële persoonlijkheid in het team is de Kampioen voor de Klant. Deze bekijkt het eindproduct door de ogen van de gebruiker en voelt met hem mee. De Kampioen voor de Klant voorkomt dat er een ‘disconnect’ optreedt tussen de werkelijke behoeftes van de markt en het nieuwe product. De geschiedenis van technische innovatie kent talloze voorbeelden van technisch hoogstaande ontwerpen die nooit door de markt zijn geaccepteerd.

De vierde essentiële rol volgens Paul Maritz is die van de Enforcer, zeg maar de knopendoorhakker. Als andere teamleden opnieuw extra functionaliteiten willen toevoegen op weg naar het perfecte ontwerp, wijst dit teamlid op de klok en zegt ‘basta’. Gelijk een technologische gatekeeper heeft hij het gezag om te beslissen wanneer het niet of juist wel tijd is om extern advies in te winnen.

De vier persoonlijkheden van Maritz vertegenwoordigen de verschillende cognitieve stijlen die nodig zijn om een innovatie team beter te laten functioneren dan de individuele genie. In sterke teams weten de leden wat hun rol is en, nog belangrijker, wat hun rol niet is. Dat lijken mij wijze lessen voor iedereen wiens werk het is innovatie teams samen te stellen, te beoordelen, of met eigen inspanning daaraan een bijdrage te leveren.

Boer pas op je kippen

InTechnisch Weekblad opmaandag, juni 7, 2004 op20:37

Als bedrijfsadviseurs innovatie gaan prediken is er alle reden om extra behoedzaam te zijn. Deze week kwam er weer zo’n persbericht uit van een gerenommeerd adviesbureau – dat om fair te blijven hier maar even naamloos moet blijven – met een eigen onderzoek over succes en falen bij innovatieprojecten van Nederlandse bedrijven. Ik zie het voor me. Gert, Henk-Jan en Max zitten deze week toch op de beach. Laat ze maar onze kaartenbak induiken om bedrijven te bellen over hun innovatieprojecten. Dat levert op zijn minst een persbericht op met onze naam, en wellicht een aantal interessante leads bij potentiële cliënten.
Dit soort onderzoek zegt meer over de toevallige samenstelling van de kaartenbak van het adviesbureau dan over innovatie. In casu bleken 63 procent van de innovatieprojecten zich te richten op verbetering van de kwaliteit van de bestaande dienstverlening. Tweederde van de bedrijven schakelen externe adviseurs in, vooral bedrijfsadviseurs en softwarebureaus. Slechts een kwart van “alle” innovatieprojecten in Nederland is succesvol. Zouden dat dezelfde bedrijven zijn die geen adviseurs in huis hebben gehaald, denk ik dan. Maar dit soort nadere analyses ontbreken jammer genoeg. De oorzaak van falen van innovatie bij de onderzochte bedrijven is “vaak” een gebrek aan visie en strategie en draagvlak onder de medewerkers. Tja, maar welk bureau zou nu toevallig adviesinstrumenten aanbieden om dat soort kwaliteiten in een bedrijf te helpen ontwikkelen?

Echt ernstig is dat de suggestie wordt gewekt dat succesvolle innovatieprojecten het resultaat zijn van het inschakelen van externe bedrijfsadviseurs op het gebied van visie, strategie en draagvlak. Innovatie vergt veel meer. Het is wel waar dat bij technische ontwikkelingsprojecten, volgens baanbrekend onderzoek bij NASA over vele jaren, technisch succes afhankelijk is gebleken van de bereidheid van het projectteam om extern technische adviezen in te winnen. Goede ingenieurs zijn nu eenmaal ook beter op de hoogte van welke collega’s meer weten dan zijzelf. Maar innovatie inclusief succesvolle implementatie, die meer is dan succesvolle technische ontwikkeling en die uitstijgt boven diffusie van reeds bewezen technische vernieuwingen, is minder afhankelijk van kennis en meer van ondernemerschap.
Echte innovatie in een bedrijf is gebaseerd op ondernemerschap. Ondernemerschap is niet op projectbasis te koop bij adviesbureaus. Het heeft te maken met risico’s nemen en het aanvaarden van mislukkingen om in tweede, derde of desnoods vierde instantie toch boven te komen drijven. Dat valt niet te leren van een adviseur, maar moet vastgelegd worden in de genen van een bedrijf. Bedrijven moeten bereid en instaat zijn de voorwaarden te scheppen voor hun ingenieurs om te kunnen falen. Vooral voor bedrijven met gevestigde markten is dat moeilijk. Nederlandse en Europese ondernemingen en ingenieurs lijken er meer moeite mee te hebben dan Amerikaanse. Maar het is de enige weg naar succesvolle innovatie.

Ondernemingsgroei, innovatie en slapeloze nachten

InTechnisch Weekblad opvrijdag, februari 22, 2002 op20:16

Waarom groeit juist dat ene bedrijf snel, terwijl de meeste anderen achterblijven? Na het optrekken van de wolken van de crash van de Interneteconomie is die vraag voor velen opnieuw relevant. Als toch niet alles afhangt van het voorspiegelen van een actieve e-commerce strategie, wil de afstuderende ingenieur weten waar dan wel zijn beste kansen liggen. Gaat hij werken in een expanderend bedrijf met volop kansen voor een mooie carrière, of voor een bedrijf dat slechts inkrimpingen te wachten staat. Ook de aandeelhouder die zijn portefeuille overweegt stelt die vraag. Groeiende ondernemingen bieden de beste kans op koersstijgingen op de langere termijn.

Drie gangbare theorieën verklaren de groei van bedrijven. De traditionele verklaring is dat bedrijven groeien om schaalvoordelen uit te buiten, zowel in de technologie als in de marketing. Die groei gaat door totdat de optimale grootte bereikt is, geen verdere winstgevende investeringen mogelijk zijn, of de bureaucratisering ten gevolge van de omvang van het bedrijf tot verstarring leidt. Een modernere verklaring is de levenscyclustheorie. De groei is afhankelijk van de fase waarin het bedrijf verkeert. De eerste fase van een bedrijf wordt gekenmerkt door ondernemerschap, de tweede fase door volwassenheid en de derde door verval. Tenslotte wordt de groei van een bedrijf ook vaak afhankelijk gesteld van de core competencies, het opgebouwde vermogen om voordelen te behalen op de concurrenten op gebieden zoals productinnovatie, productietechniek of marketing.

Ieder van deze verklaringen lijkt op het eerste gezicht aannemelijk en ze worden dan ook dikwijls aangevoerd door ondernemers bij de onderbouwing van strategische beslissingen zoals reorganisaties, fusies en overnames. Kunnen deze factoren werkelijk de groei bepalen of zijn het modieuze pogingen om beursanalisten naar de mond te praten? Om dit te toetsen heeft Paul Geroski van de London School of Economics empirisch onderzoek gedaan naar de werkelijke patronen van groei van grote aantallen bedrijven. Zijn conclusie is dat de groeipatronen niet in overeenstemming zijn te brengen met één van de drie theorieën, maar slechts gekenmerkt worden door onregelmatigheid en onvoorspelbaarheid. In statistische termen heet dat een “random walk”.

Een patroon dat Paul Geroski wel vindt is dat zeer jonge bedrijven sneller groeien. Maar de omvang van bedrijven tendeert niet naar bepaalde waarden, ook niet binnen dezelfde bedrijfstak. Bovendien correleert de groei van een bedrijf slechts in zeer beperkt mate met de groei van de algehele economie of zelfs van de eigen bedrijfstak. Recessies treffen de groei van slechts een kleine minderheid van de bedrijven.

Het antwoord op toenemende concurrentie is innovatie, maar in plaats van een continue proces treft Geroski een patroon aan van sporadische tussensprints. Innovatie in bedrijven lijkt niet een planmatige, reguliere activiteit, maar een reactie op sporadische crises in de concurrentiepositie. Een van mijn Amerikaanse leermeesters poneerde ooit de stelling dat ondernemers die niet de ervaring hebben gehad van een slapeloze nacht over het niet kunnen uitbetalen van de lonen aan het einde van de maand, niet in staat zijn tot echte innovaties.

Het zou kunnen zijn dat ondernemers ondeugdelijke theorieën verkondigen om strategische beslissingen te verdedigen tegenover de beursanalisten, maar in de praktijk wel degelijk over het inzicht van de praktijkman beschikken om de juiste koers te volgen. Het tegendeel blijkt. KPMG Consultancy maakte deze week in de Financial Times een onderzoek bekend dat het ergste doet vrezen. De meerderheid van de 500 grootste overnames uit de jaren negentig, zo blijkt, heeft de aandeelhouders geen winst opgeleverd. Tweederde van deze overnames wordt op het ogenblik weer teruggedraaid.

We concluderen dat de strategische analyses die ondernemers doorgaans aanbieden op de financiële pagina’s van de kranten om het groeipotentieel van hun bedrijven aan te prijzen ondeugdelijk zijn. Van werkelijk belang is noch schaalgrootte, noch verjonging, noch vermeende core competencies. Van belang is het vermogen tot een Toynbee-achtige, innovatieve reactie op uitdagingen in de markt. Het beleven van slapeloze nachten. Voor de jonge sollicitant of voor de potentiële aandeelhouder is het een niet geringe opgaaf om daar een oordeel over te vormen.

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.