Archive for 2011|Yearly archive page
Merry Christmas and a Happy New Year 2012
InUncategorized opzaterdag, december 24, 2011 op12:54Het meisje en de trein
InTechnisch Weekblad opzaterdag, april 9, 2011 op10:06Het is lente. Ik sta te wachten op het perron in Apeldoorn en zie enkele jongens bij elkaar staan. Ze praten niet, maar kijken slungelachtig voorovergebogen op hun mobiel. De mensmachine interface verdringt de echte communicatie, denk ik. Uit een hoek van mijn oog zie ik plotseling een beweging. Een meisje, zo weggelopen uit een column van Martin Bril, baant zich een weg tussen alle mensen. Rugzakje, grote ogen, sproeten en een sjaal in de wind. Ze vliegt af op een van de jongens zoals alleen meisjes dat kunnen, en valt hem om de nek. Ze zoekt zijn ogen maar die blijven gefixeerd op zijn mobieltje. Haar aarzelende knuffel blijft onbeantwoord. De slungel blijft geabsorbeerd in zijn app. Gêne verbiedt mij de zich ontspinnende tragedie aan te staren. Ik wend mijn ogen af maar zie nog net de teleurstelling in haar ogen. De blos op haar wangen vergrijst. Ze pakt haar eigen mobiel. Er klinkt een fluitje en ik haast me. De trein gaat.
Terwijl de trein over de IJssel Deventer nadert vraag ik me af of deze pijnlijke scène niet ook de perfecte allegorische weergave is van ons langlopend debat over technologische innovatie. Het onderwerp van mijn columns. Het ligt in de natuur van de mens ideeën voor vernieuwing te lanceren zoals niets het meisje weerhoudt haar vriend om de nek te vallen. Innovaties ontstaan dagelijks ergens op een tekentafel, in een collegezaal, in een laboratorium, op de werkvloer en soms gewoon in bad. Eureka. Maar onze beste ideeën lopen ook dagelijks stuk op weerstand tegen vernieuwing, desinformatie, gevestigde belangen en gebrek aan fantasie. Echte innovaties zijn even kwetsbaar als de blos op de wangen van dat meisje.
Het is ook nodig valse innovaties te ontmaskeren. Technologie kan soms grote schade aanrichten. Dat vereist een vrij publiek debat. Op deze plek in Technisch Weekblad heb ik daar al bijna een kwart eeuw, in totaal ongeveer 250 columns, over mogen schrijven. Een waar voorrecht. Ruimte voor een vrije Diskurs over innovatie is schaars in Nederland. Door steeds grotere belangen van private en publieke partijen in de uitkomst van het debat, is die ruimte in 25 jaar steeds verder gekrompen. Steeds meer overheersen deskundigen met een financieel of institutioneel belang. Het aantal pr-adviseurs op dit gebied is vele malen groter dan het aantal journalisten of werkelijk onafhankelijke deskundigen. Het debat is dommer geworden. Sinclair Lewis schreef eens dat het moeilijk is iets te begrijpen als je salarisstrookje afhankelijk is van het niet begrijpen.
De redactie van TW heeft nu besloten te verjongen en afscheid van mij te nemen. Dat is jammer. Maar het debat over innovatie is daarmee niet beëindigd. Ik blijf daar aan bijdragen. Maar nu even niet hier.
De trein gaat.
Kernenergie na Fukushima
InTechnisch Weekblad opmaandag, maart 14, 2011 op12:35Ik ben een kind van de alternatieve energiebeweging. Het schrikbeeld van de honderd destijds geplande kerncentrales langs de Rijn, die dan kokend van al dat koelwater bij Lobith ons land binnen zou stromen, wakkerde mijn belangstelling aan voor slimmere en vooral kleinschaliger technologie. Onze angst werd bevestigd door de rampen bij Harrisburg en Tsjernobyl. Onze hoop werd bevestigd door de ontwikkeling van de micro-elektronica als energiezuinige alternatieve drager van de economische ontwikkeling. De menselijke maat en kleinschalig ondernemerschap kregen nieuwe kansen. Sindsdien zijn er in de gehele wereld nauwelijks nieuwe kerncentrales in bedrijf genomen. Vooraanstaande economen zien “Small Knowledge Intensive Enterprises” als drager van het economisch herstel na de kredietcrisis. De atoomramp deze week bij Fukushima lijkt het einde van de kernenergie.
Het is daarom met enige schroom dat ik hier een pleidooi ga houden voor de Nederlandse deelname aan een plan van de Obama regering voor de ontwikkeling en bouw van een nieuwe generatie kernreactoren. (Dit zou mij wel eens een aantal lidmaatschappen kunnen kosten.) Het plan betreft de certificatie en bouw van een serie kleine, goedkope, modulaire kernreactoren. De capaciteit zou 5 % bedragen van conventionele, ongeveer $ 10 miljard kostende kernreactoren, zoals deze nu op de tekentafel liggen. De lagere kosten, vanaf een paar honderd miljoen dollar per stuk, worden mogelijk door de modulaire bouw in series in een moderne fabriek. Vervolgens worden de modules, ter grootte van een container, verscheept naar de gewenste locatie. Het kleinschalige bouwen van series van reactoren maakt toekomstige kostendaling door leereffecten en concurrentie mogelijk. Een van de potentiële producenten is het bedrijf Babcock & Wilson, dat een modulaire reactor aanbiedt onder de naam mPower. Dit is een opschaling van een bewezen ontwerp van een reactor voor nucleaire onderzeeërs. NuScale biedt een ontwerp aan van Oregon State University.
De kern van het idee voor kleinschalige atoomreactoren ligt in het doorbreken van de vicieuze cirkel van toenemende schaalgrootte en de resulterende exponentieel toenemende complexiteit, risico’s en kosten per kilowatt uur. De laatste decennia hebben we een spectaculaire daling gezien in de optimale schaalgrootte en kosten van complexe technologische producties zoals hoogovens, computers, grafische producten en auto’s. Woonwijken en kantoren komen tegenwoordig in onderdelen uit fabrieken, om goedkoop in situ te worden geassembleerd. Al deze principes zouden ook toegepast kunnen worden op kleinschalige kernreactoren. Door af te zien van de grootschalige monsters van 1.000 tot 1.500 megawatt daalt ook de kwetsbaarheid voor onzekere markten. De modulaire reactor van Obama zou op tijd komen om de grote aantallen gelijkgrote, zeer vervuilende, kolencentrales uit de jaren vijftig en zestig te vervangen. De kostbare infrastructuur ligt er dan al.
Concluderend, mijn afkeer van grootschaligheid is groter dan mijn angst voor atoomenergie, zelfs in deze week van Fukushima. En al die lidmaatschappen.
Zoveel innovatie, zoveel misverstanden
InTechnisch Weekblad opmaandag, februari 14, 2011 op9:59Een cultuurhistoricus zal mij misschien corrigeren, maar het lijkt me dat onze tijd uniek is in het omarmen van innovatie als leidend beginsel. Dat is tegelijk verheugend en ietwat beangstigend. In vroegere eeuwen stonden in de samenleving begrippen centraal zoals geloof, eer, beschaving, vrijheid, nijverheid, en gelijkheid. Filosofen spreken van de Zeitgeist. In het taalgebruik van Nrc.next is het de ‘trending topic’, maar dan langduriger. Als leidend beginsel zijn deze begrippen nu minder vanzelfsprekend geworden. Maar innovatie wordt in ons nieuwe millennium algemeen – van studeerkamer tot werkvloer tot politieke arena – als oplossing voor problemen en als doelstelling aanvaard. Innovatie is ‘hot’. Innovatie betekent voor bedrijven overleven. Nederland heeft zelfs een minister van Innovatie.
Als zo velen zich verenigen rond innovatie als leidend beginsel, is het van belang kritisch om te gaan met het begrip. Als Jan en alleman de banier van innovatie kapen om er persoonlijke of groepsbelangen achter te verbergen, dan treedt snel slijtage op. Onlangs is dat verschijnsel opgetreden ten aanzien van het begrip duurzaamheid. Iedereen die iets te verkopen had noemde het duurzaam, met het gevolg dat het begrip zijn geloofwaardigheid (Nrc.next : zijn ‘street cred’) heeft verloren. Echte duurzaamheid is daardoor jaren achterop geraakt.
Het lijkt mij daarom nuttig te kijken naar een drietal misverstanden rond het begrip innovatie. De eerste daarvan is dat innovatie meestal grootschalig is en vooral ontstaat in grote R&D-intensieve ondernemingen. Feit is dat grote ondernemingen een beperkt, en bovendien in de laatste decennia een afnemend aandeel hebben in de totale inspanningen op het gebied van innovatie. Eric von Hippel, naamgever van ‘user-led innovation’, heeft zelfs berekend dat gewone huishoudens en kleine bedrijven meer investeren in innovatieve activiteiten dan alle multinationals samen. Uit historisch onderzoek blijkt ook dat het overgrote deel van radicale innovaties het product zijn van kleine bedrijven.
De tweede misvatting is dat innovaties het product zijn van een enkelvoudige geniale ingeving, het eureka moment. Steven Johnson, schrijver van het boek “Where good ideas come from”, vat zijn bezwaar tegen dit populaire argument mooi als volgt samen: het startpunt van innovaties ligt meestal niet onder een microscoop, maar aan de vergadertafel. Het succes van de individuele ingeving is in hoge mate afhankelijk van de aansluiting van de innovator op een technisch-economisch netwerk, het innovatiesysteem.
Het derde misverstand is dat innovatie nieuwe wetenschappelijke kennis vereist. Onderzoek toont aan dat bijna alle baanbrekende technologische innovaties van de twintigste eeuw terug te voeren zijn op wetenschappelijke doorbraken van tientallen jaren eerder. De wetenschap is van groot belang, en ik zal altijd pleiten voor meer en beter fundamenteel onderzoek. Maar verwacht daar op de korte termijn geen innovaties van. Innovatie is vooral afhankelijk van wat zo mooi heet “the adjacent possible”.
Innovatieteams
InTechnisch Weekblad opzondag, januari 16, 2011 op22:07Het populaire beeld van de eenzame uitvinder is misleidend. De meest succesvolle uitvindingen zijn het resultaat van teamwerk. Hetzelfde geldt voor wetenschappelijke ontdekkingen, grote IT projecten, startende ondernemingen en een breed scala van vernieuwingsprojecten op allerlei gebieden. Nobelprijzen worden nog zelden aan één persoon toegekend. (Terzijde: zelfs vernieuwings¬bewegingen in de politiek, bij uitstek de arena van persoonlijk leiderschap, zijn doorgaans geen lang leven beschoren als deze gedragen worden door slechts een enkel individu.) Onderzoek van sociaalpsychologen bevestigt in brede lijnen de superioriteit van groepen boven individuen op het gebied van creativiteit en innovatie.
Deze constateringen roepen vervolgens wel de vraag op wat de manieren zijn om een innovatieteam beter te laten functioneren. Het is immers evident dat er ook aanzienlijke kosten en risico’s zijn verbonden aan het werken in een groep. En wie met enige ervaring in teams – laat ik voor mezelf spreken – kan zich, naast positieve ervaringen, niet ook teleurstellingen en zelfs rampen herinneren? De maatschappelijke kosten van mislukte innovatieprojecten zijn immens.
Het begint allemaal bij de samenstelling van een team. Paul Maritz, tegenwoordig CEO van software bedrijf VMware en ooit als jonge ingenieur gestart bij Microsoft, heeft daar onlangs in een interview een aantal behartenswaardige opmerkingen over gemaakt. Een succesvol team, zegt hij, heeft tenminste vier verschillende persoonlijkheden nodig die je zelden of nooit in één mens verenigd ziet. Allereerst moet er de Strateeg zijn, een visionair die de lange termijn doelstellingen in het zicht houdt. Vervolgens moet er een Klassieke Manager zijn, die de taken verdeelt en zorgt dat iedereen zijn eigen taak en targets kent. De derde essentiële persoonlijkheid in het team is de Kampioen voor de Klant. Deze bekijkt het eindproduct door de ogen van de gebruiker en voelt met hem mee. De Kampioen voor de Klant voorkomt dat er een ‘disconnect’ optreedt tussen de werkelijke behoeftes van de markt en het nieuwe product. De geschiedenis van technische innovatie kent talloze voorbeelden van technisch hoogstaande ontwerpen die nooit door de markt zijn geaccepteerd.
De vierde essentiële rol volgens Paul Maritz is die van de Enforcer, zeg maar de knopendoorhakker. Als andere teamleden opnieuw extra functionaliteiten willen toevoegen op weg naar het perfecte ontwerp, wijst dit teamlid op de klok en zegt ‘basta’. Gelijk een technologische gatekeeper heeft hij het gezag om te beslissen wanneer het niet of juist wel tijd is om extern advies in te winnen.
De vier persoonlijkheden van Maritz vertegenwoordigen de verschillende cognitieve stijlen die nodig zijn om een innovatie team beter te laten functioneren dan de individuele genie. In sterke teams weten de leden wat hun rol is en, nog belangrijker, wat hun rol niet is. Dat lijken mij wijze lessen voor iedereen wiens werk het is innovatie teams samen te stellen, te beoordelen, of met eigen inspanning daaraan een bijdrage te leveren.
